Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

schepnet

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het schepnet.

'k Zal met ijver
Uit deez' vijver,
- Lieve Jet!
Naar verlangen
Visjes vangen
In dit net.

'k Zal naar snoeken
Wel niet zoeken,
Mij te sterk.
Spichtige alen
Op te halen
Is mijn werk.

'k Vang ook blijën,
En, bij tijën,
Zelfs een baars.
Vorens mede
Hier ter stede,
Zijn niet schaars.

Zie hen woelen
En krioelen
In de plas.
Maar hun dartlen
En hun spartlen
Stoor ik ras.

Blijf maar kijken!
't Zal u blijken,
Wat ik doe.
Klaar is 't netje;
Kom nu, Jetje!
En zie toe.

Nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

arm

Een gedicht van Antoinette Kleijn-Ockerse 1762-1828

Mijn arm is jong; nog blank mijn Zwaard

Mijn arm is jong; nog blank mijn Zwaard;
Nooit zag mijn oog dit veld; -
'k Besteeg geen briesend oorlogspaard;
Mijn vuist doorsloeg geen Held.

Toch is mijn boezem fier en sterk,
Mijn hart als Batoos hart!
Vlug is mijn blik als 't morgenzwerk,
Ze vlammend als mijn hart -

Bathilde gorde mij ten slag!
Haar hand schonk mij dit paard,
'k Sla, haar ter eer, mijn eerste slag,
Dit zweer ik, bij mijn zwaard.

Mijn hart smacht, met verhitte dorst,
Naar het roemrijk oorlogsveld!
'k Omhelze nooit Bathildes borst
Dan als een Hollands Held! -

Neen nooit! vaarwel Bathilde! ik zweer
Dit zij mijn Huwlijkspand,
'k Omhelze u, als verwinnaar, weer;
Of sterf voor u en 't Land! –

Krygsliederen van Mr. J.F. Kleyn en Vrouwe A. Kleyn gebooren Ockerse

 

 

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

dodenherdenking

Stilstaan
 
We stonden stil
Bij een algemene wil
Om de gevallen doden
te herdenken
Het mocht en mag nimmer
meer gebeuren
Dat is wat je ziet
Als ze je zijn aan het verscheuren
De mens kent niet meer de ernst
De kinderen krijgen geen geschiedenis meer
En over gaat al het oude zeer
Maar als je een levenlang bent geconfronteerd
Met oorlogen in het klein en in het groot
Dan werp je veel huichelarij in de sloot
Want soms is het een gezellig samenzijn
Ook al zie je ernstige gezichten
Vele mensen zijn dagelijks de
samenleving aan het ontwrichten
Men is meer bezig met de driften
Van eigen denken
Dan een ander te gedenken!
Ja, wat zal dit alles schenken!
Waar oud en jong bij elkaar waren te gedenken
Ieder heeft zijn eigen verhaal
De één op kleine en de ander op grote schaal
Maar het is nimmer uit dat onmenselijk verhaal
Juist met speciale dagen
Voel je het weer…
De naweeën van die vreselijke dagen…
Bloemen plaatjes
 
Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

ontroering

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

 Tintelende ontroering

Tintelende ontroering
zich zelf genoeg,
en met de volontloken wangen
en met de forse wrong der haren
met het hoofd aangeleund
stond zij zwaar, zwart;
rijke rozenbottels
oranje en rood,
schat bij schat,
o de (weet je nog) barstten,
bloemenknoppen des harten,
het ongekreukte bloemenblad
lag in onze hand

Schetsen en fragmenten (Verzamelde verzen 1935)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

blijlied

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

BLIJLIED

Is mijn Vlaandren oud of jong?
Jong of oud?
Toen mijn hart dit blijlied zong
Hing de lucht vol goud.

Al de bomen sloegen groen,
Groen en blank,
En mijn hart, om mee te doen,
Gaf zijn beste klank.

Al de vogels schalden wild,
Wild en rein,
En mijn harte, zondoortrild,
Was een klaar fontein.

Is mijn Vlaandren jong of oud?
Allebei.
Zo wie daar aan twijflen zoud'
Twijfelt aan de Mei;

Twijfelt aan de dag die ruist,
Zwaar van licht,
Twijfelt aan de moed die bruist,
Twijfelt aan de plicht.

Vlaandren leeft, Vlaandren groeit,
Schoon door pijn;
En mijn hart, dat breekt en bloeit,
Moet in Vlaandren zijn.

De Noordhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:29 Reageer op dit bericht

le pont

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Le pont de Caulaincourt.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het vergaan verleden
stuwt en stijgt het hijgend heden,
boven het gefluisterd Amen,
vlamt de pakkende reclame,
boven 't somber R.I.P.
waarschuwt luid: ‘Si vous toussez....’

't Leven spreidt zijn vleugels wijd
boven dood en eeuwigheid,
spant in vergetrokken togen
zijn versteende brede bogen
tot een veld van koorts'ge strijd;
tussen plecht'ge marmerzerken
zuilen zwaar de zwarte werken,
die het volle leven dragen,
over doden heengeslagen.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het Memento Mori
juicht de dag in volle glorie,
tussen zware wagenvrachten
jagen mensen, joelen, jachten,
snorren taxis, toet'ren, tett'ren,
zoemen stemmen, schreeuwen, schett'ren,
logge camions dond'ren, bonken,
monden lachen, ogen lonken,
wielen went'len, knarsen, kreunen,
autobussen dav'ren, dreunen;
in één jacht, één drift gedreven
bruist en kookt het lillend leven;
in de branding opgenomen
van één stroom en tegenstromen
van een durend af en aan
blijft de drom van mensen gaan.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven weidse sepulturen
slaat de zweepslag van de uren,
boven vroom geknielde liên,
walmt de wierook - de benzien!

O, de dood is zoet in 't g'loven
aan 't bestaan van een: hierboven,
want een ‘boven’ is gegeven,
want hierboven is het leven
vol mysterie, heil en hoop
in 'de grootste' bioscoop,
die, als eind'lijk nacht gaat dekken,
nog de doden tracht te wekken
met zijn kleurdoorvonkte banen
van elektrische reclame,
vol van zon en duizend sterren:
‘Changement de Propriétaire!’

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven heil'ge eeuwigheid
lalt en bralt de nieuwe tijd,
strijdt en stuwt het kermend heden,
met zijn vloek en zijn gebeden,
met, als laatste elegie:
‘L'au-delà?’ - ‘Oui, mais Ribby....!’

Parijsche Verzen ((1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

apentroost

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Apentroost.

Een aap had met veel zorg en zwier
Als pronker zich gekleed;
‘Nu schijn ik,’ sprak hij, ‘toch geen aap
Voor iemand die 't niet weet.’

Hij pakt met moed het spiegelglas
Met beide poten op:
Maar hoe hij kijkt - hij ziet nog steeds
De oude apenkop.

Hij draait de spiegel links en rechts,
‘'k Ben netjes!’ sprak de knaap,
‘Mijn frak valt mooi, mijn broek zit strak,
Maar 'k ben en blijf - een aap.’

Hij 's dol, hoe hij zich keert of wendt,
Toch ziet hij d' apensnoet,
Hij rukt de spiegel van de muur
En trapt die met de voet.

Maar hij bezint zich dra en roept:
‘'t Kon erger, naar ik meen,
'k Zie mijn gelijken overal,
'k Ben nergens ooit alleen.’


Een Duitser nageaapt.

Gedichten (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

slapeloos

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Slapeloos

Hij komt met geruisloze vleugelslag aan,
De donkerlokkige knaap,
Hij staart met zijn peinzende ogen mij aan,
De dromen-brengende Slaap.

Hij vouwt om mijn peluw zijn wieken wijd
Met loom gebogene lijn
En over mijn voorhoofd zijn adem verglijdt
In schaduw van maneschijn.

Dan aan mijn legerstee zet hij zich neer,
Het hoofd in de handen geleund,
En nokkende preevlend zuchten teer,
Hebben zijn lippen gekreund:

‘Gedreven van wereld-tot-wereldkust
Door de ogen der dagende Dag,
Ik voer met mij mede verdoving en rust
In eindeloos zelfbeklag.

Ach, waarom liet ik mijn broeder alleen,
Mijn tweelingbroeder de Dood,
Sluimeren wilde ik gaan tot hem heen,
Sluimeren zoet in zijn schoot.’

Zo weent hij en hult met wanhopig gebaar,
Met angstig vertrokkene mond,
Het vochte gelaat zich in 't ravenzwart haar,
Dat om zijn handen zich rondt.

Tot plotseling hij rijst, als door furiën gejaagd
Zie ik hem omziende staan,
Wijl diep in het Oosten de morgen daagt,
De ochtend in 't kleed van saffraan.

Als iemand die schrik overmande, hij staat,
Rillend van vleugelen licht,
Doch eer hij verruist en verder weer gaat,
Drukt hij de oogleên mij dicht.



1884

Gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

optimisten

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Voor de optimisten

Gij weet het grote nieuws, en, hoe door ’t nieuwe licht
Van Theologen, Filosofen, Economen
En andre Omen,
Nu eerlang hier op aard de Hemel wordt gesticht? –
Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen!
’t Duurt nog een grote veertien dagen.

Leekedichtjes

schrijver

Geschreven door Dora om 13:33 Reageer op dit bericht

wingerd

Een gedicht van Willem de Merode 1997-1939

De wilde wingerd

Een krank en schamel hout,
Het minste van het woud,
Door iedre wind geslingerd,
Reikte ik mijn ranken uit,
Weerstaan, maar nooit gestuit,
Een dorre wilde wingerd.

Geen mens die naar mij zag.
Al waar ik kroop of lag,
Mijn groen ging alles dekken.
Tot in dit woest revier
De goede hovenier
Mij wijs kwam stekken!

Hij plantte me in zijn tuin,
Leidde, dan recht, dan schuin,
Mijn loot de muren over.
Nu siert zijn hoge huis
Rondom met zwaar geruis
Een vloed van bloedend lover.

Al ben 'k verminkt en krom,
Hij wist hoe onder 't mom
Van dorheid 't hart versmachtte.
Nu hij mij kwekend nam,
Verlicht ik met mijn vlam
De dagen en de nachten.

Het heilig licht (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

dorpsschoolmeester

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

DORPSSCHOOLMEESTER.

Needrig, Meester! is uw stand,
Pover is uw kleine woning;
Maar nog liever dan een Koning
Geef ik U mijn rechterhand;

Liever dan een Koningskind
Noem ik U mijn beste vrind!

's Morgens vroeg en 's avonds laat,
Nimmer, Meester! zijt ge moede,
Om de kinderkens ten goede
Op te kweken, naar hun staat;
Om ze in kennis, deugd en eer
Op te kweken, voor de Heer!

Worde op Aarde u karig loon...
De Oogst van wat gij hier mocht zaaien,
Zult gij in de Hemel maaien,
Als gij neerknielt voor Gods troon;
Als uw naam, met Englenschrift,
't Levensboek wordt ingegrift.

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

terug

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

TERUG

Scheef is de poorte, van
oudheid, geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
stro op de zwepingen
zit er gestreken;
vodden beveursten het
huis en de stal.

Boven die vodden zijn
blommen gesprongen;
onder die vodden zit
volk en gezin:
blommen van vrede, zo
ouden, zo jongen,
blommen van buiten en
blommen van bin.

Daar is 't, dat moeder zat;
daar is 't, dat vader
vond die hem arbeid en
herte bracht; daar
knielden wij, kinderen,
handen te gader,
baden wij, kleinen en
groten te gaâr.

Daar is de schippe nog,
daar is de tange;
't ovenbuur staat daar, zo
't vroeger daar stond;
't hondenkot staat daar, en...
- 't is al zo lange! -
Hoe is de naam van die
andere hond?

Ach, hoe verheugen mij,
ach, hoe verheffen
de oudere dagen mijn
diepste gemoed!
Is er wel iemand, die 't
ooit kon beseffen
wat gij, oud hof, mij nu
zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al
te argloze mensen,
weinig begeerde gij,
groot was uw hert!
- Kon het maar helpen, met
wenen en wensen,
weer at ik roggebrood,
naast u, aan 't berd!


28/1/1879

Rijmsnoer (Hooimaand)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:05 Reageer op dit bericht

pronk

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

  

Ik zag met pronk en kostbaarheden

IK zag met pronk en kostbaarheden
en een hooghartig oogopslaan
een pauwenveer in den koraan;
de groen en rosse strengen gleden
over de tekst, het wuft verguld
had al de bladzij opgevuld
en midden in de soeren lag
de blauwe spiegel en zijn lonken
de strakke verzen overblonken
lichtzinnig spelend met de dag
en bont juweel en wulps azuur
had op de letteren beslag
en overschaduwde de schriftuur.

En ik: dat op het heilig boek,
dat op de regels heet bewogen
om al wat zij behelzen mogen
van Gods belofte en Godes vloek,
de onbezonnen dartelheid
zijn loze tooi heeft uitgespreid,
dat het gebodwoord van de Heer
het bed is van een vogelveer!

En zij: laat af van aan te klagen.
Schoonheid is tiranniek gezind
en zelfgerecht en voert bewind
naar eigen wil en welbehagen!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

namaals rust

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Namaals rust.

't Verlangen van de Jeugd
Is vreugd
En woelig tijd verdrijven;
Moede Ouderdom schept lust
In rust;
De mijne in werkzaam blijven.

Zolang de Hoogste macht
Mij kracht
Naar lijf en ziel blijft gunnen,
Is 't mij niet enkel goed,
Maar zoet
Te doen wat Zij doet kunnen.

Dit zij, min leven lang,
De dank
Aan die 't mij gaf en rekte,
En, zeegnend, t'allertijd
De vlijt
Aanvuurde, die hij wekte.

1892.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:20 1 reactie Reageer op dit bericht

nocturne

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Nocturne.

Bij 't opene venster Pierrot, zo bleek
Alsof al het bloed uit zijn wezen week,
Staat te dromen in 't licht van de maan
En Colombine triest, ontdaan,
Zit te schreien.

Pierrot voelt de honger en kommer niet
Want nu van de maan het blank schijnsel vliet
Voelt die dichter zich koning te rijk,
Maar Colombine zorgelijk
Zit te schreien.

't Troosteloos leven is hem een tresoor
In zijn ziel sereen zingt een lief'lijk koor
In hèm is 't àl klanken en kleur,
Maar Colombine in moe getreur
Denkt aan scheien....

Onze Eeuw (1913)

schrijver

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

zeggen

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

 

Zeg het maar

Zeg het maar,
dat ik te dom ben om met je te praten,
dat je me liever naar huis zou laten;
thuis bij het aanrecht en thuis bij de wieg.
Zeg het maar, dat ik niet lieg,
je wist dat het komen zou, voeger of later.

Chansons, gedichten en studentenliederen (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

ontwaak

Een gedicht van Lodewijk Mercelis 1857-1918

Ontwaak

De lentemorgen, fris en koel,
Ontwaakt en speelt met het windeke zoel;
Reeds draagt de leeuwerik, schel en zoet,
Ten hemel der bloemen morgengroet:
En gij slaapt!

Wen blozend van leven de rozenknop zwelt,
Een aâm van wonne waait door 't veld,
Ontwaken in 't nestje de vogelen klein,
En drinken de dauw van hun vleugelijn:
En gij slaapt!

God heeft u de boek van Natuur ontvouwd,
Beschreven met bloemen en sterrengoud;
Op ieder blaadje, op elke halm,
Daar leest gij zijn Naam met een liefdespalm:
En gij slaapt!

Geleid door de machtige hand van de Heer,
Zo varen wij henen op 't levensmeer;
O! hoort gij het dreigend golfgeklots,
Ons bootje verslingert en breekt op een rots:
En gij slaapt!

Gij slaapt, met argeloos, stil gemoed,
Wen de morgenzonne met bloed'ge gloed,
En met leliënwit uw hoofd beglanst,
Lijk een priester die zijn offer bekranst:
En gij slaapt!

En hoort gij der smeden hamers niet?
Sta op! sta op! Zo klinkt hun lied;
O! zo gij het doel van hun zwoegen wist....
Zij smeden.... de nagel voor uw kist:
En gij slaapt!

Droef klinkt in de toren de klokkenklank...
Het is een schorre dodenzang:
De wereld vergaat! het graf is diep!
O! wee hem die sliep,
Tot de doodsklok hem riep:
En gij slaapt!

Het Belfort, jrg. 3 (1888)

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Carel Scharten 1857-1950

Volste lente.

Gans de Dag is klare kracht,
late lente - zware vracht
groen de bomen dragen -
klaar de blauwe lucht op 't sterk
daken-rood, geducht bolwerk,
blaak'rend in de Dage!

Weke jeugd van tastend stréven
fijner twijgen, blader-beven
trillend op de teed're lucht,
is vol-groeid tot sterke jeugd-kracht,
die Verlangens volste vreugd bracht,
vréemde weemoed glóed-bevrucht!

Gloed niet, al te loom vol-goten
van een hitte, die de dood en
kilheid van de Herfst weer-brengt,
niet de Zómer nog, die wreed-heet
schroeiend 't kwijnend leven leed deed
scherp en 't al in 't zieden zengt, -

Maar de éérste Gloed, die klaarlijk
't leven dóór-gloeit wonderbaarlijk
en 't tot hoogste bloei vol-stijgt!
Rijpe jonkheid, die der schoonheid
volte omspant, de klare woon zijt
dezes Gloeds, die stijgt noch neigt....

Dit is 't hoogste: gouden zwijgen,
't eind des stijgens, en niet neigen
neer nog als een bloem die hangt
óver, - maar een kelk, die in de
zon-gloed ganslijk te verzwinden
voelt, niet meer wéet of verlángt....

Gouden Rust, 's levens fonteinen
hoogst om-buige', één fonkel-schijnen
wichtloos wégend op de lucht!
Wee, dat 't op-zich-spuitend schaat'ren
Wéet niet: ná díe Gloed.... der waat'ren
droevig neder-ruis-gerucht -

Wee, de zomer zal doen zinken
zwaar-dof 't hel-groen blader-blinken
dor en waai-heet overstuifd -
en licht-groene schemer-zalen
zullen duistere portalen
zijn, van dode wande' omhuifd -

't Helle dak-rood zal verbleken,
wijl de hemel zal door-leken
geel, met àl te hett'ge walm
't zonne-laaien, dat in 't lover
't voog'len-zwier'len, zal verdove'er
in d'àl-luid-démpende galm!

Tot een ruisen zal verlossen
van de bange ban de rosse
aarde, in regen schreiende,
maar schreiend ten stérven toe,
wee, de droeve herfst-dood moe
wenend begeleiende....


* * *

Sterke klaarheid, helder gloeien,
'k weet mij-zelf in U vervloeien,
Ik ben U, en Gij zijt mij!
Maar ééns, bij der tijd voort-glijden
zult gij - wee! - onwetend schrijden
als een vreemde mij voorbij....

De Gids (1901)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

aanblik

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Eerste aanblik

En, peinzend, zie 'k uw zee-blauwe ogen pralen,
Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt
En weet niet, wat mij door mijn adren stroomt:
Ik zie naar u, en kan niet ademhalen.

Een gouden waterval van zonnestralen
Heeft nooit een zachter aangezicht bezoomd....
't Is of me een engel heeft verwellekoomd,
Die met een paradijs op aard kwam dalen.

'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven
En buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen,
En voel mij tussen zijn en niet-zijn zweven.

Wat hebt gij, toveres, mij goed belezen!
Aan u en aan uwe ogen hangt mijn leven:
Een diepe rust vervult geheel mijn wezen.

schrijver

Geschreven door Dora om 23:52 Reageer op dit bericht

morgenstond

Een gedicht van Pieter Nieuwland 1764-1794

De morgenstond

Hoe lacht ons met vernieuwde glansen
   De zon, die ’t al met vreugd vervult,
   Terwijl zij de Oosterkimm’ verguldt,
Weer vrolijk toe van ’s Hemeltransen.

Aurore ontsluit, in ’t geel gewaad,
Met ving’ren, juist van verwe als rozen,
Terwijl haar zachte kaken blozen,
   De poorten van de dageraad.

Nu schijnt het veld opnieuw herboren,
   Daar ’t pluimgedierte, dat in ’t woud,
   In stille vrijheid zich onthoudt,
Ons reeds zijn schelle stem laat horen.

   Hoe wordt ons hart verkwikt, verheugd,
Daar duizend zangrige orgelkelen
Hunn’ onbedwongen veldzang kwelen,
   En delen mede in onze vreugd.

De Landman, thans, thans verfrist van leden,
   Verlaat, door ’t rijzend licht gewekt,
   De stulp, die hem ter woning strekt,
En gaat naar ’t veld met rasse schreden.

   Hij melkt, blijgeestig opgestaan,
Zijn kudde, vrij van wrange zorgen,
En voert, al zingende, elke morgen
   Het grazig zuivel steêwaart aan.

Hoe ligt de dauw, bij zilvren droppen,
   Verspreid op bladers, plant en kruid.
   Zie, hoe zich elke bloem ontsluit:
De morgenstond ontluikt hun knoppen.

   Thans rijst de zon voor elks gezicht,
Zij droogt de liefelijke rozen,
Zij doet de heuveltoppen blozen,
   En stelt het hoog gebergte in ’t licht.

Terwijl in de altoos vruchtbre streken,
   In ’t loofrijk bosje, op ’t eenzaam land,
   Langs bochtige oevers, dicht beplant,
Het zacht geruis der zilvren beken,

   En ’t veldmuziek onze oren streelt.
Gij houdt ons hart als opgetogen,
Door al uw gaêd’loos schoon bewogen,
   Natuur, met zo veel glans bedeeld!

Gij kunt ons oog, ons harte wekken
   Tot vreugd, zodra het kriekend licht
   Zich zelve ontdekt voor elks gezicht
Terwijl we alom Gods gunst ontdekken.

   Zo heuglijk is het veld, wanneer
De zon, gehuld met goud en glansen,
De morgen maakt aan de oostertransen;
   Dus blinkt Goeds goedheid keer op keer.

De zon, vast meer en meer aan ’t klimmen,
   Bestraalt het aardrijk met haar gloed,
   En, daar ze onze ogen scheemren doet,
Verlaat zij spoedig de oosterkimmen.

   Zij rijst, terwijl ze alom natuur
Verheugt, verkwikt met heldre stralen:
Zij koestert de aarde uit ’s hemels zalen
   In een doordringend zonnevuur.

Gedichten (1788)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten