
Een gedicht van P.A. de Genestet 1829-1861
ROUWBEKLAG
God heeft u zwaar beproefd! – Ik weet
Eén troostgrond maar: dat Hij het deed.
1859



Een gedicht van P.A. de Genestet 1829-1861
God heeft u zwaar beproefd! – Ik weet
Eén troostgrond maar: dat Hij het deed.
1859

hartje
Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876
'Tòbben komt altoos te vroeg:
Zoudt ge vrezen, zoudt ge zorgen?
Och, dat redt en schikt zich mòrgen;
Morgen is het tijds genoeg!
Wat ge zegt, of niet en zegt,
Mòrgen komt dat ding terecht!'
Hartje! hebt ge wel bedacht,
Hoe dat àl te los betrouwen
Menig bitter deed berouwen,
Wat hij uitstelde over nacht;
En dat de ingeslapen daad
's Morgens meest niet op en staat?
Enkel, wie, met rein gemoed
En met kinderlijk vertrouwen,
Wèl op Hoger zorg blijft bouwen,
Maar toch Zelf zijn best hier doet,
Mag (bleef wat onafgedaan)
't Morgen rustig tegengaan.
Niet te weinig, niet te veel;
Niet te tòbben, maar te zorgen;
Wat ge héden moogt, niet mòrgen...
Zie, dàt is het beste deel:
Denk - mijn Hartje zonder zorg,
Morgen is een slechte borg!
Al de volksdichten

aan
Een gedicht van Johannes van Vollenhoven 1631-1708
O bloem der vrouwen, die gelijk een rozenboom
Vol geurs Den Haag versiert, ons Statenhof, vol hoven;
Met schoonheid overstort, met geest en gunst van boven,
Als met een frisse dauw of milde regenstroom:
Uw afzijn baart mij pijn, ’t zij dat ik wake of droom;
Toch zal uw minzaam beeld geenszins mijn hart beroven.
Daar stookt uw deugt een vier, door jaar noch tijd te doven,
Daar heet ik u eerlang en altijd wellekoom.
Want bijzijn helpt hier minst naar ’t lichaam, ’t minste deel.
Mijn hope en wens is staâg: och, paarden wij geheel!
En vlocht onscheidbre min, een zachte en vaste keten,
Twee harten, eensgezind, twee zielen hecht aaneen!
Dan mocht om zulk een prijs en rozenkrans alleen
Mijn hof en naam vol vreugds, vol vruchts, vol zegens heten.

als
Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922
Rondeel.
Als november is gekomen
En de regentijd breekt aan,
Als de bomen in de laan,
- Ach, de bladerloze bomen! -
Om de glorie, hun ontnomen,
In de mist te schreien staan,
Als november is gekomen,
En de takken traan op traan
Op de vochte grond doen stromen,
Waar de bladerkens vergaan
Na hun goude' oktoberdromen
En hun korte vrijheidswaan -
Als november is gekomen...
Laatste verzen (1923)

zee
Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943
De zee was die dag een wonder
Van blauwe eindeloosheid onder
Het luchtedak van kristallijn,
Onder de hemeltuin vol zonneschijn.
Wij zaten aan de zanddrempel
Van de lichte hemeltempel;
Wat verre schepen soms voeren
Langs de zeevloeren.
De zee zong uit blauwe monde
Heel die dag vreugdekonde:
Het was alles zo licht en blijde,
Wat de zee zeide....
Daar was als een teer-wit begeren,
Dat één ogenblik mocht keren
Kinderreinheid herboren
Uit jonge tijd verloren....
De zee zong uit blauwe monde
Heel die dag vreugdekonde:
Het was alles zo licht en blijde,
Wat de zee zeide.
Wij zaten aan de zanddrempel
Van de lichte hemeltempel;
Wat verre schepen soms voeren
Langs de zeevloeren.
De zee was die dag een wonder
Van blauwe eindeloosheid onder
Het luchtedak van kristallijn,
Onder de hemeltuin vol zonneschijn.

Vlaanderen
Een gedicht van Willem Gijsels 1875-1945
't Zijn weiden als wiegende zeeën,
Die groenen langs stroom en rivier.
Hier, vredige dorpkens daar steeên,
Die rijzen met torens vol zwier,
't Zijn welige velden en wouden,
Of vlakten der heide vol rust.
O 'k wil in mijn harte behouden
Die schoonheid, mijn opperste lust.
Voor Vlaanderen, Vlaanderen,
Trille mijn harte vol geestdrift en vuur.
Mijn land is het land van de stille,
De vreedzame brede natuur.
Uit beelden en doeken en zangen,
Uit al wat een kunstenaar schiep,
Straalt gij als met tover omhangen,
Zo innig gevoeld en zo diep.
Gij spiegelt de aard uwer kindren,
Gij vindt in hun werken u weer.
Hoe zou mijne liefde vermindren,
U minnen wil ik meer en meer!
Voor Vlaanderen, Vlaanderen,
Trille mijn harte vol geestdrift en vuur.
Mijn land is het land van de stille,
De vreedzame brede natuur.

bloemeke
Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Schuldeloos blommeke lief,
dat op mijne weg ik ontmoete,
laat mij een stonde bij u
toch, laat mij een stondeke staan!
Schuldeloos blommeke lief,
zou immer een mens op u treden,
u, die God zelve gepeisd,
geschapen heeft ende gemaakt?
Hij was uw schepper, Hij dacht,
Hij schikte uwe blaarkes, Hij woef die
blinkende krans om uw hoofd,
Hij miek u, mijn blommeke lief.
Hij nam het licht van de zon,
een strale uit heur blinkende stralen,
smeltende viel zij voor u
en kleurde uwe lachende mond.
Hij gaf u 't lekende zoet
dat aamt om uw geurige lippen,
zaligend al die u naakt:
of was het een ander als Hij?
God, hoe is 't minste van al
't oneindige werk uwer handen,
God, hoe is 't minste van al
toch wonderlijk, voor die U kent!
Schuldeloos blommeke lief,
van al dat gij blomme mocht wezen
'n was er geen stonde, geen een,
dat God u niet geren en zag!
Hét weet alleen dienen God,
die alles bemint, te mishagen,
't mensdom alleen, dat Hij meer
als al dat Hij minde bemint.
Plukkende zeid hij u: ‘Dient
mij, prachtige blomme...’ gij welktet
en, op zijn schuldige hoofd
gestorven, en diendet g'hem niet.
Schuldeloos blommeke lief,
dat op mijne weg ik ontmoete,
laat mij een stonde bij u
nog... laat mij een stondeke staan.
1855

voor-val
Een gedicht van Wilhelm G. van Focquenbroch 1640=1670
De goede Amyntas zat laatst bij zijn Clorimene,
Geheel verrukt van ziel en zin,
En puur als spraakloos door zijn min,
Sloeg hij geen taal, dan door zijn stenen.
Doch juist, wanneer zijn lief hem d'oorzaak hiervan vroeg,
Zo springt bij ongeval zijn poort op;
En nam (zo 't schijnt) voor hem het woord op,
En sprak wat vuil, doch luid genoeg.
Wel fy, wat beestigheid! (riep hierop deze schone)
Maar hij, terwijl het was geschied,
Riep, ach, mijn ziel! verstoor u niet:
Hoe kan mijn vlam zich klaarder tonen?
Nadien ik, als de lauwerier,
Vast kraak in ‘t midden van mijn vier.
----------------------------------------
stenen – zuchten
Zo springt bij ongeval zijn poort op - laat hij per ongeluk een wind
fij – foei
terwijl – omdat
mijn ziel! - mijn lief!
Vlam – liefdesvlam
Nadien – Aangezien
Vast – hevig
kraken - knetteren
vier – (liefdes)vuur
Alle de werken van Willem Godschalck van Focquenbroch. Herdruk 1723 (1709)

Michel-Angelo
Een gedicht van J.J.L. Ten Kate 1819-1889
Wat deed dat fris gelaat, dat hoge voorhoofd slinken,
Gij schepper met paneel, en lier en marmersteen?
Geen traan vloeide immer langs uw bleke trekken heen;
Als Dante deed u nooit een glimlach de ogen blinken.
Ach, al te zwaar een melk deed u de Muze drinken!
Uw liefde voor de Kunst, zij vergde uw hart alleen,
En zonder ooit een bruid vermoeid in d’arm te zinken,
Zag zij u zestig jaar ‘t driedubbel pad betreên.
’t Was al uw aards geluk, uw innigst zielsverrukken,
Een hemelse gedachte in ‘t marmer af te drukken,
Te ontzetten door uw kracht, beeld van Gods majesteit.
Ook, toen gij eindelijk uw avondzon zag tanen,
Stierf ge, als een oude leeuw met zilverblanke manen,
Een lange dood, vol roem en levensbitterheid.
1861

grof
Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899
Ik ben wat grof en ongeslepen,
ik spreek het Vlaamse hert rechtuit,
ik ken ook gene Franse knepen,
waarmee men hier de burgers snuit.
Nochtans de blijdschap is mijn leven;
en waar men zingt een vrolijk lied,
daar durft mijn zang ook medestreven,
daar zwijg ik niet.
En spreek ik tot de lieve schonen,
ik zwem in genen frasenvloed,
om al de liefde te betonen
die vurig gloeit in mijn gemoed.
Een' spreuk, die moeder honderdmalen
mij zei, toen zij was welgezind,
die kom ik aan mijn meid herhalen:
ik min u kind.
En vele heerkens heb ik tegen
omdat ik spreek de moedertaal,
en juffers, in 't korset geregen,
die vinden dit zo stijf en kaal.
Maar, och! wat kan mij dit verschillen,
'k ben liever stijf en ongetooid,
dan dat gestaag voor vreemde grillen
mijn rugge plooit.
Zij kruipen dus die willen kruipen,
en volgen zo de vuile slek,
die ook durft in de bloemgaard sluipen
en alles smeurt met vlek op vlek.
Doch daarom mag men niet mishopen:
eens blinkt voor Vlaandren 't morgenrood,
en komt de slek dan uitgekropen,
men trapt ze dood.
Welaan, wees moedig, Vlaamse kerels,
en heb met mij maar steeds plezier!
Wees moedig, meisjes, Vlaamse perels,
Zo glinsterend zoet van liefdevier!
Moed in de vreugde en moed in 't minnen.
moed in de deugd, moed in 't gevecht,
en help mij om de strijd te winnen
voor eer en recht.
Gedichten 1861-62 (1863)

nacht
Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941
O nevelnacht, waarin geen sterren stralen!
O diepe, doffe stilte dezer stonde!
Geen klokkentoon, die plechtig 't uur verkonde,
Niets hoor ik, dan mijn eigen ademhalen.
't Waar zoet voor mij, de in 's levensstrijd gewonde,
In 't rustig rijk der dromen rond te dwalen.
Dan, ach! ik voel de fantasie mij falen,
Die vaak mij leidde, opdat ik vreugde vonde.
Doodsbleek en roerloos lig ik op mijn leger.
Zijn 't klamme vingers, die mijn keel omknellen?
Zwaar hijgt mijn borst; angst verft mijn wangen veger.
God!… help mij, God, de Boze neer te vellen!
- Geen antwoord… Niets dan 't kloppen van mijn slapen!
God! mensen lijden en uwe englen slapen!
Sonnetten

geneurte
Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931
Ik zoek in oude legenden,
Ik speur in wiegendruk
Naar beelden voor mijn ellenden
En 't kleed van mijn geluk.
Want als de dichters wenen
Moet glanzen paarlenschijn,
En lachjes willen ze er gene
Die niet van zilver zijn.
Wat mag zo heerlijk blinken
Als eêlsteen en brokaat,
En wat kan heller klinken
Dan schild waar 't zwaard op slaat?
Dus zoek ik in oude legenden
En grauwe wiegendruk
Naar beelden voor mijn ellenden
En 't kleed van mijn geluk.
Liederen en balladen (1911)

stil zijn
Een gedicht van Hanriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952
Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten:
't geheim der sterken school altijd daarin,
dat zij zich instelden op lange drachte' en
intoomden d' ongestuime dadenzin.
Niet 't wachten der praatgragen zij het onze,
die, sprekend aldoor over wat zal zijn,
intussen inslurpen als grage sponzen,
met lijf en ziel de hete levenswijn,
maar 't dadenrijke wachten van wie maken
wachtend, zichzelven èn het levensveld
anders, wie niet uitstellen het ontwaken
tot een bazuinroep door de heuvlen zwelt.
Zij voor wie alle dage' en alle uren
de eeuwigheid breekt door de tijd
en die houden aldóór bij de kampvuren
zwijgende wacht, te gaan bereid.

wapen
II
Vergeefs smeekte ik het af, - beklaaglijk tijdverlies!
Van Vijfde Karels komst tot Tweede Willems hulde!
't Was of mijn rijkdom nooit zo nut ene uitgaaf duldde;
't Was of een boze geest in al de ontwerpen blies!
't Bleef uit, schoon 't Voorgeslacht in d' oude Doelen smulde;
't Bleef uit, schoon 't honderdmaal gediend werd van advies;
Ofschoon de geest des tijds van koen verkeerde in kies;
Ofschoon Napoleon mijn wens bijna vervulde.
'k Hoop in mijn wanhoop nog: de Raad beraadslaagt weer!
Een wedstrijd van vernuft stemt in met mijn verlangen;
'k Belove aan wie 't mij brengt ene onvergank'lijke eer:
Drie waterleidingen, - drie onderaardse gangen, -
Drie putten, wat men kieze, - ach! wist ik al wanneer! -
Zij zullen in mijn schild de kruisentrits vervangen!
1841.
De werken. Deel 9. Poëzy 1832-1868

geur
O God, ik heb de geur der vlieren om me henen,
en mijn hart - God, gij kent zijn lijden, en Ge weet
hoe vaak het, schoon gelate', in pijn zijn dagen leed -,
is als een appel-boom, met pralend licht omschenen,
die blij zijn branken breidt, waar roze en blank verenen
hun perel-kleuren in 't teer weemlend bloemen-kleed...
Zo is mijn vrucht-zwaar hart een vreugde-boom, en breed
is om zijn kruin de vlieren-geur'ge dag verschenen.
O God, die glanzend thans van aangezichte zijt
bij deze zomer-dag vol rechte honig-geuren;
Gij, die Uw rijke hand ter zegeninge breidt
en mij naar 't hel gelaat des zomers 't hoofd liet beuren,
- o God, maak mijne dage' éen dag als dezen, wijd
gelijk een groot paleis met zonnig-open deuren...
1899
Verzen van 1899 - 1914
doodsangst
Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
Laat ik u kussen en u nogmaals kussen.
Geeft u liefde voor mijne liefde weder,
Wat baat het ons: eens zal de doodwind blussen
Uw vlam en mijne vlam, en wij zinken neder.
Kwatrijnen

in memoriam
Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
‘In Memoriam’
Verdoemd!
Allen zijn klein.
Geen is er groot.
Beter weg in de dood
Dan verdoemd met het kleine te zijn.

nooit
Een gedicht van Jan van der Noot 1539-1595
Nooit en is uw minlijk wezen geweken
Uit mijn verstand, maar zie altijds present
Uw wezen zoet, uw schoonheid excellent,
Uw aanschijn klaar, ende de zoete treken
Uwer oogskens, die machtig zijn te breken
De straffigheid van een hert, dat gewend
Tot kwade is, en in wreedheid verblend,
Doende ’t zelfde vierige tranen leken.
Uw zuiver haar, zweer ik u op mijn trouwe,
Dunkt mij gemengd te zijn met draâkens van gouwe.
Uw wijnbrauwkens zijn boogskens van hebenen:
De mond koraal, de borst’kens van albaste,
De tanden van ivoor als de gepaste,
Ermkens massief, en wel gemaakte schenen.

getrouwheid
Een gedicht van Lucas Pater 1701-1787
GETROUWHEID! dierbre schat! standvaste, onkreukbre Maagd!
Elk roemt uw waarde, schoon bedrog en krijg u haten.
Gij stond zelfs heidnen bij in onderdrukte staten.
Ach! waart gij nimmer door het Christendom verjaagd!
Nooit trok ge, in hoge nood om onderstand gevraagd,
Met loden schoenen voort; nooit hebt ge uw Vriend verlaten.
Gij zijt de steun des lands, de band der onderzaten.
De rampspoed juicht in 't leed, als gij hem onderschraagt.
O zuil van 't echtgebouw! o schoonheid, nooit volprezen!
De vriendschap spiegelt zich in uw aanminnig wezen.
Beproeft men 't goud door 't vuur, gij wordt beproefd door 't goud.
Uw invloed doet een volk op alle welvaart hopen:
Voor u, die 't heilverbond met uw Verlosser houdt,
Springt zelfs, op 't eind des strijds, de poort des hemels open.
1750

gogol
Een gedicht van Richard Minne 1891-1965
Ik lees Gogol. Hij is groot.
Hij spreekt van liefde en dood,
en dat mensen klein zijn
en voor elkaar venijn zijn
en dat, trots van alles, dit leven
nog hoog staat aangeschreven.
Illustratie: Ik lees Gogol
