Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

getrouwheid

Een gedicht van Lucas Pater 1701-1787

OP DE GETROUWHEID

GETROUWHEID! dierbre schat! standvaste, onkreukbre Maagd!
Elk roemt uw waarde, schoon bedrog en krijg u haten.
Gij stond zelfs heidnen bij in onderdrukte staten.
Ach! waart gij nimmer door het Christendom verjaagd!
Nooit trok ge, in hoge nood om onderstand gevraagd,
Met loden schoenen voort; nooit hebt ge uw Vriend verlaten.
Gij zijt de steun des lands, de band der onderzaten.
De rampspoed juicht in 't leed, als gij hem onderschraagt.

O zuil van 't echtgebouw! o schoonheid, nooit volprezen!
De vriendschap spiegelt zich in uw aanminnig wezen.
Beproeft men 't goud door 't vuur, gij wordt beproefd door 't goud.
Uw invloed doet een volk op alle welvaart hopen:
Voor u, die 't heilverbond met uw Verlosser houdt,
Springt zelfs, op 't eind des strijds, de poort des hemels open.

1750

schrijver

Geschreven door Dora om 19:36 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

gogol

Een gedicht van Richard Minne 1891-1965

GOGOL

Ik lees Gogol. Hij is groot.
Hij spreekt van liefde en dood,
en dat mensen klein zijn
en voor elkaar venijn zijn
en dat, trots van alles, dit leven
nog hoog staat aangeschreven.

Illustratie: Ik lees Gogol

schrijver

Geschreven door Dora om 23:10 Reageer op dit bericht

liefdesverklaring

Een gedicht van Jopie Breemer 1875-1857

Liefdesverklaring

Hoe schoon zijn uwe voeten
Wat zijn uw schoenen duur
Wanneer mag ‘k u ontmoeten?
Mijn liefde is zeer puur.

Gij zijt niet overbodig
Gij hebt zelfs voor uw neus
Niet eens een zakdoek nodig
Zo schoon is deze, heus.

Uw oren met z’n beiden
Staan aan de buitenkant
Die kunnen mij verleiden
Te vragen om uw hand.

Gij hebt een braaf karakter
Gij kookt bijzonder goed
Geen in den lande bakt er
Een koek die zo erg voedt!

Want na een heel klein brokje
Ter grootte van een knop
(Zeg nu maar niet: `dat jok je’)
Dan kan ik niets meer op.

Uw kleren staan u keurig
Al zijt ge nog zo bleek
Des zondags zijt gij geurig
En soms zelfs in de week!

Nu wild’ ik U vertellen
Mijn liefde, o zo groot
En uw gekamde haren
Bemin ik tot de dood.

Stap mee met mij in ’t bootje
In ’t bootje van de min
Dan krijgt g’ een botervlootje!
Of hebt ge soms geen zin?

Ik ben niet rijk te noemen,
Toch heb ik ietwat geld
Ik durf er niet op roemen
Want ‘k heb het pas geteld.

We kunnen er van leven
Wel veertien dagen lang
En dan… al sta ‘k te beven
Ik ben volstrekt niet bang.

Ik zal mijn best doen Dame,
Dat gij er komen kunt,
Ook zonder U te schame’
Of dat ’t U erg verdunt.

Wilt gij mijn hand aanvaardde’
Stuur dan een briefkaart hier
Ik wacht dus af, mijn waarde
Gegroet, ook van mijn lier!

De ontboezemingsbundel

Geschreven door Dora om 22:21 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

 Regen

De bui is afgedreven;
aan de gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van de regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht.

En al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van mensen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs de weg, de oude bomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

de stille nacht

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

De stille nacht

De nacht is stil. Zo wijd als mijn oog ziet
Hangt aan de lucht nu geen bloeiende schijn
Van een Stad. Oovral rust. De sterren zijn
Rondom de maan roerloos. Zij tinklen niet.

Dit is de vrede, die ik zocht. Nooit vond
Ik vrede in u. En nu haat ik u, Stad,
Teedre stad, wrede stad. Ik haat de schat
Van al uw lust, die harten drijft en wondt.

Oceaan, Oceaan, vóór ons duinhuis
Vallen uw golven uit met licht gedruis.
Zonder schuim, zonder wind, want het is zomer.

Ik, die de Stad ziek ontweek, hoor uw Zang
Eindloze Zee, de stille vóórnacht lang
En ‘k ben gelukkig. Mijn lied herleeft schoner.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

schepen

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

De schepen

Ik hoor vanavond verre schepen fluiten
En, even hopend, schoon ik niets verwacht,
Druk ik mijn hoofd tegen de kille ruiten
En zie de haven in de blauwe nacht.

Vertrouwd geluid, ik hoorde u reeds als kind,
Soms midden in de nacht, maar meestal tegen
De avond bij het opgaan van de wind,
Als moeder zei: 'wij krijgen zeker regen'.

Toen dacht ik reeds aan dezen die vertrekken
Ver van het huis en het misprezen land,
De begenadigden, de zachte gekken
Die zullen zoeken naar een vaderland.

En in mijn dromen voer ik met hen mee.
Ofschoon geboren in een buurt der haven,
Bereikte ik nooit de oever van de zee,
Laat staan Tananarive of Tamatave.

Het kind dat aan zijn lot nooit gans kon wennen
En door de droom nog voortleeft in de man,
Weet nu dat een klein stukje heide en dennen
Alles bevat wat de aarde geven kan.

Maar soms, al ben ik bitter en gehard
Door 't leven, overstroomt een niet te stuiten
Vloed van verlangens mijn onwillig hart
Als in de nacht de verre schepen fluiten.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

menselijkheid

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

Menselijkheid

Ik, die mij somtijds klein voel in dit grote Leven
dier duizend zonnen, boven dees mijn doodgaand hoofd,
en moedloos dwaal omdat ik hier als mens moet leven
en mij geen hoger doel van wezen schijnt beloofd....

- Kan plotseling zoals een vuur omhoge klimmen
wanneer ik voel en weet, dat in mijn hert getroond,
standvastig en steeds levend zonder aardse kimmen,
vol ongekende luister Godes beeltnis woont.

Ik voel mij rijzen dan en ken noch tijd, noch dagen.
'k Ben gans allene, 'k heb noch vriend noch vijand meer...
De wereld is vergaan, en al het menslijk zeer
en blij mag nutloos van zijn tijdlijk-zijn gewagen!....

En needrig knielt het heelal voor mijn voeten neer!....
Wee! dat ik al die schoonheid in mijn vlees moet dragen!...

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Een grote dichter word ik nimmer

Een grote dichter word ik nimmer,
‘k Gevoele dit maar al te wel;
Want zing ik, ’t geldt mijn dorpje immer,
En ’t een of ander beuzelspel.

Ginds zie ik gras en biezen groenen
Langs ’t vlietje slechts in ’t dorp gekend,
Daar loop ik in mijn kinderschoenen,
En ’t dorpje schijnt me zonder end.

Ik hoef daar naar geen enkel lied te zoeken,
Daar klinken liedren overal.
De vreugde lacht uit alle hoeken,
De vreugde woelt op berg en dal.

Er ligt geen plekje op Gods aarde,
Dat mij zo lief, zo jeugdig is,
Dat mij zo veel genoegen baarde,
En zo geringe droefenis.

En daarom zal geen lied mij lukken,
Wanneer ik niet die plaats bezing,
Waar ik als kind mocht bloemen plukken,
In ’t midden van mijn vriendenkring.

De madelieven en violen,
De vissen in de zilvervliet,
En ’t blonde meisje uit de molen,
Die werden vaak door mij bespied.

Zo zoet als ’t meisje was geen suiker,
Als zij tot mij haar stem verhief,
Als zij me dankte voor een ruiker,
En zeide: “Vriend, ik heb u lief!”

Ik lach om ’t lot en al zijn grillen
Thans nog, als ik aan d’ engel denk:
Ja, ‘k voel dan nog mijn harte trillen,
Wat euvel ook mijn lichaam krenk’.

‘k Vergeet dan zelfs mijn grijze haren,
En d’ afstand van mijn blijde jeugd,
Het bloed rolt frisser daar mijn aëren,
Als dit en dat mij weder heugt.

Een grote zanger wordt ik nimmer,
‘k Gevoele dit maar al te wel;
Want zing ik, ’t geldt mijn dorpje immer,
En ’t een of ander beuzelspel.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Herfst

En in de lucht des vochten uchtends hangen
De laatste dunne blaad'ren van het jaar,
Als in het zwarte takkennet gevangen,
Met fijne glans van kleuren naast elkaar.

Zo louterde de pracht zich van de lange
En luide lichttijd en de brede schaar
Van groengedoste bomen, tot die bange
En tere lichtkleur van het late jaar.

Die blaadren schenen mij een vreemd gezicht
Van schone zielen uit veel enge pijn
En godgelijk genot alhaast gevlucht.

Hun laatste middag komt met zomerschijn
Van gouden stralen uit de hoge lucht
En drupplen tintlend in het laatste licht.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

bede

Een gedicht van Hendrik Tollen 1780-1856

Bede

Streel en deel mijn ziel en zin,
God des wijns en god der min, 
Wie ik offers wijde!
Deel me uw zoete gunsten mee
En vereen u op mijn beê
En verhoor me om strijde.
Lyeus! les mijn ingewand
Als de liefde ’t blaakt en brandt
Door ontgloeide flitsen;
Eros! Laat uw vuur mijn dorst,
Als mijn hart zwemt in mijn borst,
Vlammend weder hitsen.
Blaak en blus mij meer en meer;
Dat ik, hijgend, keer op keer,
Naar uw bijstand hake!
En gelest en weer ontgloeid,
Nauw’ van de ene gunst vermoeid,
Weder de andre smake!
Volg elkaar in snelle vaart,
Maak me elkanders bijstand waard’,
Dat ik kusse en klinke!
Dat ik roeme op nap en boog!
Bacchus! dat ik minnen moog’!
Liefde! dat ik drinke!

Minnezangen en idyllen

schrijver

Geschreven door Dora om 19:15 Reageer op dit bericht

vermaning

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Vermaning

Vriend, herzie uw jeugdgezellin:
Eens te tenger voor de extase,
Zeg, veranderde zij snel in
Een welvarende bourgeoise?

Zij liet zich leiden door de avond,
Maar niet verleiden tot liefkozen;
Gelooft gij ook, dat zij haar gade
Liefde bewijzen blijft door blozen?

Nu geeft zij feesten vol genade
En baadt zich blank, den morgen lank,
Hult zich daarna in prachtgewaden
Die spannen - is zij nu nog slank?

Zij slaapt in zwaarvergulde bedden,
Levert haar lichaam uit tot dank.
Steek 't huis in brand om haar te redden!
Neen, gij snikt liever op een bank

Of speelt in 't ijle licht van Wega
Zuiver éénsnarig op uw citer.
Zij houdt zich slapend om haar eega
Of geeft u antwoord met een gieter.

Serenade (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Wilhelm van Focquenbroch 1640-1670

Aan Klorimene

Toen ik u lestmaal, by de leliën en rozen
Zo helder pronken zag, en met zo purpren bloos,
Zo dacht mij, dat uit spijt de roos verbleekte in 't blozen,
En dat meteen uit schaamt' de lelie wierd een roos.

Zo doet uw schone verf de roos en lelie duiken,
En maakt dat in uw hof, uit hartzeer en verdriet,
De bloemen altemaal verdorren op hun struiken,
Omdat men schoonder bloem op uwe kaken ziet.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:46 Reageer op dit bericht

voor

 Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

Voor hem die al dees dagen

Voor hem die al dees dagen, zonder bate
voor zijn verdriet, zijn eigen ik ontvlood,
en langs de huizen liep met kaken rood
van drift en pijn in 't harte bovenmate;

Voor hem die, wankel, in zijn trotse nood
de moed niet vond om 't leven zelf te haten,
die beedlaars tegenkwam langs gore straten
en hun niet gaf hun luttel dagelijks brood;

Voor hem is reuk van rotte blaren zoet,
en d'avondwind een vriendelijke streling,
als 't laatste licht in sombre lucht verbloedt;

want hij, die al wat troost brengt heeft gemist,
wordt in dit uur zo liefderijk een heling:
uw nacht, oktober! en uw smoorge mist.

Naar het geluk (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

snedig

Een gedicht van Hendrik Riemsnijder 1744-1825

Snedig antwoord

Een jonge knaap zag een boerinnetje, zo fris
Als melk en rozen, op haar blote benen lopen:
‘Meid’, sprak hij, ‘'k zal u een paar and're koussen kopen,
Zodra het paar, dat gij nu draagt, versleten is.’
‘Is 't zeker waar, mijn beste maatje?’
Hernam de flukse tas. ‘Dan dient geen tijd verspild;
Ga dan maar vrij ter markt: want, als je 't weten wilt,
Van boven hebben ze al een gaatje!’

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

AAN JOHAN.

Gij ziet geen meisje,
of straks zult gij haar vleien, roemen,—
Dus mocht men u, met recht,
de a a p der juffers noemen!

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

men

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Men kàn geen vlammen als een gouden vloed

Men kàn geen vlammen als een gouden vloed
Uit éen vaas gieten in een andre vaas:
Daarbinnen branden ze en een bevend waas
Gloeit door het hulsel heen met halve gloed.

Open het nooit – het is zo schoon, en ’t moet
Zó schoon zijn, blijvend in die zelfde plaats:
Die vlam zal niemand zien: zij zal, helaas!
Zichzelf verteren, daar haar niemand voedt.

Brand niet zo luid, mijn ziel! waaróm zo luid?
Gij weet toch, dat ge alleen en stil moet zijn;
En veel begrijpen, daar me’ ú nièt verstaat;

Gloed bréngt geen gloed voort, ziel! úw gloed vergaat
Weldra, die grote, en zie, een schone schijn
Is om u, maar die ook dooft aanstonds uit.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Over alle daken

Over alle daken
bloeit mijn bleke wake;
alle sterren toe
reikt ze, strak en moe.

Baart dan alle bangen
steeds een nieuw verlangen?
Is dan alle vrees
liefdes vrouwe en wees?...

- Over alle daken
bleek-gebloede bake;
over heel de wereld heen
liefde en leed, - alleen...

Stedelijke eenzaamheid

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

arcadia

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Arcadia

Langzaam kleedt zij zich uit in het lover,
Rilt verrukt en verlangt een rover,
Denkt aan nimfen en faunen.

Nimfen die zich genotvol over-
Gaven aan faunen, naakt onder lover,
Begrijnsd door oude alraunen.

't Rimpelend water spiegelt haar week:
Met haar voetjes in de ondiepe beek
Voeren de golfjes guerrilla.

Op een steen zit haar echtgenoot,
Ziet haar spelen, ergert zich dood
En zuigt op zijn manilla.

Serenade

schrijver

  

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

encore

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

Encore

In het midden van mei, als de nachtegaals zingen
En de avondglans huwt aan de morgense schijn
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met de geur van de vroege jasmijn,

Toen hoorde ik uw lippen de woorden ontglippen:
(Ik was maar een knaap en gij waart nog een kind)
Hoe wrang is de smaak van verwinnende lippen
Zo innig het verlangen der ziel niet bemint!

En ik zag het gebed van uw hulpeloze ogen,
En ik voelde, beangstigd, de angstige klem
Van uw hande' om mijn hand, en mijn lippen bewogen,
Maar mijn machtloze wanhoop verstikte mijn stem.

Dan, uw schaamte bedwong het onstuimige hijgen
Van uw hart en de nachtwind verwaaide uw klacht,
En niets meer verstoorde 't oneindige zwijgen
Dan een zwaan die zich roerde in de roerloze gracht...

Maar nòg, op mijn hand die uw handen omvingen,
Herproeven mijn bevende lippen uw pijn,
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met de geur van de vroege jasmijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

voor

Een gedicht van Jan Hammenecker 1878-1932
Voor mijn zuster.

Als ik op haar peinze, o Jesu,
- en ik peinze op haar gedurig!
op mijn zuster Valentine,
op haar ziekte zo balsturig,
op haar heengaan zo gelaten;
Valentine, o Valentine,
lam dat leed, en niet wou blaten! -
Als ik op haar peinze, o Jesu,
die zó vroed was, zó goed was;
die zó liefhad, U zó liefhad,
ons zó liefhad; ach en zoet was,
zoet gelijk uw Harte, o Jesu! -
Als ik op haar peinze, o laat me,
laat me rouwen op uw Harte,
Meester, of de kracht ontgaat me
om te leven immer peinzend
aan mijn zuster, Valentine!...
Laat me, luisterend aan uw Harte,
weten dat zij rust daarbinnen:
in uw Harte, o goede Jesu!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten