Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

optimisten

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Voor de optimisten

Gij weet het grote nieuws, en, hoe door ’t nieuwe licht
Van Theologen, Filosofen, Economen
En andre Omen,
Nu eerlang hier op aard de Hemel wordt gesticht? –
Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen!
’t Duurt nog een grote veertien dagen.

Leekedichtjes

schrijver

Geschreven door Dora om 13:33 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

wingerd

Een gedicht van Willem de Merode 1997-1939

De wilde wingerd

Een krank en schamel hout,
Het minste van het woud,
Door iedre wind geslingerd,
Reikte ik mijn ranken uit,
Weerstaan, maar nooit gestuit,
Een dorre wilde wingerd.

Geen mens die naar mij zag.
Al waar ik kroop of lag,
Mijn groen ging alles dekken.
Tot in dit woest revier
De goede hovenier
Mij wijs kwam stekken!

Hij plantte me in zijn tuin,
Leidde, dan recht, dan schuin,
Mijn loot de muren over.
Nu siert zijn hoge huis
Rondom met zwaar geruis
Een vloed van bloedend lover.

Al ben 'k verminkt en krom,
Hij wist hoe onder 't mom
Van dorheid 't hart versmachtte.
Nu hij mij kwekend nam,
Verlicht ik met mijn vlam
De dagen en de nachten.

Het heilig licht (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

dorpsschoolmeester

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

DORPSSCHOOLMEESTER.

Needrig, Meester! is uw stand,
Pover is uw kleine woning;
Maar nog liever dan een Koning
Geef ik U mijn rechterhand;

Liever dan een Koningskind
Noem ik U mijn beste vrind!

's Morgens vroeg en 's avonds laat,
Nimmer, Meester! zijt ge moede,
Om de kinderkens ten goede
Op te kweken, naar hun staat;
Om ze in kennis, deugd en eer
Op te kweken, voor de Heer!

Worde op Aarde u karig loon...
De Oogst van wat gij hier mocht zaaien,
Zult gij in de Hemel maaien,
Als gij neerknielt voor Gods troon;
Als uw naam, met Englenschrift,
't Levensboek wordt ingegrift.

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

terug

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

TERUG

Scheef is de poorte, van
oudheid, geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
stro op de zwepingen
zit er gestreken;
vodden beveursten het
huis en de stal.

Boven die vodden zijn
blommen gesprongen;
onder die vodden zit
volk en gezin:
blommen van vrede, zo
ouden, zo jongen,
blommen van buiten en
blommen van bin.

Daar is 't, dat moeder zat;
daar is 't, dat vader
vond die hem arbeid en
herte bracht; daar
knielden wij, kinderen,
handen te gader,
baden wij, kleinen en
groten te gaâr.

Daar is de schippe nog,
daar is de tange;
't ovenbuur staat daar, zo
't vroeger daar stond;
't hondenkot staat daar, en...
- 't is al zo lange! -
Hoe is de naam van die
andere hond?

Ach, hoe verheugen mij,
ach, hoe verheffen
de oudere dagen mijn
diepste gemoed!
Is er wel iemand, die 't
ooit kon beseffen
wat gij, oud hof, mij nu
zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al
te argloze mensen,
weinig begeerde gij,
groot was uw hert!
- Kon het maar helpen, met
wenen en wensen,
weer at ik roggebrood,
naast u, aan 't berd!


28/1/1879

Rijmsnoer (Hooimaand)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:05 Reageer op dit bericht

pronk

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

  

Ik zag met pronk en kostbaarheden

IK zag met pronk en kostbaarheden
en een hooghartig oogopslaan
een pauwenveer in den koraan;
de groen en rosse strengen gleden
over de tekst, het wuft verguld
had al de bladzij opgevuld
en midden in de soeren lag
de blauwe spiegel en zijn lonken
de strakke verzen overblonken
lichtzinnig spelend met de dag
en bont juweel en wulps azuur
had op de letteren beslag
en overschaduwde de schriftuur.

En ik: dat op het heilig boek,
dat op de regels heet bewogen
om al wat zij behelzen mogen
van Gods belofte en Godes vloek,
de onbezonnen dartelheid
zijn loze tooi heeft uitgespreid,
dat het gebodwoord van de Heer
het bed is van een vogelveer!

En zij: laat af van aan te klagen.
Schoonheid is tiranniek gezind
en zelfgerecht en voert bewind
naar eigen wil en welbehagen!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

namaals rust

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Namaals rust.

't Verlangen van de Jeugd
Is vreugd
En woelig tijd verdrijven;
Moede Ouderdom schept lust
In rust;
De mijne in werkzaam blijven.

Zolang de Hoogste macht
Mij kracht
Naar lijf en ziel blijft gunnen,
Is 't mij niet enkel goed,
Maar zoet
Te doen wat Zij doet kunnen.

Dit zij, min leven lang,
De dank
Aan die 't mij gaf en rekte,
En, zeegnend, t'allertijd
De vlijt
Aanvuurde, die hij wekte.

1892.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:20 1 reactie Reageer op dit bericht

nocturne

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Nocturne.

Bij 't opene venster Pierrot, zo bleek
Alsof al het bloed uit zijn wezen week,
Staat te dromen in 't licht van de maan
En Colombine triest, ontdaan,
Zit te schreien.

Pierrot voelt de honger en kommer niet
Want nu van de maan het blank schijnsel vliet
Voelt die dichter zich koning te rijk,
Maar Colombine zorgelijk
Zit te schreien.

't Troosteloos leven is hem een tresoor
In zijn ziel sereen zingt een lief'lijk koor
In hèm is 't àl klanken en kleur,
Maar Colombine in moe getreur
Denkt aan scheien....

Onze Eeuw (1913)

schrijver

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

zeggen

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

 

Zeg het maar

Zeg het maar,
dat ik te dom ben om met je te praten,
dat je me liever naar huis zou laten;
thuis bij het aanrecht en thuis bij de wieg.
Zeg het maar, dat ik niet lieg,
je wist dat het komen zou, voeger of later.

Chansons, gedichten en studentenliederen (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

ontwaak

Een gedicht van Lodewijk Mercelis 1857-1918

Ontwaak

De lentemorgen, fris en koel,
Ontwaakt en speelt met het windeke zoel;
Reeds draagt de leeuwerik, schel en zoet,
Ten hemel der bloemen morgengroet:
En gij slaapt!

Wen blozend van leven de rozenknop zwelt,
Een aâm van wonne waait door 't veld,
Ontwaken in 't nestje de vogelen klein,
En drinken de dauw van hun vleugelijn:
En gij slaapt!

God heeft u de boek van Natuur ontvouwd,
Beschreven met bloemen en sterrengoud;
Op ieder blaadje, op elke halm,
Daar leest gij zijn Naam met een liefdespalm:
En gij slaapt!

Geleid door de machtige hand van de Heer,
Zo varen wij henen op 't levensmeer;
O! hoort gij het dreigend golfgeklots,
Ons bootje verslingert en breekt op een rots:
En gij slaapt!

Gij slaapt, met argeloos, stil gemoed,
Wen de morgenzonne met bloed'ge gloed,
En met leliënwit uw hoofd beglanst,
Lijk een priester die zijn offer bekranst:
En gij slaapt!

En hoort gij der smeden hamers niet?
Sta op! sta op! Zo klinkt hun lied;
O! zo gij het doel van hun zwoegen wist....
Zij smeden.... de nagel voor uw kist:
En gij slaapt!

Droef klinkt in de toren de klokkenklank...
Het is een schorre dodenzang:
De wereld vergaat! het graf is diep!
O! wee hem die sliep,
Tot de doodsklok hem riep:
En gij slaapt!

Het Belfort, jrg. 3 (1888)

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Carel Scharten 1857-1950

Volste lente.

Gans de Dag is klare kracht,
late lente - zware vracht
groen de bomen dragen -
klaar de blauwe lucht op 't sterk
daken-rood, geducht bolwerk,
blaak'rend in de Dage!

Weke jeugd van tastend stréven
fijner twijgen, blader-beven
trillend op de teed're lucht,
is vol-groeid tot sterke jeugd-kracht,
die Verlangens volste vreugd bracht,
vréemde weemoed glóed-bevrucht!

Gloed niet, al te loom vol-goten
van een hitte, die de dood en
kilheid van de Herfst weer-brengt,
niet de Zómer nog, die wreed-heet
schroeiend 't kwijnend leven leed deed
scherp en 't al in 't zieden zengt, -

Maar de éérste Gloed, die klaarlijk
't leven dóór-gloeit wonderbaarlijk
en 't tot hoogste bloei vol-stijgt!
Rijpe jonkheid, die der schoonheid
volte omspant, de klare woon zijt
dezes Gloeds, die stijgt noch neigt....

Dit is 't hoogste: gouden zwijgen,
't eind des stijgens, en niet neigen
neer nog als een bloem die hangt
óver, - maar een kelk, die in de
zon-gloed ganslijk te verzwinden
voelt, niet meer wéet of verlángt....

Gouden Rust, 's levens fonteinen
hoogst om-buige', één fonkel-schijnen
wichtloos wégend op de lucht!
Wee, dat 't op-zich-spuitend schaat'ren
Wéet niet: ná díe Gloed.... der waat'ren
droevig neder-ruis-gerucht -

Wee, de zomer zal doen zinken
zwaar-dof 't hel-groen blader-blinken
dor en waai-heet overstuifd -
en licht-groene schemer-zalen
zullen duistere portalen
zijn, van dode wande' omhuifd -

't Helle dak-rood zal verbleken,
wijl de hemel zal door-leken
geel, met àl te hett'ge walm
't zonne-laaien, dat in 't lover
't voog'len-zwier'len, zal verdove'er
in d'àl-luid-démpende galm!

Tot een ruisen zal verlossen
van de bange ban de rosse
aarde, in regen schreiende,
maar schreiend ten stérven toe,
wee, de droeve herfst-dood moe
wenend begeleiende....


* * *

Sterke klaarheid, helder gloeien,
'k weet mij-zelf in U vervloeien,
Ik ben U, en Gij zijt mij!
Maar ééns, bij der tijd voort-glijden
zult gij - wee! - onwetend schrijden
als een vreemde mij voorbij....

De Gids (1901)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

aanblik

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Eerste aanblik

En, peinzend, zie 'k uw zee-blauwe ogen pralen,
Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt
En weet niet, wat mij door mijn adren stroomt:
Ik zie naar u, en kan niet ademhalen.

Een gouden waterval van zonnestralen
Heeft nooit een zachter aangezicht bezoomd....
't Is of me een engel heeft verwellekoomd,
Die met een paradijs op aard kwam dalen.

'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven
En buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen,
En voel mij tussen zijn en niet-zijn zweven.

Wat hebt gij, toveres, mij goed belezen!
Aan u en aan uwe ogen hangt mijn leven:
Een diepe rust vervult geheel mijn wezen.

schrijver

Geschreven door Dora om 23:52 Reageer op dit bericht

morgenstond

Een gedicht van Pieter Nieuwland 1764-1794

De morgenstond

Hoe lacht ons met vernieuwde glansen
   De zon, die ’t al met vreugd vervult,
   Terwijl zij de Oosterkimm’ verguldt,
Weer vrolijk toe van ’s Hemeltransen.

Aurore ontsluit, in ’t geel gewaad,
Met ving’ren, juist van verwe als rozen,
Terwijl haar zachte kaken blozen,
   De poorten van de dageraad.

Nu schijnt het veld opnieuw herboren,
   Daar ’t pluimgedierte, dat in ’t woud,
   In stille vrijheid zich onthoudt,
Ons reeds zijn schelle stem laat horen.

   Hoe wordt ons hart verkwikt, verheugd,
Daar duizend zangrige orgelkelen
Hunn’ onbedwongen veldzang kwelen,
   En delen mede in onze vreugd.

De Landman, thans, thans verfrist van leden,
   Verlaat, door ’t rijzend licht gewekt,
   De stulp, die hem ter woning strekt,
En gaat naar ’t veld met rasse schreden.

   Hij melkt, blijgeestig opgestaan,
Zijn kudde, vrij van wrange zorgen,
En voert, al zingende, elke morgen
   Het grazig zuivel steêwaart aan.

Hoe ligt de dauw, bij zilvren droppen,
   Verspreid op bladers, plant en kruid.
   Zie, hoe zich elke bloem ontsluit:
De morgenstond ontluikt hun knoppen.

   Thans rijst de zon voor elks gezicht,
Zij droogt de liefelijke rozen,
Zij doet de heuveltoppen blozen,
   En stelt het hoog gebergte in ’t licht.

Terwijl in de altoos vruchtbre streken,
   In ’t loofrijk bosje, op ’t eenzaam land,
   Langs bochtige oevers, dicht beplant,
Het zacht geruis der zilvren beken,

   En ’t veldmuziek onze oren streelt.
Gij houdt ons hart als opgetogen,
Door al uw gaêd’loos schoon bewogen,
   Natuur, met zo veel glans bedeeld!

Gij kunt ons oog, ons harte wekken
   Tot vreugd, zodra het kriekend licht
   Zich zelve ontdekt voor elks gezicht
Terwijl we alom Gods gunst ontdekken.

   Zo heuglijk is het veld, wanneer
De zon, gehuld met goud en glansen,
De morgen maakt aan de oostertransen;
   Dus blinkt Goeds goedheid keer op keer.

De zon, vast meer en meer aan ’t klimmen,
   Bestraalt het aardrijk met haar gloed,
   En, daar ze onze ogen scheemren doet,
Verlaat zij spoedig de oosterkimmen.

   Zij rijst, terwijl ze alom natuur
Verheugt, verkwikt met heldre stralen:
Zij koestert de aarde uit ’s hemels zalen
   In een doordringend zonnevuur.

Gedichten (1788)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

orgeltrapper

Een gedicht van N.J. Storm van 's Gravensande 1788-1860

De dove orgeltrapper.

In zeker dorp, ik weet niet waar,
Maar 't feit is toch waarachtig,
Was eens een man van tachtig jaar,
Maar toch nog knap en krachtig,
Hij hielp met vlijt, jaar in jaar uit,
De boeren bij het maatgeluid
Van hunne schelle gorgel,
En trapte, met een stoute gang,
Altoos, bij 't vrome kerkgezang,
Den win in 't statig orgel.

Maar eens is hem, 't was vinnig koud,
In gure winterdagen,
De kerk daarbij ondicht en oud,
Een kou op 't hoofd geslagen:
Eerst deed hem hals en keel zoo zeer;
Toen viel het op zijn kiezen neer,
En eindlijk op zijne oren;
En wat men spuit, en hoe men papt,
De man, die stout het orgel trapt,
Heeft zijn gehoor verloren.

Zo ras dit bitter ongeval
Aan ieder openbaar is,
Vergaart der scheepnen zevental,
Met schout en secretaris.
Men overweegt met veel beleid;
Besluit dan, met eenparigheid,
Een ander te engageren,
En om de oude, dove man,
Die nu toch niet meer trappen kan,
Eervol te pensioneren.

Maar toen de schout hem dit besluit
In scriptis kwam vertellen,
Roept hij terstond weemoedig uit:
‘Waarom mij dus te kwellen?
Ik hoor wel zang noch orgelklank,
Maar ben slechts aan mijne oren krank,
En kan nog wakker stappen;
Mijn benen zijn nog even goed,
Mijnheer de schout! en daarmee moet
Ik immers toch maar trappen?’

Nu laat de schout het schependom
Opnieuw bijeen beschrijven;
Het geeft de man zijn post weerom,
En laat hem trapper blijven:
Ook had men niet zo ras bedacht,
Dat wel op 't budget was gebracht
Een post van traktementen;
Maar dat men, voor 's mans pensioen,
Moest op de huur een omslag doen
Van twee of drie percenten.

Nu trapt hij weer, met nieuwe moed,
De wind in de orgelpijpen;
Het ging, gelijk voorheen, ook goed,
En 't laat zich ligt begrijpen:
Want, schoon hij 't spelen was gewend,
Was de organist een domme vent,
Een doodeenvoudig wezen;
Hij speelde, alleen maar op 't gehoor,
De boeren al hun psalmen voor,
En kon geen noten lezen.

Hij laat altoos, jaar in jaar uit,
Op d' eigen trant zich horen:
Geen enkel nootje tot besluit,
Gene enkle noot te voren:
Is de ene regel afgedaan,
Dan vangt hij aanstonds d' andre aan;
Hij houdt niet van dat talmen:
En dus weet onze dove bloed
Ook steeds, hoe lang hij trappen moet
Voor ieder van de psalmen.

Zo ging het steeds op d' eigen trant,
En ieder was tevreden,
Tot laatst een reizend muzikant
Het dorp kwam binnentreden.
't Was zondag, en de kerk ging aan;
Het boerenvolk kwam aangegaan
Langs wegen en langs velden.
Hij wandelt mee; verwonderd hoort
Hij van een orgelspel 't akkoord;
Dat hoort men op 't land toch zelden.

Hij gaat op 't orgel, hoort een poos
De kunsteloze klanken,
En merkt alras, wat virtuoos
Men dat geluid mag danken!
Het orgel was een meesterstuk;
De speler, als gezegd, een kruk,
Zo schoon een werk niet waardig;
En echter was, hoe vreemd het schijn',
(Dat thans maar zelden waar zal zijn!)
Hij op zijn spel hovaardig.

De vreemdeling, een andre vent,
Een baas in 't orgelspelen,
Maakt onze man zijn compliment,
En weet zijn hart te stelen;
Hij prijst zijn spel en roemt zijn kunst,
Beveelt zich needrig in zijn gunst,
En noemt hem zijn professie;
En op zijn vraag, om 't volgend lied
Voor d' organist te spelen, biedt
Hem deze de eer der sessie.

Nu rukt hij elk register uit
En maakt een vreeslijk leven,
En speelt het lied met vol geluid,
Dat ieder zit te beven.
Geen boer, die ooit geweten had,
Dat zulk een kracht in 't orgel zat.
't Kon d' organist niet wezen.
Men waant, dat ligt de duivel zelf
Dus dreunen doet het kerkgewelf,
En is in duizend vrezen.

De vreemdeling speelt rustig voort;
En, 't geen nog nooit gebeurde,
Nu overschreeuwt men geen akkoord,
Dat elk de long schier scheurde:
Want, sinds het orgel had gestaan,
Had nooit een pijp zo aangegaan,
Als zij nu alle speelden.
Stokstijf en stil aanschouwt men 't werk;
En 't scheen, als waar' de ganse kerk
Vervuld met wassen beelden.

Maar eensklaps zwijgt het orgel stil,
In 't midden van een regel....
De vreemdling krijgt een koude gril,
En de organist zegt: ‘Vlegel!
Wat knoeit gij hier? gij, vreemde guit!
Ik speel nu zelf het lied wel uit’....
Maar, wat hij ook mag grijpen,
En wat hij vat en wat hij treedt,
Geen toon meer, die zich horen deed:
De wind was uit de pijpen.

De vreemdling echter, bleek van spijt,
Vermoedt, waar 't aan mocht schelen,
En waant, de trapper ligt, uit nijd,
Hem eens een pots wou spelen.
Hij vliegt er heen, en mat en moe
Zit daar de man, met de ogen toe,
En met de handen samen;
En, daar hij, met een bars gelaat,
Schier spraakloos voor de oude staat,
Zegt juist de trapper: ‘Amen!’

‘Wat bidt gij?’ zegt hij, ‘onglukskind
't Is hier nog tijd van zingen.
Ter balken op, en geef mij wind!
Pas beter op uw dingen.’
En de oude ziet verbaasd hem aan;
Hij kan zijn woorden niet verstaan,
Maar ze in zijn wenken lezen,
En zegt: ‘Wat wou gij, goede vrind!
Mij nu nog leren, hoeveel wind
Bij elk gezang moet wezen?’ -

De vreemdling gaat, en loost een zucht,
En wandelt weer naar buiten;
Maar hoort aldra, wat vreemde klucht
Hem in zijn werk kwam stuiten.
‘Ach!’ zegt hij, ‘k zie maar al te wel,
Het gaat, ook bij het kunstigst spel,
Als in de meeste zaken:
Men kan, met alle vlijt, gewis,
Als ons de wind ongunstig is,
Niet in de haven raken!’

Vaderlandsche letteroefeningen (1821)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

zomerse avond

Een gedicht van Hubert Poot 1689-1733

Zomerse Avond

De moede zonnewagen
Staat vrachtloos, d' avondzon
Zinkt in de westerpekelbron.
Aldus ontglippen ons de wentelende dagen.
De star der Mingodin
Ziet d' eerste op 't aardtrijk neder.
Mineias dochters vliegen weder:
Ook spant de stille Nacht zijn zwarte paarden in.
Wij zien de schemeringen
Verdikken, waar we staan.
Alrede heft de gulden maan
Haar horens op, en rukt ter bane in harer kringen.
Hoe rust het hangend loof
Der luisterende bomen!
Geen wind beroert de vlakke stromen.
Het slaperige veld wordt blind en stom en doof.
Thans telt de herder blijer
't Gestalde vee, half vet.
De melkmeid schikt haar hoofddoek net,
En wacht met ongeduld de komst van hare vrijer.
De stad, het woelen moe,
Sluit, angstig voor gevaren
Die in 't bedrieglijk duister waren,
Haar logge poorten, en elk huis zijn deuren toe.
Voort biên de heuse bedden
De matte werkliên rust.
De halve wereld voelt met lust
Zich uit de dichte drom der daagse zorgen redden.
Ware Amaril nu mijn,
Wij zouden onder 't schuilen
Voorwaar geen droge kusjes ruilen;
Maar och! zal mij 't geluk wel ooit zo gunstig zijn?

---------------------------------------------------
Mineias dochters - vleermuizen

Gedichten (1722)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

duif

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Zoals de duif

Zoals de duif
Zweeft door het licht,
Zo zweef ik door het licht
Der liefde.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

afscheid

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Afscheid

Eén ogenblik van het voorbije leven
Als voor 't bewogen spiegelvlak te staan
Van rimplend water, dat met stadig beven,
Het beeld, eer het tot stand komt, doet vergaan.
De vorm te zien, die in het water drijft,
Onzuiver zo van kleuren als contouren,
Die, vluchtig bij het allerlichtst beroeren,
Geen wezen heeft, dat in zichzelf beklijft...

En heen te gaan - en niets dat achter blijft
Dan dingen, die wij meenden te bezitten,
En niet ons eigen waren, die als klitten
Nog hechten in de plooien van ons kleed,
Maar die wij van ons doen, zoals we leed
En bitterheid en zorgen van ons deden,
Als niet van ons, als dingen van 't verleden...

Een oogwenk voor het vlottend watervlak te staan
En naar 't verwarde spiegelbeeld te staren,
Dat nog de trekken draagt, die de onze waren,
En stil en eenzaam heen te gaan.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:29 Reageer op dit bericht

geboortedag

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

WILLIAM SHAKESPEARE'S GEBOORTEDAG

23 april 1564.

1

Geen poëzie als die van 't moederharte,
Wanneer ze bij de wieg haars eerstlings zit,
Niet zalig door vergetelheid van smarte,
Gelukkig wijl zij mijmrend dankt en bidt!
Hoe was ze uw deel voor lange reeks van jaren,
Aan Avon's boord, gij bleke jonge vrouw!
Die 't venster uit het landschap in mocht staren,
Die droomde wat uw Billy worden zou!
Het eerste groen zag wit van bloesemregen,
Een blij gegons zwierde om door geur'ge lucht :    
Och! lache 't lot als 't jaargetij hem tegen!
Die zoete wens werd hoorbaar in uw zucht.
Wat vreesde gij dat hij uw wichtje wekte?
Wat gluurde gij om 't kleed een lange poos?
Zie, 't armpje rust, dat straks zich kozend strekte,
Zie, 't mondje zwijgt, aanvallig als een roos!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

wolk

Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933

Liever dan mens te zijn, werd ik een wolk

Liever dan mens te zijn, werd ik een wolk,
Te drijven tussen woeste vlammenzeeën;
Zij groeien aan het ochtendfirmament.

Liever dan wolk te zijn, werd ik een boom,
Hij staat hoog op in het heet licht te kijken,
Iedere gedachte is een blad.

Liever dan boom te zijn, werd ik een zee,
De zee wordt door oud gouden licht begoten,
Duizenden gestalten neemt zij aan.

Liever dan zee te zijn, werd ik een God,
God maakt zonnen, manen en de sterren,
Met zijn hand raakt hij den einder aan.

Liever dan God te zijn, werd ik een mens,
Ik zou de mensheid maken tot een God
Van alle goden, zonnen en planeten.

Nieuwe liederen der gemeenschap (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

sterren

Een gedicht van Albert Verwey1856-1936

De deizende sterren

De deizende sterren, zij tink'len
Hun vesper mij na, waar ik rijs,
Tot die tonen mijn voeten besprink'len
Op de trappen van 't zonnepaleis.

Verzamelde Gedichten (1891)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:58 Reageer op dit bericht

acaciabosje

Eengedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Acaciabosje

Klein, fris plekje
      Groen gras in bronzen heide,
Teergroen bosje
      Van lichte acacia's,
Omringd door donker dennenhout,
      Hoe slaat mijn hart zo blijde!
Hoe slaat mijn hart zo lustigjes,
      Zo jolig en zo dwaas!

Bén ik een kind?
      Mijn jeugd moest lang voorbij zijn,
Mat ik mijn ouderdom
      Naar mijner jaren tal.
Bij grijzend haar,
      Hoe kan het hart zo blij zijn
Met zulk een kleinigheid,
      Een niets, een niemendal?

Lief, klein bosje
      Van jong acacialover,
Lief, blij weitje,
      Omringd door sombre hei!
Hoe wordt mijn hart zo stil, zo blij,
      Zoo dwaas-gelukkig over
Een bosje groene acacia's,
      Een kleine, groene wei!

Nieuwe Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 22:22 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten