Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

vorst

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660

ZO VORST, ZO VOLK

Zie doch eens: in deze poel
Was te voren geen gewoel,
Geen geruchte, geen geschil;
Alle dingen waren stil,
Al de vogels zonder nijd,
Al de vogels zonder strijd;
Maar een schreeuwer, metter vlucht,
Hier gevallen uit de lucht,
Maakte, door zijn hees geschal,
Twist en oproer overal;
Maakte dat het ganse rot
Kwam gesprongen uit het kot,
Kwam zo fel hier in gestort
Dat het water troebel wordt.
Het is nut te zijn geloofd
Dat een vies, een zeldzaam hoofd,
Dat alleen een enig man
Ganse rijken storen kan.
Dan het is ook wel gezien
Heden en in oude tiên,
Dat een enig hoofd geveld
't Ganse land in ruste stelt.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

trouw

Een gedicht van J.P. Heije 1809=1876

Trouw.

I.

Een lindeboom stond diep in 't dal
Van boven breed, van onder smal;

Daar vrijdden zaâm, in eer en deugd,
Twee Liefjes in hun zoete jeugd.

'Vaarwel!’ zoo sprak hij droef tot haar:
'Ik moet nu scheiden zeven jaar.’

- En waar' het veertien jaar, mijn vrind!
Mijn harte nooit een ander mint! -

II.

Wel op din dag, na zeven jaar,
Vlocht zij zich bloempjes in het haar:

- Nu komt mijn Liefste trouw en goed,
Ik ga verheugd hem in 't gemoet. -

En toen zij kwam in 't groene woud
Sprong daar een ruiter uit het hout:

'Zo eenzaam u in 't bos gewaagd?
En zeg, wat schreit ge, zoete maagd?’

- Ik schrei, dat ik mijn beste vrind
Na zeven jaar niet wedervind! -

'Ik reed pas gistren door een stad,
Waar, wie U trouw zwoer, Bruiloft had!’

III.

'Wat wenst gij hem voor smart en leed
Nu hij zijn trouw brak en zijn eed?’

- Ik wens hem zoveel heil en vreê,
Als korrels zijn in 't zand der zee.

- Ik wens hem zoveel lust en kracht
Als sterren blinken in de nacht! -

IV.

Daar trok hij van zijn vingerling
Een brede, louter gouden ring:

Die wierp hij 't meisje in haar schoot; -
Een tranenstroom dat ringske omvloot...

'Droog af uw oogjes, liefste vrouw!
Ik ben het zelf - en even trouw!’

schrijver

Geschreven door Dora om 19:52 Reageer op dit bericht

lippen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941 

O lippen...

O lippen, rood als rozen en frambozen,
Die, kussen ademend, om kussen vragen!
O krachtige armen, die mij, moede, kozen
Om veilig door 't vijandig Zijn te dragen!

O donkere ogen, zachte grondeloze
ogen, zó rein als nooit mijn ogen zagen,
Ogen, waarin geen sprank is uit den Boze,
Maar waar Gods englen d'eigen blik in wagen!

O jong glad voorhoofd, geestdriftvol en edel,
Omkranst van blijde zijden kroezellokken,
Zwart aureool om lichten dichterschedel!

O stem, die me in uw armen wist te lokken,
Zo roerend zoet als 't nachtlied van een vedel,
Zo heimweevol als klank van avondklokken!

de Gids (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

familie

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Rembrandt: De Heilige Familie, ets

Was niet hun beider teerste droom, het kind te aanschouwen
Dat uit haar reine schoot zuiverste Liefde schiep?
Betastte hij niet zacht, en voelde hij niet diep
Verscholen leven daar, het lijf der lieve vrouwe?

Hoe kon zijn zaligheid zo plotseling verflauwen?
Wat angst welde in zijn hart, dat eensklaps hij ontliep
Het warm vertrek, waar aan haar boezem 't wichtje sliep
Zacht in haar arm en van haar kleed de wollige vouwen?

Zag in haar ogen hij 't geheim, voelde hij 't beven
In haar omstrengling: voor 't uit háár gegroeide leven
Liefde zo teer, zo vreemd, als nooit een man verstaat?

Hij gluurt door 't raam, wijl winterzonnestralen weven
Een aureool om haar en 't kind, - oogsluitend laat
Hij leunen tegen 't kil kozijn zijn droef gelaat.

De Beweging (1919)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

steen

Een gedicht van J.A dèr Mouw 1863-1919

Hij ligt er nog, de steen

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden
Heb 'k zelf hem daar gelegd; en ik herken
Heel goed de plek, vlak naast die scheve den,
Waar 't zandpad, wit, loopt naar de hei beneden.

'k Dacht vaag: Wat 'k doe, lijkt op wat Farao's deden;
Eenzelfde ontzetting vroeg in mij en hen:
Alles vergaat: ben ik niet, die ik ben,
En was en blijven zal in eeuwigheden?

Ik was gaan liggen, 't hoofd dicht bij de steen;
En die, in 't langzaam dieper donker, scheen
Een monument, Egyptisch oud en groot.

Een kleine ster erboven. 'k Dacht: zijn licht
Vertrok toen 't graf van Ramses werd gesticht.
En 'k voelde duidlijk: 'k was zijn tijdgenoot.

Brahman I (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:35 Reageer op dit bericht

lenteweelde

Een gedicht van Adrianus Bogaers 1795-1870

 

LENTEWEELDE.

Geen pelzen meer van node,
Geen vlammen in d haard!
De lieve lenteboden
Doorzwieren beemd en gaard:
Ze zoeken onder 't zingen,
Waar 't jeugdig nestje stond,
De kleine bannelingen
Terug op d' oudergrond.

Het grauw is weggedreven,
Daar 't licht zich in verloor:
Beglansde wolkjes zweven
D' azuren hemel door;
En ieder pareldropje,
Haar milde borst ontvloeid,
Het wordt een bloemenknopje,
Zo ras het de aard besproeit.

In 't effen blauw der plassen,
Nu 't van geen kou meer rilt,
Verheffen rietgewassen
Het ronde bladerschild.
Het jonge lis en lover,
Geschaard op d' oeverglooi,
Buigt, spieglend, zich voorover
En denkt: wat zijn we mooi!

't Ziet alles fris en fleurig
En bloost van kracht en moed:
De lucht is lauw en geurig
En 't ademhalen zoet.
De wei, vol grazend leven,
Gelijkt een groen fluweel,
Van 't koolzaadveld er neven
Bezoomd met goud en geel.

Wat kanten de ogen schouwen,
Het bloeit er rijk dooreen:
Een wedstrijd wordt gehouen
Van pracht en lieflijkheên:
Seringen, sorben, meien, —
't Is of ze in bruiloftsier
Om 't fraaist hun sluiers spreien
Met maagdelijke zwier.

De kloeke roskastanje
Heft hoog in 't hemelruim
Uit donkre bladerfranje,
Zijn blanke bloesempluim:
De goudenregens pronken
Zo hel in 't lager loof,
Alsof een stroom van vonken
Uit tak en twijgen stoof.

Geen hof, geen wilde hagen
Of ze ijvren met hun schoon:
Al wat er bloem mag dragen,
Het draagt een bloemenkroon;
Heeft de esp alleen zijn blaren,
Hij rept ze zo verheugd,
Of 't kinderhandjes waren,
Die klapten van de vreugd.

Verrukkend Jaargetijde!
De aanvallige Natuur
Vertoont zich jong en blijde,
Als in het scheppingsuur.
Langs woud en waterpleinen
Weerschalt het jubellied
En teedre refereinen,
Wier keerwoord is: geniet!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

soldatenstand

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

 

Soldatenstand.

Een leven vol wissling,
Een lokaas der jeugd,
Een manlijke roeping,
Een strik voor de deugd,
Een pijnbank van kommer,
Een vloed van genucht,
Een bandloze vrijheid,
Een tergende tucht;
Een schole voor kennis,
Een bane ter eer,
De hoop in de boezem,
De kracht in 't geweer;
Nu lommer en weelde,
Dan honger en slijk;
Des morgens een losbol,
Des avonds een lijk.
De bontste vermenging
Van goed en van kwaad;
Hier glorie, daar schande -
De naam van soldaat.

Gerijd in geleedren,
In 't bivak dooreen;
Nu harten vol goedheid,
Dan harten van steen.
Het kruis aan de kloekheid,
De kogel 't verzet,
Het krijgsboek tot bijbel,
't Parool een gebed;
Niet vragen, maar handlen
Naar hoger bestel;
De kroeg tot een hemel,
't Cachot tot een hel.
Verdrukte en verdrukker
Van vriend soms en broer;
Een worm voor de ofcieren,
Een wolf voor de boer.
In vrede verwijderd,
In oorlog verwant;
Een veldheer tot vader,
Tot beul een sergeant.
Hier haat en vervloeking,
Dáár trouw tot de dood;
Nú laag en verworpen,
Dán edel en groot.
Deez' - zwetser in 't rustuur,
Die - held in 't gevecht;
Ginds speurhond eens dwinglands,
Hier strijder voor 't recht.

Een blinkend versiersel,
Maar grof op de tast,
Een droom, die zich oplost
In lijden en last.
Hier liefjes bedrogen,
Dáár liefjes begroet,
't Fortuin in de verte,
't Berouw in 't gemoed.
Een tijd, die zich afdeelt
In rust en appèl,
De roffel der tamboers
Ter klok of bevel -
Ten jubel der zege -
Tot mare der straf -
Een krijgszang bij d'aanval -
Een treurtoon bij 't graf.
Soldaat, een bedwelming,
Te laat soms betreurd,
Een hefboom, die de armoê
Op 't voetstuk vaak beurt.
Verneedring en grootheid
Soms grillig verplaatst;
Veel distlen en doornen,
Maar lauwers er naast.

1845.

De Dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:50 Reageer op dit bericht

deugzaam

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

Van een deugzaam man.

Hier lig ik in mijns moeders schoot
Een vriend der vromen totter dood.
Mijn naam, mijn stam, mijn ouderdom.
Ik bidde (op zo goed weerom)
Dat men mij daarmee niet en kwel.
Het zwijgen past de doden wel.

-----------------------------------
mijns moeders schoot - moeder aarde
op zo goed weerom -  op belofte van wederkerigheid

Over-Ysselsche sangen en dichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Ik weet niet wat ik heb gedaan

Ik weet niet wat ik heb gedaan,
ik weet niet wat ik heb geleden,
om uit de huizen van 't verleden
weer naar een liefde-feest te gaan.

- Deze avond draagt op plane vlerken
het wegen van een milder tijd;
En 'k voel mijn blijheid in me sterken
bij 't staren in úw tederheid.

Ik weet me zo beraden rusten,
o schone, in ons verénigd-zijn,
en vredig, als een vege schijn
op 't aanschijn van verre avond-kusten.

- En God, die mij misschien begrijpt,
die om mijn weze' uw stem liet suizen,
is als een vrucht die in me rijpt...
- De vlier-struik geurt naast al de huizen...

Verzameld werk. Deel 1. Lyrische poëzie (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

 

De Koffie

In 't Oosterland zijt gij geboren,
In 't zonnig, 't weeldrig Oosterland,
O koffie, kostelijke pand,
O koffie uitverkoren.

Opgelet!
Wij hebben hem zelf op het vuur gezet,
En eerst de bonen uitgekozen:

En langzaam en langzaam de trommel gedraaid,
De nijdige, blakende vlamme gepaaid
Bij pozen.
Daar rolt hij nu glanzend en bruin uit zijn kluis,
En rokend
En smokend
Vervult hij met bals'mende geuren het huis.

Tokkelend,
Pakkend,
Brokkelend,
Knakkend
Draait de molen, spuwt en spat;
't Boontje keert zich,
't Boontje weert zich,
Onder 't rad;
't Boontje voelt zich,
't Boontje woelt zich
Moe en mat;

Maar het wordt er, klein of grof,
Dra tot gruis en stof.

Luister!
'k Hoor daar buiten zingen.
Zacht geheimvol is de stem;
Zij heeft kracht noch klem,
En nochtans ik voel ze dringen
Door mijn oor in 't herte mijn,
Als de zang van 't vogelijn
In de lente....

Maar neen! wat ik hoor,
't Is de moor, 't is de moor
Die zijn liedje daar neurt;
En ruisend
En bruisend
Daar dobbelt het water en roept: ‘'t is mijn beurt!’

O ja! nu opgepast!
De ketel vast,
En 't kokend water wel gegoten;
En dan uit 't kopje blank en net,
Gereed daar op de dis gezet,
De kostelijke drank genoten.

O nat! met bruin en goud gekleurd;
O nat! dat zo bedwelmend geurt,
En onze geest naar 't toverrijk kunt mennen;
Och!
Weet ge, weet ge nog
Wanneer ik u heb leren kennen?

't Was in mijn jeugd.
Vol lust en vreugd
Ontwaakte in mij een nieuwe leven.
En nu, o zoete warme drank,
Mijn dromen zijn voorbij, zo lang,
Maar gij, gij zijt mij trouw gebleven.

Hoe dikwijls hebt gij door uw macht,
Het grievend leed van 't hart verzacht!
En in uw kronkelende walmen,
De schoonste en strelendste aller galmen
Uit 't dichterrijk mij meegebracht.

Ik heb zo lang alleen geworsteld en gestreden,
En arm en onbekend zoo meen'ge hoon geleden
In twijfel, wanhoop, ziel- en lichaamssmart;
En als de moedloosheid mij 't hoofd en 't hart kwam drukken,
Kwaamt ge ook mij 't folterend gedacht ontrukken,
Verkwiktet mij de geest, verlichttet mij het hart.

En dan in 's werkmans schaam'le woon,
Hoe zuinig steeds, en toch hoe schoon
Staat ge op den blanke dis te prijken!
Verbergt hem zijne naaktennood,
En weekt hem 't duur gewonnen brood,
En geeft het beet're smaak dan 't feestmaal van de rijken.

Daar snelt het talrijk kroost, en komt van oost en west;
En ieder kiest zijn plaats; in 't kopje smaakt het best,
Waarin men ied're dag mag smullen.
De moeder komt de kopjes vullen,
En snijdt van 't brood voor ieder zijn bescheid.
De stukken zijn wel dik, de boter dun gebreid,
Maar 't is voor allen zo, en niemand zou het wagen
Over 't sober maal te klagen,
O neen! want ieder maaltijd is een feest.
En gretige kijkers, en blinkende tanden,
En bloeiende lippen, en poezele handen,
Het grijpt en het bijt, 't lonkt en 't smakt om het meest.

En tot de laatste beet laat men geen kruimel vallen.
Dan staat men op, en 't jongste kind van allen,
Heft vroom de handekens te gader
En leest een dankbaar ‘Onze Vader'.

O zoete plant, gezaaid, geboren
In 't zonnig, weeldrig Oosterland,
O wees gezegend, dierbaar pand,
O koffie uitverkoren!

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

melkmeisje

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1735-1813

Het melkmeisje.

Wijs: 'k Ben een Amsterdams matroosje

Ja de dag is weer aan 't dagen,
'k Hoor 't aan kraaien van de haan,
't Wordt mijn tijd om op te staan,
En wat zou me in 't bed vertragen,
'k Ben gezond gelijk een vis.

Kom mijn emmers krijg ik maar,
Want ik wacht reeds Teunisvaêr,
En het zou er anders stinken. -
Zie mijn mellekemmers blinken,
'k Ben er groots op, en dat staat
Aan geen mellekmeisje kwaad.

'k Zie alree van ver de koeien,
Kijk dat noem ik ongemien,
Als zij maar mijn emmers zien,
Dan beginnen ze al te loeien.
En dat hoor ik, ô zo graag.

'k Zag een Juffrouw lest uit steê,
Dat mens was eerst bang voor vee.
'k Weet niet, hoe of dat kan wezen,
Wie zou toch dees beestjes vrezen,
't Is het makste vee van 't land.
Zie hoe likken zij mijn hand.

Volks lieden-boek (1785)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

wind

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Voor- en tegenwind.

Gaat het tégen-wind, mê-Vrind,
Laat een Schipper U dan leren
Te lavéren:
Doe, alsof je er niet naar vroeg
Om aan gindse kust te komen,
Maar zeil voort met wind en stromen...
En - ben je eenmaal ver genoeg,
Wend dan over de' andre boeg!

Gaat het vóór-de-wind, mê-Vrind!
Leer van stuurlui dan, bij 't zeilen
Steeds te peilen:
't Water schijnt soms diep genoeg
En er staat allicht geen baken....
Maar 't is kunst, weer vlot te raken
Als òf wind òf stroom te vroeg
't Scheepje op het droge joeg.

Vóór- of tégenwind, mê-Vrind,
Leer U werken - leer U wachten
Dag en nachten!
Haastig, komt altoos te vroeg,
Neuswijs, zal het minste weten,
Dom, heeft altijd wat vergeten,
Langzaam, komt nooit tijds genoeg....
Kies dus steeds de rechte boeg!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:46 Reageer op dit bericht

stem

Een gedicht van Jan F.E.  Celliers 1865-1940

 

Die stem van die verte.

So's temend geprewel van stille gebede
kom stemme van ver, waar die awend-rood kwijn,
waar die rande in sterwende glanse verdwijn
en 'n nagalm nog sleep van d' skeidend verlede,
- so's klagte vergete, maar klagend tevrede.

En berustend ook voel ik mij siel als gedra'e
naar d'Eeuwigheid heen, op die loom-lange sla'e
van 'n vo'el o'er die veld op sij huiswaartse vlug,
- gedra op die windje se swijmende sug.

Vergange se da'e kom verbij voor mij oo'e,
gesigte verdwene en stemme gesus,
so's weerklankies nog van vergetelheids kust.
- En die weerlig vlam ver in 'n wolk wat daar rus,
so's snikkies nog mokkend, na trane gedro'e.

Uit die dorpie benee'e ruis op tussenbei'e
geluide en laggies van wereldsbeweeg;
en so sal 't nog wees als mij plekkie reeds leeg,
mij skamele kleinte van d'aarde geskei'e
versink in die kolke van d' groot-eeuwig swij'e.

En mij groet stuur 'k dan mee als die a'endstraal se vure
so blink in die ruite en droom op die mure;
mij huisie se gewel sal 't opvang van verre,
- 'n laggie sal 't wees, maar 'n traan sal 't bêre!

Die vlakte en andere gedigte (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

wenen

Een gedicht van Herman de Gorter  1864-1924

't Is alles wenen, de storm, het huis

't Is alles wenen, de storm, het huis,
de grijze hemel om alles henen -
voor me een vrouw, hoor hoor gesuis -
ademen stil door al dat wenen.
O mijn hart klopt zo verschrikkelijk.

O mijn hart klopt zo verschrikkelijk -
zacht is haar huid, adem als bloemen zacht,
het lichte haar - verlangende ogenklacht.

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

weduwe

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

De weduwe te Naïn.

Zwaar drukte 't lot op 't hart der Joodse vrouwe.
Nog pas verbrak de dood 't verbond der trouwe,
Of, gram te moe, verdubbelt hij haar rouwe
Om nieuw gemis:

Een zoon, de lust, de troost van hare dagen,
Met hem de vrucht, die de echtboom haar mocht dragen,
Haar Enige ligt haar van 't hart geslagen:
Wat droefenis!

Zij krimpt van wee, de handen dichtgewrongen;
Haar bloed verstijft, in 't hart tezaam gedrongen,
En de adem stikt in haar benepen longen;
Geen traan vloeit af.

Vergeefs, vergeefs haar troosttaal toegesproken,
Nu de ogen van haar' lievling zijn geloken!
De laatste draad haars levens hangt verbroken;
Zij hijgt naar 't graf.

Ach! wat komt ook, bij 's noodlots ongenade,
Der arme vrouw, nu moeder meer noch gade,
Wat komt haar bij zo zwaar een slag te stade?
Geen troost voor haar!

Nog eenmaal kust zij 't lijk, maar kan niet wenen.
Men slaat het windsels om, en voert het henen.
De droeve volgt, op waggelende benen,
Haars lievlings baar.

Zij strompelt mee ter stadspoorte uit, en teder
Staart nu haar blik op 't dierbaar lijk, dan weder
Bedroefd naar God; haar tranen stromen neder,
Bij luid geklag.

Zij snikt, zij kermt haar weedom naar den hogen.
De schare schreit met haar, zo diep bewogen!
Doch wie, wie helpt? Geen menselijk vermogen,
Dat helpen mag.

Geen stem vertroost, opdat haar smart bedare.....
Maar hoe! wie naakt zo driftig daar de schare,
En dringt de lijksleep door tot bij de bare?
Een vreemdeling!

Wat deernis is in 't vriendlijk oog te ontdekken!
Wat ernst, wat majesteit spreekt in zijn trekken,
Die in het hart ontzag en eerbied wekken
Bij heel de kring!

Ontzetting is op elks gelaat te lezen.
Hij roert de baar, en spreekt, met minlijk wezen:
'Leef, jongling!’ en de jongling is verrezen;
Hij leeft en spreekt!

Men staart verbaasd, als aan de grond geklonken.
Der weduwe is haar steun terug geschonken;
Zij ligt, bezwijmd, aan 's vreemdlings knie gezonken,
Ter dood verbleekt.

Zij stamelt hem haar dank, nog half bezweken.
Die onmacht, veel welsprekender dan spreken,
Is van 't verrast gevoel 't voldingendst teken,
Zo rein als schoon.

‘Een groot Profeet is onder ons verschenen.
God-zelf bezoekt ons, om hier hulp te lenen.’
Zo spreken, wie bij 't wonder zich verenen.
Hij was Gods Zoon!

Vaderlandsche Letteroefeningen (1827)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:43 Reageer op dit bericht

misverstand

Een gedicht van Jacob van Oosterwijk Bruiyn

HET MISVERSTAND

Een man, door wanhoop aangedreven,
Zijn leven zat,
Wierp zich in 't stromend nat.
Zijn makker sprong hem na en redde hem het leven,
Maar vruchteloos: de man, bij 't knellen van 't verdriet,
Wist niet, wat aan te vangen,
En ging zich aan een boom verhangen.
Zijn makker zag het aan en nu weerhield hij 't niet.
Men riep hem voor 't Gerecht. -„Moest ik zijn opzet keren?"
Zo sprak hij; „'t scheen mij, vrome Heren!
Dat hij zo handlen moest na 't lot, dat hij ontging;
Hij was zo nat van lijf en kleren
'k Dacht, dat hij zich te drogen hing."

De boertige zangster (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:03 Reageer op dit bericht

begeerte

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-831

Begeerte.

Kom hier, mijn goêlijk knaapje!
‘Wat wilt, wat vordert gij?’
Hoe wordt gij toch geheten?
‘Begeerte noemt men mij.’

Wanneer werd gij geboren?
‘In Lentes rijkste pracht.’
En wie, wie was uw Moeder?
‘Zij heet Verbeeldingskracht.’

Wie was uw Voedsteresse?
‘De dartelende Jeugd.’
Waarmee zijt ge opgetogen?
‘Met zuchtjens vol geneugt'.’

Waar werd gij mee gewassen?
‘Met bigglend tranenvocht.’
In welke wieg geschommeld?
‘Van hoop, met vrees doorwrocht.’

En hoe in slaap gezongen?
‘Door 't zelfbedrog der smart.’
En waar zijt gij gezeteld?
‘Bij tederheid van hart.’

Wat zijn uw bezigheden?
‘Te staren op het schoon.’
Wat wekt uw felste wrevel?
‘Te flauw een minbetoon.’

Wat is uw hoogst genoegen?
‘Mijn eigen onderhoud.’
Uw aangenaamste voedsel?
‘Verliefde hartenkout.’

Verzwakken u de jaren,
Of hebt ge een vaste duur?
‘ô Neen, ik leef en sterve
Wel tienmaal in een uur.’

Vaarwel dan, gij Begeerte!
Ja, vaar voor eeuwig wel!
Geen rustbegerig harte
Wenst u tot Metgezel.


1797.

Naar 't oud Engelse stuk van de Graaf van Oxford.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 13:34 Reageer op dit bericht

kerkhove

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Op de kerkhove.

Speel, kinderen, huppel lustig ende blij
Over der doden sode,
U lachet dat jonge jaargetij,
Mi sietet ter nauwer node.

Speel, kinderen, laat u niet storen die vreugd,
Huppel ende dans maar wakker,
U groeit ende bloeit die lieve jeugd
Tot op de godesakker.

Sijt gi later eens moedegespeeld,
Hebt gi genoeg der lusten,
Dan komt een engel, die u kust ende streelt,
Ende u nopet te rusten.

Ende ligt gi dan koeltjens toegedekt
Neven de wandelstave,
Dan rijst gi laat, laat opgewekt
Uut uwe stille grave.

Verspreide en nagelaten gedichten (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:26 Reageer op dit bericht

luwtje

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Een luwtje

Nu voelt men warme geuren om zich walmen,
En warmte door de koele bomen wuiven, -
De snelle vliet schijnt moede voort te schuiven,
En in het matte schuiven nog te talmen;

Op de' akker buigen zich de blonde halmen
Ontzenuwd, en beschutten met haar kuiven
't Viooltje, dat geen vlinder komt bestuiven,
En dat de hette tussen 't graan voelt dwalmen;

De mens, in 't mals en mollig mos gezonken,
Trekt uit de zwarte schaduw niets dan zwoelte,
Hij hijgt naar koeler adem, droomt van koelte....

Daar doet een bries de abele-loovren trillen.
De lauwe vliet en 't riet van weelde rillen....
Natuur heeft leven uit de lucht gedronken!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

doorreis

Een gedicht van Jan Engelman 1900-1972

Doorreis

God heeft ons spelende beschreven,
als kindren hulploos gaan wij heen.
Geen heul is ons in 't lest gebleven,
zijn diepe vaderlach alleen.

O bloed, bestijg de broze zomen
van dit gevonnist, schuldig lijf:
gij hebt een koninkrijk ontnomen
en gij alleen rekt ons verblijf.

Maar hoor, wanneer de blauwe velden
der nacht begroeid van sterren staan,
wat aarde, zee en wind niet telden
en laat geen fluist'ring u ontgaan.

Tuin van Eros (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:10 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten