Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 november 2017 tot 30 november 2017

nacht-deun

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Nacht-deun

Om m'n kluis
Windgesuis...
Onder 't open raam,
Bladgeril; -
Preev'lend stil
Als een beê..., uw naam.

Ginder hoog
Bloemenboog...
Op m'n peluw licht, -
Bleke lijn, -
Weemoed-schijn
Van het maangezicht.

'k Ture weer
Ied're keer
Naar die zilv'ren stoet;...
Want ik weet
Liefdeleed
Dat me bidden doet...

Wat doortrilt
Er de stilt'
Van m'n kamerkijn? -
't Is 't gerucht
Van een zucht
Om bij u te zijn...

Vondelingskens (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

meisjes

Een gedicht van Koos Speenhoff 1869-1945

Meisjes van de H.B.S.

Jonge meisjes, korte rokken
Losse lange blonde lokken
Grote stappen zij aan zij
Lopen lachend op een rij

Meisjes van de H.B.S
Gaan als schapen naar de les
Denken over sommen na
In de mathematica

Wonderogen als violen
Achter wimpers weggescholen
Kijken naar de lucht misschien
Om er iets geheims te zien

Meisjes van de H.B.S
Gaan als schapen naar de les
Denken over sommen na
In de metafysica

Lippen rood als rozenblaadjes
Fluisteren geheime praatjes
Babbelen om niemendal
Van wat nooit gebeuren zal

Meisjes van de H.B.S
Gaan als schapen naar de les
Denken over sommen na
In de hoge algebra

Rose nagels, tere handen
Rode oren, blanke tanden
Bloesemwangen zacht as zij
Blozen om een vleierij

Meisjes van de H.B.S
Gaan als schapen na de les
Leren x en leren y
Doen aan goniometrie

Jonge meisjes, lievelingen
Horen gaarne zoete dingen
Stoeien liever in het gras
Dan studeren in de klas

Meisjes van de H.B.S.
Gaan als juffers naar de les
Lopen liever vlinders na
Zonder mathematica

6 juni 1909

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Een dichter.

Geen kroon bevlekt zijn machtig hoofd.
geen scepter houdt zijn hand;
hij wordt nochtans geliefd, geloofd,
in 't schone vaderland.

Wat geeft hem koningschap en macht,
naar goud heeft hij geen dorst;
wat is de ster, bij zonnepracht,
bij hem, wat is een vorst?

Hij heeft zijn lief, hij heeft zijn lied,
zijn volk, zijn vaderland;
hij mint, hij zingt, zijn hert geniet
een dubble liefdebrand.

Hij smaakt de min, wanneer zijn meid
hem zoete kussen schenkt,
de vreugd, wanneer, vol heerlijkheid,
het volk zijn zangen zingt.

O, dichter zijn is zalig zijn,
en warm als zonnegloed,
want drukt hem wrevel, zorg of pijn,
iets blijft in zijn gemoed:

het is zijn lied, zijn wonderlied,
dat altijd sproeit en juicht,
dat hooger klinkt dan 't aards verdriet
en elk zo wel verheugt;

Het is zijn min, die eeuwig is
voor alles wat is goed,
die gloeit voor 't land en 't volk, zo fris
als voor zijn liefken zoet.

Gedichten 1861-62 (1863)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

 

Beesten en mensen.

De aarde brenge voort wat kruipt ofte wandert,
In aarde zal het toch eens werden weer veranderd.
Het water geve uit het slibberige vee,
Het moet toch t’ zijner tijd vervuilen in de zee.
De lucht belaste ik met vogelen te krielen,
Want in de brede lucht verdwijnen hunne zielen.
Maar ‘t hoofdstuk schort er nog, de mense, die dit al
Als koning onder ons alleen beheersen zal.

Kom, laat ons (sprak de Heer) met onze handen bouwen
Een lichaam dat altijd de hemel kan aanschouwen,
En uit ons eigen mond,  die ‘t alles roeren doet,
Hem blazen in de borst een redelijk gemoed,
Bekwaam om ‘t hoogste goed te kennen, te aankleven,
Te dienen zonder dwang en eeuwiglijk te leven.

Over-Ysselsche sangen en dichten (1630)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:55 Reageer op dit bericht

ontwaken

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

ADAMS ONTWAKEN.

Toen in des Heilands zwaarste lijdensstonde
De bergen spleten, de aard haar donkre schoot
En grafspelonken sidderende ontsloot,
Drong ’t licht ook door tot Adams diepe sponde.
Hij sloeg de blik verwonderd in het ronde,
Zag Hem aan ’t kruishout worstlen met de dood,
En wendde ontzet het oog, van tranen rood,
En vroeg: wie toch daar bloedde uit wond bij wonde?

Hij hoorde ’t, en, van kille schrik bevangen,
Rukt hij zich ’t haar, door de eeuwen wit gebleekt,
Uit hoofd en baard, ontvleest de volle wangen
En jammert luid, daar hij tot Eva spreekt:
„Ziet gij de Heer daar ginds aan ’t vloekhout hangen?
Ik heb door u Hem voor die dood gekweekt!”

Naar Manzoni

schrijver

Geschreven door Dora om 22:50 Reageer op dit bericht

voorbereiding

Een gedicht van Willem de Merode 1835-1915

Voorbereiding

Hun harten voelden zij als boeken
in Gods geduchte hand gelegd,
en wisten dat Hij al hun slecht
gedrag gerecht zou onderzoeken.

Zij lazen bang en hunkrend mee,
en zagen wat zijn vingers wezen.
Was er niets goeds? Hun schaamte en vrezen
groeiden tot een verschroeiend wee.

God had de boeken dichtgedaan,
en zou het grote vonnis spreken.
Toen dorst hun stem de stilte breken:
O Here Jezus, neem ons aan!

En ’t bonzend hart, dat ze in zich vonden,
was vlekkeloos en zonder zonden.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:30 Reageer op dit bericht

waar

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Waar twee zich kussen

Waar twee zich kussen voor de eerste maal,
zweeft lang op dat plekje als een hemelstraal;
lang geurt daar het mos; zwoel aêmt er de lucht,
wen ieder twijgje als van weelde zucht.
En de boom schiet vroeger in bot en blad,
of een zomerse regen geregend had;
luid schalt door de lovers der voog'len lied
alsof 't feestdag ware, - en dat is 't toch niet!
En, ware ook de zon al bij 't ondergaan,
de aard lacht, als waar' ze nauw opgestaan!
Zelfs, nadert een moeder, - die houdt, als verrukt,
veel warmer op 't herte de zuig'ling gedrukt...
Want alles wordt ziel, één licht, één straal,
waar twee zich kussen voor de eerste maal.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

Een gedicht van P.A. de Genestet 1829-1861

  

ROUWBEKLAG

God heeft u zwaar beproefd! – Ik weet
Eén troostgrond maar: dat Hij het deed.

1859

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

hartje

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Hartje zonder zorg.

'Tòbben komt altoos te vroeg:
Zoudt ge vrezen, zoudt ge zorgen?
Och, dat redt en schikt zich mòrgen;
Morgen is het tijds genoeg!
Wat ge zegt, of niet en zegt,
Mòrgen komt dat ding terecht!'

Hartje! hebt ge wel bedacht,
Hoe dat àl te los betrouwen
Menig bitter deed berouwen,
Wat hij uitstelde over nacht;
En dat de ingeslapen daad
's Morgens meest niet op en staat?

Enkel, wie, met rein gemoed
En met kinderlijk vertrouwen,
Wèl op Hoger zorg blijft bouwen,
Maar toch Zelf zijn best hier doet,
Mag (bleef wat onafgedaan)
't Morgen rustig tegengaan.

Niet te weinig, niet te veel;
Niet te tòbben, maar te zorgen;
Wat ge héden moogt, niet mòrgen...
Zie, dàt is het beste deel:
Denk - mijn Hartje zonder zorg,
Morgen is een slechte borg!

Al de volksdichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Johannes van Vollenhoven 1631-1708

AAN KATHARINA ROZEBOOM, WEDUWE GOEDHALS

O bloem der vrouwen, die gelijk een rozenboom
Vol geurs Den Haag versiert, ons Statenhof, vol hoven;
Met schoonheid overstort, met geest en gunst van boven,
Als met een frisse dauw of milde regenstroom:
Uw afzijn baart mij pijn, ’t zij dat ik wake of droom;
Toch zal uw minzaam beeld geenszins mijn hart beroven.
Daar stookt uw deugt een vier, door jaar noch tijd te doven,
Daar heet ik u eerlang en altijd wellekoom.

Want bijzijn helpt hier minst naar ’t lichaam, ’t minste deel.
Mijn hope en wens is staâg: och, paarden wij geheel!
En vlocht onscheidbre min, een zachte en vaste keten,
Twee harten, eensgezind, twee zielen hecht aaneen!
Dan mocht om zulk een prijs en rozenkrans alleen
Mijn hof en naam vol vreugds, vol vruchts, vol zegens heten.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:04 Reageer op dit bericht

als

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

  

Als november is gekomen...

Rondeel.


Als november is gekomen
En de regentijd breekt aan,
Als de bomen in de laan,
- Ach, de bladerloze bomen! -

Om de glorie, hun ontnomen,
In de mist te schreien staan,
Als november is gekomen,
En de takken traan op traan

Op de vochte grond doen stromen,
Waar de bladerkens vergaan
Na hun goude' oktoberdromen
En hun korte vrijheidswaan -
Als november is gekomen...

Laatste verzen (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

zee

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

De zee was die dag

De zee was die dag een wonder
Van blauwe eindeloosheid onder
Het luchtedak van kristallijn,
Onder de hemeltuin vol zonneschijn.

Wij zaten aan de zanddrempel
Van de lichte hemeltempel;
Wat verre schepen soms voeren
Langs de zeevloeren.

De zee zong uit blauwe monde
Heel die dag vreugdekonde:
Het was alles zo licht en blijde,
Wat de zee zeide....

Daar was als een teer-wit begeren,
Dat één ogenblik mocht keren
Kinderreinheid herboren
Uit jonge tijd verloren....

De zee zong uit blauwe monde
Heel die dag vreugdekonde:
Het was alles zo licht en blijde,
Wat de zee zeide.

Wij zaten aan de zanddrempel
Van de lichte hemeltempel;
Wat verre schepen soms voeren
Langs de zeevloeren.

De zee was die dag een wonder
Van blauwe eindeloosheid onder
Het luchtedak van kristallijn,
Onder de hemeltuin vol zonneschijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

Vlaanderen

Een gedicht van Willem Gijsels 1875-1945

 

Vlaanderen

't Zijn weiden als wiegende zeeën,
Die groenen langs stroom en rivier.
Hier, vredige dorpkens daar steeên,
Die rijzen met torens vol zwier,
't Zijn welige velden en wouden,
Of vlakten der heide vol rust.
O 'k wil in mijn harte behouden
Die schoonheid, mijn opperste lust.

Voor Vlaanderen, Vlaanderen,
Trille mijn harte vol geestdrift en vuur.
Mijn land is het land van de stille,
De vreedzame brede natuur.

Uit beelden en doeken en zangen,
Uit al wat een kunstenaar schiep,
Straalt gij als met tover omhangen,
Zo innig gevoeld en zo diep.
Gij spiegelt de aard uwer kindren,
Gij vindt in hun werken u weer.
Hoe zou mijne liefde vermindren,
U minnen wil ik meer en meer!

Voor Vlaanderen, Vlaanderen,
Trille mijn harte vol geestdrift en vuur.
Mijn land is het land van de stille,
De vreedzame brede natuur.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

bloemeke

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Schuldeloos blommeke lief

Schuldeloos blommeke lief,
dat op mijne weg ik ontmoete,
laat mij een stonde bij u
toch, laat mij een stondeke staan!

Schuldeloos blommeke lief,
zou immer een mens op u treden,
u, die God zelve gepeisd,
geschapen heeft ende gemaakt?

Hij was uw schepper, Hij dacht,
Hij schikte uwe blaarkes, Hij woef die
blinkende krans om uw hoofd,
Hij miek u, mijn blommeke lief.

Hij nam het licht van de zon,
een strale uit heur blinkende stralen,
smeltende viel zij voor u
en kleurde uwe lachende mond.

Hij gaf u 't lekende zoet
dat aamt om uw geurige lippen,
zaligend al die u naakt:
of was het een ander als Hij?

God, hoe is 't minste van al
't oneindige werk uwer handen,
God, hoe is 't minste van al
toch wonderlijk, voor die U kent!

Schuldeloos blommeke lief,
van al dat gij blomme mocht wezen
'n was er geen stonde, geen een,
dat God u niet geren en zag!

Hét weet alleen dienen God,
die alles bemint, te mishagen,
't mensdom alleen, dat Hij meer
als al dat Hij minde bemint.

Plukkende zeid hij u: ‘Dient
mij, prachtige blomme...’ gij welktet
en, op zijn schuldige hoofd
gestorven, en diendet g'hem niet.

Schuldeloos blommeke lief,
dat op mijne weg ik ontmoete,
laat mij een stonde bij u
nog... laat mij een stondeke staan.


1855

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

voor-val

 Een gedicht van Wilhelm G. van Focquenbroch 1640=1670

Voor-val

De goede Amyntas zat laatst bij zijn Clorimene,
Geheel verrukt van ziel en zin,
En puur als spraakloos door zijn min,
Sloeg hij geen taal, dan door zijn stenen.

Doch juist, wanneer zijn lief hem d'oorzaak hiervan vroeg,
Zo springt bij ongeval zijn poort op;
En nam (zo 't schijnt) voor hem het woord op,
En sprak wat vuil, doch luid genoeg.

Wel fy, wat beestigheid! (riep hierop deze schone)
Maar hij, terwijl het was geschied,
Riep, ach, mijn ziel! verstoor u niet:

Hoe kan mijn vlam zich klaarder tonen?
Nadien ik, als de lauwerier,
Vast kraak in ‘t midden van mijn vier.

----------------------------------------
stenen – zuchten
Zo springt bij ongeval zijn poort op - laat hij per ongeluk een wind
fij – foei
terwijl – omdat
mijn ziel!  - mijn lief!
Vlam – liefdesvlam
Nadien – Aangezien
Vast – hevig
kraken  - knetteren
vier – (liefdes)vuur

Alle de werken van Willem Godschalck van Focquenbroch. Herdruk 1723 (1709)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

Michel-Angelo

Een gedicht van J.J.L. Ten Kate 1819-1889

Michel-Angelo

Wat deed dat fris gelaat, dat hoge voorhoofd slinken,
Gij schepper met paneel, en lier en marmersteen?
Geen traan vloeide immer langs uw bleke trekken heen;
Als Dante deed u nooit een glimlach de ogen blinken.

Ach, al te zwaar een melk deed u de Muze drinken!
Uw liefde voor de Kunst, zij vergde uw hart alleen,
En zonder ooit een bruid vermoeid in d’arm te zinken,
Zag zij u zestig jaar ‘t driedubbel pad betreên.

’t Was al uw aards geluk, uw innigst zielsverrukken,
Een hemelse gedachte in ‘t marmer af te drukken,
Te ontzetten door uw kracht, beeld van Gods majesteit.

Ook, toen gij eindelijk uw avondzon zag tanen,
Stierf ge, als een oude leeuw met zilverblanke manen,
Een lange dood, vol roem en levensbitterheid.

1861

schrijver

Geschreven door Dora om 18:05 Reageer op dit bericht

grof

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Ik ben wat grof.

Ik ben wat grof en ongeslepen,
ik spreek het Vlaamse hert rechtuit,
ik ken ook gene Franse knepen,
waarmee men hier de burgers snuit.
Nochtans de blijdschap is mijn leven;
en waar men zingt een vrolijk lied,
daar durft mijn zang ook medestreven,
daar zwijg ik niet.

En spreek ik tot de lieve schonen,
ik zwem in genen frasenvloed,
om al de liefde te betonen
die vurig gloeit in mijn gemoed.
Een' spreuk, die moeder honderdmalen
mij zei, toen zij was welgezind,
die kom ik aan mijn meid herhalen:
ik min u kind.

En vele heerkens heb ik tegen
omdat ik spreek de moedertaal,
en juffers, in 't korset geregen,
die vinden dit zo stijf en kaal.
Maar, och! wat kan mij dit verschillen,
'k ben liever stijf en ongetooid,
dan dat gestaag voor vreemde grillen
mijn rugge plooit.

Zij kruipen dus die willen kruipen,
en volgen zo de vuile slek,
die ook durft in de bloemgaard sluipen
en alles smeurt met vlek op vlek.
Doch daarom mag men niet mishopen:
eens blinkt voor Vlaandren 't morgenrood,
en komt de slek dan uitgekropen,
men trapt ze dood.

Welaan, wees moedig, Vlaamse kerels,
en heb met mij maar steeds plezier!
Wees moedig, meisjes, Vlaamse perels,
Zo glinsterend zoet van liefdevier!
Moed in de vreugde en moed in 't minnen.
moed in de deugd, moed in 't gevecht,
en help mij om de strijd te winnen
voor eer en recht.

Gedichten 1861-62  (1863)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

NACHT

O nevelnacht, waarin geen sterren stralen!
O diepe, doffe stilte dezer stonde!
Geen klokkentoon, die plechtig 't uur verkonde,
Niets hoor ik, dan mijn eigen ademhalen.

't Waar zoet voor mij, de in 's levensstrijd gewonde,
In 't rustig rijk der dromen rond te dwalen.
Dan, ach! ik voel de fantasie mij falen,
Die vaak mij leidde, opdat ik vreugde vonde.

Doodsbleek en roerloos lig ik op mijn leger.
Zijn 't klamme vingers, die mijn keel omknellen?
Zwaar hijgt mijn borst; angst verft mijn wangen veger.

God!… help mij, God, de Boze neer te vellen!
- Geen antwoord… Niets dan 't kloppen van mijn slapen! 
God! mensen lijden en uwe englen slapen!

Sonnetten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:16 Reageer op dit bericht

geneurte

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Geneurie.

Ik zoek in oude legenden,
Ik speur in wiegendruk
Naar beelden voor mijn ellenden
En 't kleed van mijn geluk.

Want als de dichters wenen
Moet glanzen paarlenschijn,
En lachjes willen ze er gene
Die niet van zilver zijn.

Wat mag zo heerlijk blinken
Als eêlsteen en brokaat,
En wat kan heller klinken
Dan schild waar 't zwaard op slaat?

Dus zoek ik in oude legenden
En grauwe wiegendruk
Naar beelden voor mijn ellenden
En 't kleed van mijn geluk.

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

stil zijn

Een gedicht van Hanriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten:

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten:
't geheim der sterken school altijd daarin,
dat zij zich instelden op lange drachte' en
intoomden d' ongestuime dadenzin.

Niet 't wachten der praatgragen zij het onze,
die, sprekend aldoor over wat zal zijn,
intussen inslurpen als grage sponzen,
met lijf en ziel de hete levenswijn,

maar 't dadenrijke wachten van wie maken
wachtend, zichzelven èn het levensveld
anders, wie niet uitstellen het ontwaken
tot een bazuinroep door de heuvlen zwelt.

Zij voor wie alle dage' en alle uren
de eeuwigheid breekt door de tijd
en die houden aldóór bij de kampvuren
zwijgende wacht, te gaan bereid.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

wapen

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Amsterdams wapen 1841

II

Vergeefs smeekte ik het af, - beklaaglijk tijdverlies!
Van Vijfde Karels komst tot Tweede Willems hulde!
't Was of mijn rijkdom nooit zo nut ene uitgaaf duldde;
't Was of een boze geest in al de ontwerpen blies!

't Bleef uit, schoon 't Voorgeslacht in d' oude Doelen smulde;
't Bleef uit, schoon 't honderdmaal gediend werd van advies;
Ofschoon de geest des tijds van koen verkeerde in kies;
Ofschoon Napoleon mijn wens bijna vervulde.

'k Hoop in mijn wanhoop nog: de Raad beraadslaagt weer!
Een wedstrijd van vernuft stemt in met mijn verlangen;
'k Belove aan wie 't mij brengt ene onvergank'lijke eer:

Drie waterleidingen, - drie onderaardse gangen, -
Drie putten, wat men kieze, - ach! wist ik al wanneer! -
Zij zullen in mijn schild de kruisentrits vervangen!



1841.

De werken. Deel 9. Poëzy 1832-1868

schrijver

Geschreven door Dora om 11:32 Reageer op dit bericht

geur

Geen dichter bekend

O God, ik heb de geur der vlieren om me henen

O God, ik heb de geur der vlieren om me henen,
en mijn hart - God, gij kent zijn lijden, en Ge weet
hoe vaak het, schoon gelate', in pijn zijn dagen leed -,
is als een appel-boom, met pralend licht omschenen,
die blij zijn branken breidt, waar roze en blank verenen
hun perel-kleuren in 't teer weemlend bloemen-kleed...
Zo is mijn vrucht-zwaar hart een vreugde-boom, en breed
is om zijn kruin de vlieren-geur'ge dag verschenen.

O God, die glanzend thans van aangezichte zijt
bij deze zomer-dag vol rechte honig-geuren;

Gij, die Uw rijke hand ter zegeninge breidt
en mij naar 't hel gelaat des zomers 't hoofd liet beuren,

- o God, maak mijne dage' éen dag als dezen, wijd
gelijk een groot paleis met zonnig-open deuren...




  1899

Verzen van 1899 - 1914

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

doodsangst

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Doodsangst

Laat ik u kussen en u nogmaals kussen.
Geeft u liefde voor mijne liefde weder,
Wat baat het ons: eens zal de doodwind blussen
Uw vlam en mijne vlam, en wij zinken neder.

Kwatrijnen

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten