Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

drank

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660 

Van de drank

De wijn is voor de mens en voor de rapste geesten,
Maar water uit de beek ten dienste van de beesten,
Al wat de wijngaard geeft dat is een schone vrucht,
Om al wat droefheid smaakt te drijven op de vlucht.
Wijn dient van goede reuk en goede smaak te wezen,
Dan nog een klare glans die wordt er in geprezen,
Ook dient hij niet verschraald, maar vers getapt te zijn,
En vocht aldus gesteld dat noem ik goede wijn.
Maar wijn van rode verw dient niet te veel geschonken,
Want 't maakt de buiken hard in overmaat gedronken.

Ik moet in dit geval de vrienden doen gedinken,
Van al te nieuwe most niet al te veel te drinken,
Want dat en doet de blaas noch ook de mage goed,
Dus gaat niet tot de most met al te rasse spoed
't Is beter dat de wijn haar klaarheid mag bekomen,
Eer dat ze wat te veel dient in te zijn genomen,
Men heeft van oude tijd die luiden wijs geschat,
Die dronken klare wijn en uit het oudste vat.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

wagen

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE WAGEN DES TIJDS

Daar kwam er een wagen
vol nachten en dagen,
vol maanden en uren en stonden gereen,
fel trokken en weerden
hen' de edele peerden,
die zesmaal vier hoefijzers kletteren deen.
Al rijdend, al rotsend,
al bokkend
en botsend,
al piepend en krakend, zo vloog hij door stee;
en, als hij was henen
en verre verdwenen,
toen waren de dagen en maanden ook mee.
Het spreken en 't peinzen,
het gaan en het reizen,
en al wat wij deden, 't zij droef, het zij blij;
't mocht tijlijk
of laat zijn,
of goed zijn of kwaad zijn,
't was al op de wagen, 't was alles voorbij.
Toch nimmer vergaat het
en altijd bestaat het,
wat God door zijn heilige gratie ons geeft,
het deugdzame leven
dat is ons gebleven,
al 't ander, hoe zoet en hoe schoon, het begeeft.
Nooit zal ons de wagen
der tijden ontdragen
't sieraad en de rijkdom der edele ziel;
de deugd zal geduren,
schoon rotsen en muren
en torens en al wat maar vallen kan - viel.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

schaduw

Een gedicht van Alica Nahon 1896-1933

SCHADUW

Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.

Ik heb de zon te lief gehad
en beu van beedlen
aan de deuren van de dagen
ben ik geworden als een varenblad
dat liever in de lommer leeft
dan zon te dragen.

En daarom bouwt mijn kommer aan een huis
waar lamp- en zonnelicht
getemperd zijn voor de ogen
en waar de soobre lijn van een gelaat
en waar de vrede van een vriendschap staat
lijk schaduw van een boom
over mijn hoofd
gebogen.

Alice stierf in armoede aan TBC  37 jaar. Op haar graf staat: God ziet mij geerne.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

knaap

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

TOEN IK EEN KNAAP WAS

Toen ik een knaap was in ’t zorgloze leven,
   Gordde ik mij-zelve en liep naar mijn lust;
Vrij in mijn wandlen en zoeken en streven,
Vrij in mijn reizen, mijn dromen, mijn rust.

Straks ook voor mij is een ure gekomen,
   Ure van roeping, van ernst, van genâ,
Dat in mijn boezem die stem werd vernomen
   Hebt gij mij lief? – en mijn ziele sprak : Ja.

Sinds mij dat uur uit mijn dromen kwam wekken,
   Leidt mij een ander, ook waar ik niet wil,
Leert mij de handen steeds williger strekken,
   Volgen en dragen, ach, vrolijk of stil.

Toch, nu die Meerdre gebiedt in mijn leven,
   Vinde ik, trots banden en zielstrijd en smart,
Wat ik eens vruchteloos zocht in mijn streven:
   Vrijheid en vrede voor ’t rusteloos hart.

1854

schrijver

  

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Nacht-liedje

Was niet je mond dan kussen mild
En bloeide niet je lijf in pracht,
Wanneer wij minden in de stilt’
Van de besternde nacht?

Jouw hart lag aan mijn hart, jouw oog
Staarde in mijn oog zo lang en diep,
Tot je gelaat glimlachend boog
En zwijgend in m’n armen sliep.

Dan zong mijn bloed zo sterk en blij,
Mijn arm omving je glanzend lijf;
Zo voegden wij ons leven beî
Tot één bedrijf.

Wij ‘schermden roerloos in de nacht,
Elkander: één geklonken beeld
Van schoonheid en bezonken kracht,
En soobr’re weeld’.

De hoge nacht schreed zwijgend voort,
Het licht verglom van ster en maan,
Totdat ons oog aan oosterpoort
De dag was opgegaan.

Nagelaten verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

menselijk leven

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

Het Menselijk Leven

‘Helaas! helaas! hoe vlieden onze dagen,
Hoe spoedt zich ieder uur met onze luister heen!
Hoe flauwe vreugd, hoe bittre plagen,
Hoe min vermaak, hoe veel geween!

O dierbaar perk van drie tot zeven jaren,
Als ieder voorwerp 't oog bekoort, het harte streelt:
Och, of ze zonder einde waren,
Als alles lacht, als alles speelt!

Beminlijk kind, speel, nuttig u deez' dagen,
Want 's werelds grootheid schaft aan ons 't genoegen niet,
Dat u door uwe houten wagen
En door uw kaartenhuis geschied.

Haast zal men u door strenge meesters leren,
Wat taal Demosthenes verkondde in Pallas stad
En Cicero voor 's werelds heren,
Toen Rome nog de kroon op had.

O moeilijk werk, benauwde en pijnlijke uren
Ze is maar een schets, deez' roe, waarmee men u kastijdt,
Der slagen, die ge eens zult verduren
Van 't stuurse lot in later' tijd......

In zulk een strijd ziet gij de dagen klimmen,
Gelijk het fris gebloemt zich opheft in een' tuin,
En wordt een man. Maar, ach! wat schimmen
Omsingelen op nieuws uw kruin!

Nu vlucht de slaap reeds in de vroege morgen,
Ja, somtijds heeft de nacht geheel voor u geen rust.
Vermoeden, vrees, wantrouwen, zorgen
Verdoven kennis, ijver, lust.

Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen,
Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom,
En hoe de staat der stervelingen
Gelijk is aan een vlugge droom.

Terwijl de vreugde u bloemen schijnt te geven,
Ach, zieldoorgrievend nieuws! ontrukt u 't lot een' vrind,
Een vrouw, beminder dan het leven,
Of 't waardste pand, het liefste kind.

Vlucht dan, reis vrij naar afgelegen staten;
Zeil door de middellijn naar 't verre Zuiderland;
Hun denkbeeld zal u nooit verlaten,
Het staat, het wacht u reeds op strand.

De droefheid is gelijk aan wrede dieren,
Verwoeder dan een leeuw, in netten stijf verward,
Doorknagende, als een worm, de nieren,
Verscheurende als een gier het hart.....

Somwijlen rukt, voor 't eind van uwe dagen,
Fortuin uw staat ter neer, gelijk men in het woud
Een hoge eik, omverr' geslagen,
Na 't woeden van de wind aanschouwt.

Dan wordt een dwaas op uwe stoel verheven,
't Geweld verwoest uw erf; de laster verft uw kleed;
Geen vriend durft zich naar 't huis begeven,
Daar 't bleek gebrek de vloer betreedt.

Wat is de mens, hoe machtig, hoe vermetel?
Genaakt het uur, al staat een heir rondom het hof,
De Koning valt van zijne zetel
En wordt een handvol as en stof....’

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

bergmeer

Een gedicht van  Jacob Winkler Prins 1849-1907

Bergmeer

Wie op de spiegel drijft weet niet, wat hij moet denken
Of onder boven is, nu boven onder schijnt,
Want heel de gladde wand, die in het meer verdwijnt,
Staat met zijn dennenlast in ’t zonnelicht te wenken.

En waar de wateren de groene kegels drenken,
Volgt ’t oog, diep in het nat, de duidelijke lijn
Van uitgestoken tak in water-zonneschijn,
Wiens onbewogen rust geen stormen kunnen krenken.

Geen kabling komt er in. De stralen, die zich deelden,
Weerkaatsen ’t bodembos tot in de volle dag.
Men ziet hoe rond de stam de groene mossen geelden.

Tot kussen van fluweel, alsof een lijkkleed lag
Op de verdronken boom. Zo zijn er spiegelbeelden,
Die boven schijnen, door wat men diep onder zag.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

aggy

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Aggy.

De morgen droomt in de lichte tuin:
Een lichtfestijn
Midde' in bloemgeschijn,
En in die droom lichtkindje klein,
Grootogig, op voetjes fijn.

Geurenneurende zachte jasmijn,
En vrolijke roosjes, mondjes half open,
En gouden regen,
Neergezegen
Om haar te vertellen die aan komt lopen,
Hoe mooi een morgen kan zijn.

En paarse seringen die 't groen doen lachen,
En in het gras zóvele gele
Boterbloempjes op gouden stelen,
- Heel de tuin door!
En vlinders daartussen,
En grappige mussen,
't Kopje op de grond of zij grond willen kussen.
Zij - in àl kijken en wondren er vóór.

Heel hoog òp nu haar hoofdje klein;
Beweeg der voetjes..... Een àlverblij'n
Waarheen die gaan langs het licht gelover;
Gans haar slank gestaltetje over
Tover
Van lenteschijn.

De Gids (1897)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

knollenland

Een gedicht van J.J.A Gouverneuer 1809-1898

In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland

In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland
    Daar zaten twee haasjes heel parmant
    En de één die blies de fluite-fluite-fluit
    En de ander sloeg de trommel

    Toen kwam opeens een jager-jager-man
    En die heeft er één geschoten
    En dat heeft naar men wel denken denken kan
    De ander zeer verdroten

De zingende kinderwereld voor school en huisgezin (1866)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

liedeken

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Liedeken

Ik minde u zo teder, ik minde u
Zo teder met heel mijn ziel,
Wanneer door deze armen omwingerd
Uw hoofd mij ten boezem viel...

Ik aêmde op uw lippen mijn leven,
Ik smolt in een kus aan uw mond;
Ik smachtte om een hemel te geven...
Ai, ’k gaf maar mijzelve in die stond!

Er flikkerde een vlamme in uw blikken,
Waar de flonkrendste starre voor taan’...
Ik minde u zo teder, ik minde u...
Hoe ziet ge zo koud nu mij aan?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Aan een Dichter

Dichter, van uw zachte woorden
waar gij omgaat begeleid,
aan de nooit betreden boorden
zwervend uwer eenzaamheid,

uit de weelderige wegen
van het leven tot de rots
van uw vast geluk gestegen
langs de paden van uw trots,

als de morgenzon gerezen
boven damp en duisternis,
Dichter, uit de streek der vrezen
in het rijk, waar vrijheid is,

breng ons bij de forse pijnen,
waar uw grote weemoed ruist,
bij de bochtige ravijnen,
waar uw diep verlangen bruist,

breng ons in de wijde hemel,
die uw snelle licht doorschiet,
waar men 't wereldse gewemel
ver-omneveld overziet,

en geleid ons, waar bewogen
ons uw sterke wijsheid noodt,
onverschrokken, voor de hoge
stille velden van de dood.

De Beweging (1909)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

beeld

Een gedicht van van Edgar du Perron 1899-1940

  

Ander beeld

‘Uw hart, mijn lief, en voelt het geen bewegen?’
zo vroeg eens Hooft, men weet, die vroegre Hooft,
die aan de min deed, aan de min-god heeft geloofd,
een dichter met een baard, wiens taal was ingeregen.

De vreemde vraag! en vreemd moet het verlegen
glimlachje zijn geweest de schone ontroofd.
De vraag is in mijn stem het boek ontstegen:
de schone lachte en schudde koel het hoofd.

Ik heb haar hand genomen toen; zij keek
of ik mijn nagels had geknipt; waar bleek
van niet, riep zij een roodverlakte doos te wapen.

Blinkende punten, wat gekriebel en een knap
bij iedre tel... Zij was zo wijs en knap!
Hoog boven ons was haar hart ingeslapen.

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

sarlotteken

Een gedicht van René de Clercq  1877-1932

Sarlotteken.

O, als ik u zacht in mijn armen neem,
lief zotteken,
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Uw oog is zo bruin en zo zoet als zeem,
van 't potteken.
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Van liefde de valheid, van valsheid geen zweem,
hertbotteken!
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Ach, kussen we elkander, gij lacht en ik schreem,
lief zotteken.
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

antwoord

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947 

Haar antwoord

Wanneer zal de ure zijn, dat gij als bruid
Met mij zult staan in wit-satijnen kleren?
"Wanneer de stromen naar hun bronnen keren,
De raaf het lied der nachtegalen fluit."

Had gij mij dan niet lief in vroeger tijd,
Was dan Uw hart niet naar mijn hart genegen?
"Mijn hart was vól van U, maar heeft verkregen
Tot loon alleen leed, leed in eeuwigheid."

Kan dan het eens verbleekte morgenuur,
Daar alles toch herleeft in de natuur,
Niet met een nieuwe dag de kimmen kleuren?
Wat eens gebeurd is kan nooit weer gebeuren,
Men kan maar ééns een blad aan stukken scheuren
En wat het vuur verkrijgt, verslindt het vuur."

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:46 Reageer op dit bericht

profeteren

Een gedicht van F.H. Greb 1813-1868

  

Profeteren en gezichten zien.

De Dichter toch is zoon van God,
De heemlen zijn zijne opperzalen.
't Verleden moet hem cijns betalen,
Hem, Ziener in 't verborgen lot.

- - - - - - - - - -

Heil ons! het schoon verleden keert,
De heuglijke eeuw van Gods Profeten;
Gezalfde zal ons hart u heten,
Die ons de Toekomst kennen leert.

.................

Laat u, om Godswil, de kroon niet ontroven,
Die, als profeet, u omhoog is bewaard!

De Gids (1843)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:45 Reageer op dit bericht

huil niet

Een gedicht van J.M.W Scheltema 1921-1947

Huil niet, Majorca

Huil niet, Majorca,
Want je vader zal komen en zal je slaan
En zijn hand zal rood op je lichaam staan.
Hoor je de honden,
De honden, Majorca,
Heel in de verte blaffen gaan?
Hoor je de dronkenmanspraat in de wind?

Je dronken vader komt er aan.
De weg is te smal en het meer is diep:
Hoorde je, hoe hij mijn naam daar riep?
‘Maria!’
Zet het raam wijd open, dan kun je goed horen,
‘Maria... Maria!’
Heeft dovemansoren,
We doen net alsof we niets verstaan,
‘Maria! Kom hier!’
Nee, Majorca, niet gaan.
Hoor je de plons in het zwarte meer?
Zijn vuist slaat vergeefs in het water neer
En de golven klotsen in zijn mond;
Drink! Als je drinken zo lekker vond.
Luister, zijn stem is al zwakker gaan klinken:
‘Maria...’ Ja, jongen, ik laat je verdrinken,
Sst! Nog eenmaal zijn stem in de wind:
‘Maria... vergeef me... en zorg voor...’

Langzaam verstrijken de rimpels in 't water
En langzaam verschijnen ze op mijn gezicht;
Drie jaar geleden is vader verdronken,
Slaap zacht, Majorca, want morgen is 't licht.

Chansons, gedichten en studentenliederen (1948)

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

wolf

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

 

DE JONGE WOLF

Kom, laat mij los, laat mij maar lopen,
ik vind de weg wel door het bos.
Mijn hart is sterk, mijn oog is open
Kom, laat mij lopen, laat mij los.

Vrees je dat ik de weg niet vind,
mijn vrijheid al te duur zal kopen?
Jij vader was ook eenmaal kind,
en toch ben jij ook weggelopen.

Kom, laat mij lopen, laat mij los.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

tranen

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938
 

O het tranen-vergieten is geen zonde

O het tranen-vergieten is geen zonde,
Gepleegd aan 's werelds mooi somber voortglijden
Zacht door de eindeloze gang der tijden...
O wie nog tranen, tranen vergieten konde...

Hij zou de wrede, wrede wonde op wonde,
Die dorsten mensjes in het hart te snijden
Hem, die wilde allen in zich zelf verblijden,
Helen door tranen. Tranen Zijn Geen Zonde.

Want wat zijn tranen, tranen als een teerheid,
Hoog-heerlijk in zich zelf gebrokene emotie
Als 't mannen-lijf niet langer kan hoog-trots zijn?

O Laat ons allen vallen in devotie,
Als Iets, wat grandiooslijk week ter-nêer leit,
Een mens nooit kàn maar wou toch wel een Rots zijn.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

vorst

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660

ZO VORST, ZO VOLK

Zie doch eens: in deze poel
Was te voren geen gewoel,
Geen geruchte, geen geschil;
Alle dingen waren stil,
Al de vogels zonder nijd,
Al de vogels zonder strijd;
Maar een schreeuwer, metter vlucht,
Hier gevallen uit de lucht,
Maakte, door zijn hees geschal,
Twist en oproer overal;
Maakte dat het ganse rot
Kwam gesprongen uit het kot,
Kwam zo fel hier in gestort
Dat het water troebel wordt.
Het is nut te zijn geloofd
Dat een vies, een zeldzaam hoofd,
Dat alleen een enig man
Ganse rijken storen kan.
Dan het is ook wel gezien
Heden en in oude tiên,
Dat een enig hoofd geveld
't Ganse land in ruste stelt.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

trouw

Een gedicht van J.P. Heije 1809=1876

Trouw.

I.

Een lindeboom stond diep in 't dal
Van boven breed, van onder smal;

Daar vrijdden zaâm, in eer en deugd,
Twee Liefjes in hun zoete jeugd.

'Vaarwel!’ zoo sprak hij droef tot haar:
'Ik moet nu scheiden zeven jaar.’

- En waar' het veertien jaar, mijn vrind!
Mijn harte nooit een ander mint! -

II.

Wel op din dag, na zeven jaar,
Vlocht zij zich bloempjes in het haar:

- Nu komt mijn Liefste trouw en goed,
Ik ga verheugd hem in 't gemoet. -

En toen zij kwam in 't groene woud
Sprong daar een ruiter uit het hout:

'Zo eenzaam u in 't bos gewaagd?
En zeg, wat schreit ge, zoete maagd?’

- Ik schrei, dat ik mijn beste vrind
Na zeven jaar niet wedervind! -

'Ik reed pas gistren door een stad,
Waar, wie U trouw zwoer, Bruiloft had!’

III.

'Wat wenst gij hem voor smart en leed
Nu hij zijn trouw brak en zijn eed?’

- Ik wens hem zoveel heil en vreê,
Als korrels zijn in 't zand der zee.

- Ik wens hem zoveel lust en kracht
Als sterren blinken in de nacht! -

IV.

Daar trok hij van zijn vingerling
Een brede, louter gouden ring:

Die wierp hij 't meisje in haar schoot; -
Een tranenstroom dat ringske omvloot...

'Droog af uw oogjes, liefste vrouw!
Ik ben het zelf - en even trouw!’

schrijver

Geschreven door Dora om 19:52 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten