Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

bergmeer

Een gedicht van  Jacob Winkler Prins 1849-1907

Bergmeer

Wie op de spiegel drijft weet niet, wat hij moet denken
Of onder boven is, nu boven onder schijnt,
Want heel de gladde wand, die in het meer verdwijnt,
Staat met zijn dennenlast in ’t zonnelicht te wenken.

En waar de wateren de groene kegels drenken,
Volgt ’t oog, diep in het nat, de duidelijke lijn
Van uitgestoken tak in water-zonneschijn,
Wiens onbewogen rust geen stormen kunnen krenken.

Geen kabling komt er in. De stralen, die zich deelden,
Weerkaatsen ’t bodembos tot in de volle dag.
Men ziet hoe rond de stam de groene mossen geelden.

Tot kussen van fluweel, alsof een lijkkleed lag
Op de verdronken boom. Zo zijn er spiegelbeelden,
Die boven schijnen, door wat men diep onder zag.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

aggy

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Aggy.

De morgen droomt in de lichte tuin:
Een lichtfestijn
Midde' in bloemgeschijn,
En in die droom lichtkindje klein,
Grootogig, op voetjes fijn.

Geurenneurende zachte jasmijn,
En vrolijke roosjes, mondjes half open,
En gouden regen,
Neergezegen
Om haar te vertellen die aan komt lopen,
Hoe mooi een morgen kan zijn.

En paarse seringen die 't groen doen lachen,
En in het gras zóvele gele
Boterbloempjes op gouden stelen,
- Heel de tuin door!
En vlinders daartussen,
En grappige mussen,
't Kopje op de grond of zij grond willen kussen.
Zij - in àl kijken en wondren er vóór.

Heel hoog òp nu haar hoofdje klein;
Beweeg der voetjes..... Een àlverblij'n
Waarheen die gaan langs het licht gelover;
Gans haar slank gestaltetje over
Tover
Van lenteschijn.

De Gids (1897)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

knollenland

Een gedicht van J.J.A Gouverneuer 1809-1898

In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland

In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland
    Daar zaten twee haasjes heel parmant
    En de één die blies de fluite-fluite-fluit
    En de ander sloeg de trommel

    Toen kwam opeens een jager-jager-man
    En die heeft er één geschoten
    En dat heeft naar men wel denken denken kan
    De ander zeer verdroten

De zingende kinderwereld voor school en huisgezin (1866)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

liedeken

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Liedeken

Ik minde u zo teder, ik minde u
Zo teder met heel mijn ziel,
Wanneer door deze armen omwingerd
Uw hoofd mij ten boezem viel...

Ik aêmde op uw lippen mijn leven,
Ik smolt in een kus aan uw mond;
Ik smachtte om een hemel te geven...
Ai, ’k gaf maar mijzelve in die stond!

Er flikkerde een vlamme in uw blikken,
Waar de flonkrendste starre voor taan’...
Ik minde u zo teder, ik minde u...
Hoe ziet ge zo koud nu mij aan?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Aan een Dichter

Dichter, van uw zachte woorden
waar gij omgaat begeleid,
aan de nooit betreden boorden
zwervend uwer eenzaamheid,

uit de weelderige wegen
van het leven tot de rots
van uw vast geluk gestegen
langs de paden van uw trots,

als de morgenzon gerezen
boven damp en duisternis,
Dichter, uit de streek der vrezen
in het rijk, waar vrijheid is,

breng ons bij de forse pijnen,
waar uw grote weemoed ruist,
bij de bochtige ravijnen,
waar uw diep verlangen bruist,

breng ons in de wijde hemel,
die uw snelle licht doorschiet,
waar men 't wereldse gewemel
ver-omneveld overziet,

en geleid ons, waar bewogen
ons uw sterke wijsheid noodt,
onverschrokken, voor de hoge
stille velden van de dood.

De Beweging (1909)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

beeld

Een gedicht van van Edgar du Perron 1899-1940

  

Ander beeld

‘Uw hart, mijn lief, en voelt het geen bewegen?’
zo vroeg eens Hooft, men weet, die vroegre Hooft,
die aan de min deed, aan de min-god heeft geloofd,
een dichter met een baard, wiens taal was ingeregen.

De vreemde vraag! en vreemd moet het verlegen
glimlachje zijn geweest de schone ontroofd.
De vraag is in mijn stem het boek ontstegen:
de schone lachte en schudde koel het hoofd.

Ik heb haar hand genomen toen; zij keek
of ik mijn nagels had geknipt; waar bleek
van niet, riep zij een roodverlakte doos te wapen.

Blinkende punten, wat gekriebel en een knap
bij iedre tel... Zij was zo wijs en knap!
Hoog boven ons was haar hart ingeslapen.

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

sarlotteken

Een gedicht van René de Clercq  1877-1932

Sarlotteken.

O, als ik u zacht in mijn armen neem,
lief zotteken,
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Uw oog is zo bruin en zo zoet als zeem,
van 't potteken.
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Van liefde de valheid, van valsheid geen zweem,
hertbotteken!
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Ach, kussen we elkander, gij lacht en ik schreem,
lief zotteken.
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

antwoord

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947 

Haar antwoord

Wanneer zal de ure zijn, dat gij als bruid
Met mij zult staan in wit-satijnen kleren?
"Wanneer de stromen naar hun bronnen keren,
De raaf het lied der nachtegalen fluit."

Had gij mij dan niet lief in vroeger tijd,
Was dan Uw hart niet naar mijn hart genegen?
"Mijn hart was vól van U, maar heeft verkregen
Tot loon alleen leed, leed in eeuwigheid."

Kan dan het eens verbleekte morgenuur,
Daar alles toch herleeft in de natuur,
Niet met een nieuwe dag de kimmen kleuren?
Wat eens gebeurd is kan nooit weer gebeuren,
Men kan maar ééns een blad aan stukken scheuren
En wat het vuur verkrijgt, verslindt het vuur."

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:46 Reageer op dit bericht

profeteren

Een gedicht van F.H. Greb 1813-1868

  

Profeteren en gezichten zien.

De Dichter toch is zoon van God,
De heemlen zijn zijne opperzalen.
't Verleden moet hem cijns betalen,
Hem, Ziener in 't verborgen lot.

- - - - - - - - - -

Heil ons! het schoon verleden keert,
De heuglijke eeuw van Gods Profeten;
Gezalfde zal ons hart u heten,
Die ons de Toekomst kennen leert.

.................

Laat u, om Godswil, de kroon niet ontroven,
Die, als profeet, u omhoog is bewaard!

De Gids (1843)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:45 Reageer op dit bericht

huil niet

Een gedicht van J.M.W Scheltema 1921-1947

Huil niet, Majorca

Huil niet, Majorca,
Want je vader zal komen en zal je slaan
En zijn hand zal rood op je lichaam staan.
Hoor je de honden,
De honden, Majorca,
Heel in de verte blaffen gaan?
Hoor je de dronkenmanspraat in de wind?

Je dronken vader komt er aan.
De weg is te smal en het meer is diep:
Hoorde je, hoe hij mijn naam daar riep?
‘Maria!’
Zet het raam wijd open, dan kun je goed horen,
‘Maria... Maria!’
Heeft dovemansoren,
We doen net alsof we niets verstaan,
‘Maria! Kom hier!’
Nee, Majorca, niet gaan.
Hoor je de plons in het zwarte meer?
Zijn vuist slaat vergeefs in het water neer
En de golven klotsen in zijn mond;
Drink! Als je drinken zo lekker vond.
Luister, zijn stem is al zwakker gaan klinken:
‘Maria...’ Ja, jongen, ik laat je verdrinken,
Sst! Nog eenmaal zijn stem in de wind:
‘Maria... vergeef me... en zorg voor...’

Langzaam verstrijken de rimpels in 't water
En langzaam verschijnen ze op mijn gezicht;
Drie jaar geleden is vader verdronken,
Slaap zacht, Majorca, want morgen is 't licht.

Chansons, gedichten en studentenliederen (1948)

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

wolf

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

 

DE JONGE WOLF

Kom, laat mij los, laat mij maar lopen,
ik vind de weg wel door het bos.
Mijn hart is sterk, mijn oog is open
Kom, laat mij lopen, laat mij los.

Vrees je dat ik de weg niet vind,
mijn vrijheid al te duur zal kopen?
Jij vader was ook eenmaal kind,
en toch ben jij ook weggelopen.

Kom, laat mij lopen, laat mij los.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

tranen

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938
 

O het tranen-vergieten is geen zonde

O het tranen-vergieten is geen zonde,
Gepleegd aan 's werelds mooi somber voortglijden
Zacht door de eindeloze gang der tijden...
O wie nog tranen, tranen vergieten konde...

Hij zou de wrede, wrede wonde op wonde,
Die dorsten mensjes in het hart te snijden
Hem, die wilde allen in zich zelf verblijden,
Helen door tranen. Tranen Zijn Geen Zonde.

Want wat zijn tranen, tranen als een teerheid,
Hoog-heerlijk in zich zelf gebrokene emotie
Als 't mannen-lijf niet langer kan hoog-trots zijn?

O Laat ons allen vallen in devotie,
Als Iets, wat grandiooslijk week ter-nêer leit,
Een mens nooit kàn maar wou toch wel een Rots zijn.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

vorst

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660

ZO VORST, ZO VOLK

Zie doch eens: in deze poel
Was te voren geen gewoel,
Geen geruchte, geen geschil;
Alle dingen waren stil,
Al de vogels zonder nijd,
Al de vogels zonder strijd;
Maar een schreeuwer, metter vlucht,
Hier gevallen uit de lucht,
Maakte, door zijn hees geschal,
Twist en oproer overal;
Maakte dat het ganse rot
Kwam gesprongen uit het kot,
Kwam zo fel hier in gestort
Dat het water troebel wordt.
Het is nut te zijn geloofd
Dat een vies, een zeldzaam hoofd,
Dat alleen een enig man
Ganse rijken storen kan.
Dan het is ook wel gezien
Heden en in oude tiên,
Dat een enig hoofd geveld
't Ganse land in ruste stelt.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

trouw

Een gedicht van J.P. Heije 1809=1876

Trouw.

I.

Een lindeboom stond diep in 't dal
Van boven breed, van onder smal;

Daar vrijdden zaâm, in eer en deugd,
Twee Liefjes in hun zoete jeugd.

'Vaarwel!’ zoo sprak hij droef tot haar:
'Ik moet nu scheiden zeven jaar.’

- En waar' het veertien jaar, mijn vrind!
Mijn harte nooit een ander mint! -

II.

Wel op din dag, na zeven jaar,
Vlocht zij zich bloempjes in het haar:

- Nu komt mijn Liefste trouw en goed,
Ik ga verheugd hem in 't gemoet. -

En toen zij kwam in 't groene woud
Sprong daar een ruiter uit het hout:

'Zo eenzaam u in 't bos gewaagd?
En zeg, wat schreit ge, zoete maagd?’

- Ik schrei, dat ik mijn beste vrind
Na zeven jaar niet wedervind! -

'Ik reed pas gistren door een stad,
Waar, wie U trouw zwoer, Bruiloft had!’

III.

'Wat wenst gij hem voor smart en leed
Nu hij zijn trouw brak en zijn eed?’

- Ik wens hem zoveel heil en vreê,
Als korrels zijn in 't zand der zee.

- Ik wens hem zoveel lust en kracht
Als sterren blinken in de nacht! -

IV.

Daar trok hij van zijn vingerling
Een brede, louter gouden ring:

Die wierp hij 't meisje in haar schoot; -
Een tranenstroom dat ringske omvloot...

'Droog af uw oogjes, liefste vrouw!
Ik ben het zelf - en even trouw!’

schrijver

Geschreven door Dora om 19:52 Reageer op dit bericht

lippen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941 

O lippen...

O lippen, rood als rozen en frambozen,
Die, kussen ademend, om kussen vragen!
O krachtige armen, die mij, moede, kozen
Om veilig door 't vijandig Zijn te dragen!

O donkere ogen, zachte grondeloze
ogen, zó rein als nooit mijn ogen zagen,
Ogen, waarin geen sprank is uit den Boze,
Maar waar Gods englen d'eigen blik in wagen!

O jong glad voorhoofd, geestdriftvol en edel,
Omkranst van blijde zijden kroezellokken,
Zwart aureool om lichten dichterschedel!

O stem, die me in uw armen wist te lokken,
Zo roerend zoet als 't nachtlied van een vedel,
Zo heimweevol als klank van avondklokken!

de Gids (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

familie

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Rembrandt: De Heilige Familie, ets

Was niet hun beider teerste droom, het kind te aanschouwen
Dat uit haar reine schoot zuiverste Liefde schiep?
Betastte hij niet zacht, en voelde hij niet diep
Verscholen leven daar, het lijf der lieve vrouwe?

Hoe kon zijn zaligheid zo plotseling verflauwen?
Wat angst welde in zijn hart, dat eensklaps hij ontliep
Het warm vertrek, waar aan haar boezem 't wichtje sliep
Zacht in haar arm en van haar kleed de wollige vouwen?

Zag in haar ogen hij 't geheim, voelde hij 't beven
In haar omstrengling: voor 't uit háár gegroeide leven
Liefde zo teer, zo vreemd, als nooit een man verstaat?

Hij gluurt door 't raam, wijl winterzonnestralen weven
Een aureool om haar en 't kind, - oogsluitend laat
Hij leunen tegen 't kil kozijn zijn droef gelaat.

De Beweging (1919)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

steen

Een gedicht van J.A dèr Mouw 1863-1919

Hij ligt er nog, de steen

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden
Heb 'k zelf hem daar gelegd; en ik herken
Heel goed de plek, vlak naast die scheve den,
Waar 't zandpad, wit, loopt naar de hei beneden.

'k Dacht vaag: Wat 'k doe, lijkt op wat Farao's deden;
Eenzelfde ontzetting vroeg in mij en hen:
Alles vergaat: ben ik niet, die ik ben,
En was en blijven zal in eeuwigheden?

Ik was gaan liggen, 't hoofd dicht bij de steen;
En die, in 't langzaam dieper donker, scheen
Een monument, Egyptisch oud en groot.

Een kleine ster erboven. 'k Dacht: zijn licht
Vertrok toen 't graf van Ramses werd gesticht.
En 'k voelde duidlijk: 'k was zijn tijdgenoot.

Brahman I (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:35 Reageer op dit bericht

lenteweelde

Een gedicht van Adrianus Bogaers 1795-1870

 

LENTEWEELDE.

Geen pelzen meer van node,
Geen vlammen in d haard!
De lieve lenteboden
Doorzwieren beemd en gaard:
Ze zoeken onder 't zingen,
Waar 't jeugdig nestje stond,
De kleine bannelingen
Terug op d' oudergrond.

Het grauw is weggedreven,
Daar 't licht zich in verloor:
Beglansde wolkjes zweven
D' azuren hemel door;
En ieder pareldropje,
Haar milde borst ontvloeid,
Het wordt een bloemenknopje,
Zo ras het de aard besproeit.

In 't effen blauw der plassen,
Nu 't van geen kou meer rilt,
Verheffen rietgewassen
Het ronde bladerschild.
Het jonge lis en lover,
Geschaard op d' oeverglooi,
Buigt, spieglend, zich voorover
En denkt: wat zijn we mooi!

't Ziet alles fris en fleurig
En bloost van kracht en moed:
De lucht is lauw en geurig
En 't ademhalen zoet.
De wei, vol grazend leven,
Gelijkt een groen fluweel,
Van 't koolzaadveld er neven
Bezoomd met goud en geel.

Wat kanten de ogen schouwen,
Het bloeit er rijk dooreen:
Een wedstrijd wordt gehouen
Van pracht en lieflijkheên:
Seringen, sorben, meien, —
't Is of ze in bruiloftsier
Om 't fraaist hun sluiers spreien
Met maagdelijke zwier.

De kloeke roskastanje
Heft hoog in 't hemelruim
Uit donkre bladerfranje,
Zijn blanke bloesempluim:
De goudenregens pronken
Zo hel in 't lager loof,
Alsof een stroom van vonken
Uit tak en twijgen stoof.

Geen hof, geen wilde hagen
Of ze ijvren met hun schoon:
Al wat er bloem mag dragen,
Het draagt een bloemenkroon;
Heeft de esp alleen zijn blaren,
Hij rept ze zo verheugd,
Of 't kinderhandjes waren,
Die klapten van de vreugd.

Verrukkend Jaargetijde!
De aanvallige Natuur
Vertoont zich jong en blijde,
Als in het scheppingsuur.
Langs woud en waterpleinen
Weerschalt het jubellied
En teedre refereinen,
Wier keerwoord is: geniet!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

soldatenstand

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

 

Soldatenstand.

Een leven vol wissling,
Een lokaas der jeugd,
Een manlijke roeping,
Een strik voor de deugd,
Een pijnbank van kommer,
Een vloed van genucht,
Een bandloze vrijheid,
Een tergende tucht;
Een schole voor kennis,
Een bane ter eer,
De hoop in de boezem,
De kracht in 't geweer;
Nu lommer en weelde,
Dan honger en slijk;
Des morgens een losbol,
Des avonds een lijk.
De bontste vermenging
Van goed en van kwaad;
Hier glorie, daar schande -
De naam van soldaat.

Gerijd in geleedren,
In 't bivak dooreen;
Nu harten vol goedheid,
Dan harten van steen.
Het kruis aan de kloekheid,
De kogel 't verzet,
Het krijgsboek tot bijbel,
't Parool een gebed;
Niet vragen, maar handlen
Naar hoger bestel;
De kroeg tot een hemel,
't Cachot tot een hel.
Verdrukte en verdrukker
Van vriend soms en broer;
Een worm voor de ofcieren,
Een wolf voor de boer.
In vrede verwijderd,
In oorlog verwant;
Een veldheer tot vader,
Tot beul een sergeant.
Hier haat en vervloeking,
Dáár trouw tot de dood;
Nú laag en verworpen,
Dán edel en groot.
Deez' - zwetser in 't rustuur,
Die - held in 't gevecht;
Ginds speurhond eens dwinglands,
Hier strijder voor 't recht.

Een blinkend versiersel,
Maar grof op de tast,
Een droom, die zich oplost
In lijden en last.
Hier liefjes bedrogen,
Dáár liefjes begroet,
't Fortuin in de verte,
't Berouw in 't gemoed.
Een tijd, die zich afdeelt
In rust en appèl,
De roffel der tamboers
Ter klok of bevel -
Ten jubel der zege -
Tot mare der straf -
Een krijgszang bij d'aanval -
Een treurtoon bij 't graf.
Soldaat, een bedwelming,
Te laat soms betreurd,
Een hefboom, die de armoê
Op 't voetstuk vaak beurt.
Verneedring en grootheid
Soms grillig verplaatst;
Veel distlen en doornen,
Maar lauwers er naast.

1845.

De Dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:50 Reageer op dit bericht

deugzaam

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

Van een deugzaam man.

Hier lig ik in mijns moeders schoot
Een vriend der vromen totter dood.
Mijn naam, mijn stam, mijn ouderdom.
Ik bidde (op zo goed weerom)
Dat men mij daarmee niet en kwel.
Het zwijgen past de doden wel.

-----------------------------------
mijns moeders schoot - moeder aarde
op zo goed weerom -  op belofte van wederkerigheid

Over-Ysselsche sangen en dichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten