Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

schepen

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

De schepen

Ik hoor vanavond verre schepen fluiten
En, even hopend, schoon ik niets verwacht,
Druk ik mijn hoofd tegen de kille ruiten
En zie de haven in de blauwe nacht.

Vertrouwd geluid, ik hoorde u reeds als kind,
Soms midden in de nacht, maar meestal tegen
De avond bij het opgaan van de wind,
Als moeder zei: 'wij krijgen zeker regen'.

Toen dacht ik reeds aan dezen die vertrekken
Ver van het huis en het misprezen land,
De begenadigden, de zachte gekken
Die zullen zoeken naar een vaderland.

En in mijn dromen voer ik met hen mee.
Ofschoon geboren in een buurt der haven,
Bereikte ik nooit de oever van de zee,
Laat staan Tananarive of Tamatave.

Het kind dat aan zijn lot nooit gans kon wennen
En door de droom nog voortleeft in de man,
Weet nu dat een klein stukje heide en dennen
Alles bevat wat de aarde geven kan.

Maar soms, al ben ik bitter en gehard
Door 't leven, overstroomt een niet te stuiten
Vloed van verlangens mijn onwillig hart
Als in de nacht de verre schepen fluiten.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

menselijkheid

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

Menselijkheid

Ik, die mij somtijds klein voel in dit grote Leven
dier duizend zonnen, boven dees mijn doodgaand hoofd,
en moedloos dwaal omdat ik hier als mens moet leven
en mij geen hoger doel van wezen schijnt beloofd....

- Kan plotseling zoals een vuur omhoge klimmen
wanneer ik voel en weet, dat in mijn hert getroond,
standvastig en steeds levend zonder aardse kimmen,
vol ongekende luister Godes beeltnis woont.

Ik voel mij rijzen dan en ken noch tijd, noch dagen.
'k Ben gans allene, 'k heb noch vriend noch vijand meer...
De wereld is vergaan, en al het menslijk zeer
en blij mag nutloos van zijn tijdlijk-zijn gewagen!....

En needrig knielt het heelal voor mijn voeten neer!....
Wee! dat ik al die schoonheid in mijn vlees moet dragen!...

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Een grote dichter word ik nimmer

Een grote dichter word ik nimmer,
‘k Gevoele dit maar al te wel;
Want zing ik, ’t geldt mijn dorpje immer,
En ’t een of ander beuzelspel.

Ginds zie ik gras en biezen groenen
Langs ’t vlietje slechts in ’t dorp gekend,
Daar loop ik in mijn kinderschoenen,
En ’t dorpje schijnt me zonder end.

Ik hoef daar naar geen enkel lied te zoeken,
Daar klinken liedren overal.
De vreugde lacht uit alle hoeken,
De vreugde woelt op berg en dal.

Er ligt geen plekje op Gods aarde,
Dat mij zo lief, zo jeugdig is,
Dat mij zo veel genoegen baarde,
En zo geringe droefenis.

En daarom zal geen lied mij lukken,
Wanneer ik niet die plaats bezing,
Waar ik als kind mocht bloemen plukken,
In ’t midden van mijn vriendenkring.

De madelieven en violen,
De vissen in de zilvervliet,
En ’t blonde meisje uit de molen,
Die werden vaak door mij bespied.

Zo zoet als ’t meisje was geen suiker,
Als zij tot mij haar stem verhief,
Als zij me dankte voor een ruiker,
En zeide: “Vriend, ik heb u lief!”

Ik lach om ’t lot en al zijn grillen
Thans nog, als ik aan d’ engel denk:
Ja, ‘k voel dan nog mijn harte trillen,
Wat euvel ook mijn lichaam krenk’.

‘k Vergeet dan zelfs mijn grijze haren,
En d’ afstand van mijn blijde jeugd,
Het bloed rolt frisser daar mijn aëren,
Als dit en dat mij weder heugt.

Een grote zanger wordt ik nimmer,
‘k Gevoele dit maar al te wel;
Want zing ik, ’t geldt mijn dorpje immer,
En ’t een of ander beuzelspel.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Herfst

En in de lucht des vochten uchtends hangen
De laatste dunne blaad'ren van het jaar,
Als in het zwarte takkennet gevangen,
Met fijne glans van kleuren naast elkaar.

Zo louterde de pracht zich van de lange
En luide lichttijd en de brede schaar
Van groengedoste bomen, tot die bange
En tere lichtkleur van het late jaar.

Die blaadren schenen mij een vreemd gezicht
Van schone zielen uit veel enge pijn
En godgelijk genot alhaast gevlucht.

Hun laatste middag komt met zomerschijn
Van gouden stralen uit de hoge lucht
En drupplen tintlend in het laatste licht.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

bede

Een gedicht van Hendrik Tollen 1780-1856

Bede

Streel en deel mijn ziel en zin,
God des wijns en god der min, 
Wie ik offers wijde!
Deel me uw zoete gunsten mee
En vereen u op mijn beê
En verhoor me om strijde.
Lyeus! les mijn ingewand
Als de liefde ’t blaakt en brandt
Door ontgloeide flitsen;
Eros! Laat uw vuur mijn dorst,
Als mijn hart zwemt in mijn borst,
Vlammend weder hitsen.
Blaak en blus mij meer en meer;
Dat ik, hijgend, keer op keer,
Naar uw bijstand hake!
En gelest en weer ontgloeid,
Nauw’ van de ene gunst vermoeid,
Weder de andre smake!
Volg elkaar in snelle vaart,
Maak me elkanders bijstand waard’,
Dat ik kusse en klinke!
Dat ik roeme op nap en boog!
Bacchus! dat ik minnen moog’!
Liefde! dat ik drinke!

Minnezangen en idyllen

schrijver

Geschreven door Dora om 19:15 Reageer op dit bericht

vermaning

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Vermaning

Vriend, herzie uw jeugdgezellin:
Eens te tenger voor de extase,
Zeg, veranderde zij snel in
Een welvarende bourgeoise?

Zij liet zich leiden door de avond,
Maar niet verleiden tot liefkozen;
Gelooft gij ook, dat zij haar gade
Liefde bewijzen blijft door blozen?

Nu geeft zij feesten vol genade
En baadt zich blank, den morgen lank,
Hult zich daarna in prachtgewaden
Die spannen - is zij nu nog slank?

Zij slaapt in zwaarvergulde bedden,
Levert haar lichaam uit tot dank.
Steek 't huis in brand om haar te redden!
Neen, gij snikt liever op een bank

Of speelt in 't ijle licht van Wega
Zuiver éénsnarig op uw citer.
Zij houdt zich slapend om haar eega
Of geeft u antwoord met een gieter.

Serenade (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Wilhelm van Focquenbroch 1640-1670

Aan Klorimene

Toen ik u lestmaal, by de leliën en rozen
Zo helder pronken zag, en met zo purpren bloos,
Zo dacht mij, dat uit spijt de roos verbleekte in 't blozen,
En dat meteen uit schaamt' de lelie wierd een roos.

Zo doet uw schone verf de roos en lelie duiken,
En maakt dat in uw hof, uit hartzeer en verdriet,
De bloemen altemaal verdorren op hun struiken,
Omdat men schoonder bloem op uwe kaken ziet.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:46 Reageer op dit bericht

voor

 Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

Voor hem die al dees dagen

Voor hem die al dees dagen, zonder bate
voor zijn verdriet, zijn eigen ik ontvlood,
en langs de huizen liep met kaken rood
van drift en pijn in 't harte bovenmate;

Voor hem die, wankel, in zijn trotse nood
de moed niet vond om 't leven zelf te haten,
die beedlaars tegenkwam langs gore straten
en hun niet gaf hun luttel dagelijks brood;

Voor hem is reuk van rotte blaren zoet,
en d'avondwind een vriendelijke streling,
als 't laatste licht in sombre lucht verbloedt;

want hij, die al wat troost brengt heeft gemist,
wordt in dit uur zo liefderijk een heling:
uw nacht, oktober! en uw smoorge mist.

Naar het geluk (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

snedig

Een gedicht van Hendrik Riemsnijder 1744-1825

Snedig antwoord

Een jonge knaap zag een boerinnetje, zo fris
Als melk en rozen, op haar blote benen lopen:
‘Meid’, sprak hij, ‘'k zal u een paar and're koussen kopen,
Zodra het paar, dat gij nu draagt, versleten is.’
‘Is 't zeker waar, mijn beste maatje?’
Hernam de flukse tas. ‘Dan dient geen tijd verspild;
Ga dan maar vrij ter markt: want, als je 't weten wilt,
Van boven hebben ze al een gaatje!’

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

AAN JOHAN.

Gij ziet geen meisje,
of straks zult gij haar vleien, roemen,—
Dus mocht men u, met recht,
de a a p der juffers noemen!

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

men

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Men kàn geen vlammen als een gouden vloed

Men kàn geen vlammen als een gouden vloed
Uit éen vaas gieten in een andre vaas:
Daarbinnen branden ze en een bevend waas
Gloeit door het hulsel heen met halve gloed.

Open het nooit – het is zo schoon, en ’t moet
Zó schoon zijn, blijvend in die zelfde plaats:
Die vlam zal niemand zien: zij zal, helaas!
Zichzelf verteren, daar haar niemand voedt.

Brand niet zo luid, mijn ziel! waaróm zo luid?
Gij weet toch, dat ge alleen en stil moet zijn;
En veel begrijpen, daar me’ ú nièt verstaat;

Gloed bréngt geen gloed voort, ziel! úw gloed vergaat
Weldra, die grote, en zie, een schone schijn
Is om u, maar die ook dooft aanstonds uit.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Over alle daken

Over alle daken
bloeit mijn bleke wake;
alle sterren toe
reikt ze, strak en moe.

Baart dan alle bangen
steeds een nieuw verlangen?
Is dan alle vrees
liefdes vrouwe en wees?...

- Over alle daken
bleek-gebloede bake;
over heel de wereld heen
liefde en leed, - alleen...

Stedelijke eenzaamheid

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

arcadia

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Arcadia

Langzaam kleedt zij zich uit in het lover,
Rilt verrukt en verlangt een rover,
Denkt aan nimfen en faunen.

Nimfen die zich genotvol over-
Gaven aan faunen, naakt onder lover,
Begrijnsd door oude alraunen.

't Rimpelend water spiegelt haar week:
Met haar voetjes in de ondiepe beek
Voeren de golfjes guerrilla.

Op een steen zit haar echtgenoot,
Ziet haar spelen, ergert zich dood
En zuigt op zijn manilla.

Serenade

schrijver

  

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

encore

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

Encore

In het midden van mei, als de nachtegaals zingen
En de avondglans huwt aan de morgense schijn
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met de geur van de vroege jasmijn,

Toen hoorde ik uw lippen de woorden ontglippen:
(Ik was maar een knaap en gij waart nog een kind)
Hoe wrang is de smaak van verwinnende lippen
Zo innig het verlangen der ziel niet bemint!

En ik zag het gebed van uw hulpeloze ogen,
En ik voelde, beangstigd, de angstige klem
Van uw hande' om mijn hand, en mijn lippen bewogen,
Maar mijn machtloze wanhoop verstikte mijn stem.

Dan, uw schaamte bedwong het onstuimige hijgen
Van uw hart en de nachtwind verwaaide uw klacht,
En niets meer verstoorde 't oneindige zwijgen
Dan een zwaan die zich roerde in de roerloze gracht...

Maar nòg, op mijn hand die uw handen omvingen,
Herproeven mijn bevende lippen uw pijn,
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met de geur van de vroege jasmijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

voor

Een gedicht van Jan Hammenecker 1878-1932
Voor mijn zuster.

Als ik op haar peinze, o Jesu,
- en ik peinze op haar gedurig!
op mijn zuster Valentine,
op haar ziekte zo balsturig,
op haar heengaan zo gelaten;
Valentine, o Valentine,
lam dat leed, en niet wou blaten! -
Als ik op haar peinze, o Jesu,
die zó vroed was, zó goed was;
die zó liefhad, U zó liefhad,
ons zó liefhad; ach en zoet was,
zoet gelijk uw Harte, o Jesu! -
Als ik op haar peinze, o laat me,
laat me rouwen op uw Harte,
Meester, of de kracht ontgaat me
om te leven immer peinzend
aan mijn zuster, Valentine!...
Laat me, luisterend aan uw Harte,
weten dat zij rust daarbinnen:
in uw Harte, o goede Jesu!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929

IK BEN DE HAZEL-NOOT

Ik ben de hazel-noot. - Een bleke, weke made
bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt.
Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade.
En 'k word een leêgt', die klaagt noch vraagt.

'k Verlaat me-zelf; 'k lijd aan me-zelven ijle schade.
Ik ben 't aanhoudend maal, in een gesloten kring,
van ene domme, duldeloze, ondankb're made.
Maar raak' de vinger van een kind me, dat me rade:
hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.

'De voedster'

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

de navond

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE NAVOND KOMT ZO STIL

De navond komt zo stil, zo stil
zoo traagzaam aangetreden,
dat geen en weet, wanneer de dag
of waar hij is geleden.
‘t Is avond, stille... en, mij omtrent,
is iets, of iemand, onbekend,
die, zachtjes mij beroerend, zegt:
'‘t Is avond en ‘t is rustens recht.'

De bomen dragen gans de locht
vol groen, nog onbestoven;
en ‘k zie, zo dicht hun blaren staan,
nog nauwlijks deur de hoven;
‘k en hoore niets, al om end om,
van ‘t zoetgekeelde vogelendom,
‘t en zij, het donker loof beneên,
de nachtegaal zijne avondbeên.

Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
hij zingt! Het is onwetend,
dat zingend hij mijne oren boeit,
en aan zijn kele ketent.
Ach, wist hij ‘t gene ik wetend ben:
dat dankbaar ik toch wete en ken
wie hem zijn tale, en mij daaraf
‘t genoegen en ‘t genieten, gaf!

Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
eensgangs ik ginder gekken?
Wat is ‘t, dat her end weder her
verergerend gerrebekken?
Och, vorsenvolk, in ‘t waterwied,
houd op! En stoor de stilte niet:
laat horen mij dat leutig slaan...
En, kwelgediert, houd op voortaan!

Heb daar!... Het speit, de steen rondom,
en, uitgestrekter schenen,
zijn al de vorsen, diepe in ‘t goor,
in ‘t zwijgend goor verdwenen!...
Eilaas, de nacht en ‘t donker zijn
bezitten nu de zanger mijn:
noch nachtegaal, noch ruit noch muit,
en hore ik meer... ‘t is uit, ‘t is uit!

-----------------------------------------

mij omtrent - in mijn omgeving
dragen... vol - vullen met
deur - doorheen
om end om - in ruime kring
het donker loof beneên - onder het donkere loof
daaraf - daarvan
eensgangs - eensklaps
dat her end ... gerrebekken - dat telkens weer uitdagender kwaken
vorsvolk - groep kikkers
heb daar - pak aan
speit - spat
uitgestrekter schenen - gestrekte poten
goor - modder
noch ruit noch muit - geen kik

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

september

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1921-1947

SEPTEMBER

September! laat uw open grijze vanen
Door koele luchten, schone straten gaan,
Het gave goud ligt op uw zegebaan,
Druipt van uw fijne wapperende manen;

De pure honig laat ge in harten staan:
Gewassen goud in glad-gevlochten spanen,
Uw adem is ons tot het lijf gegaan
En blaast ons, jonge goôn, langs nieuwe banen.

Op kameraden! grijp het najaarsooft,
Laat wijn en wingerd om uw schansen glijden
En zet een krans op 't vastberaden hoofd;

Druk uw bewuste zin in 't jaargetijde,
Dat met zijn kloeke wind uw vlagge looft,
Dat waait uw woord langs Hollands vlakke weiden!

Eerste oogst (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:52 Reageer op dit bericht

weten

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

Ik moet er niet van weten...

Ik moet er niet van weten, van die zuidse vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de bomen kneuteren gaan
dat 't jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.

Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert, vernieling?
Zijt gij het? God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
Verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u de Geest, Noodlottigheid!

Gij die vandaag den hemel kuist van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
- Mijn zonnig land... mijn verten... mijn jong leven... Kameraad,
Nicht raisonniren... Weer u scherp, en eind als een soldaat!...

laatste gedicht van Rodenbach

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:15 Reageer op dit bericht

buitenmeisje

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

HET BUITENMEISJE

Zij vroegen of ze tevreden was,
In de stad tevreden en daar.
Het jonge meisje knikte ja,
Ze waren zo goed voor haar!

Zij knikte ja, zij zweeg en ging
In de kelderkeuken staan,
En zag omhoog door 't vensterraam
Op straat de voeten gaan.

Toen dacht zij aan het groene veld,
En aan haar ouders hut:
Daarover waait hoog de populier,
En de vlierboom staat aan de put.

Het geitje op 't grasplein, ginds verre de kerk,
En de lucht oneindig blauw, -
Haar moeder haspelt aan 't open raam,
En haar vader zit op 't getouw.

De wiedsters in 't veld en de leeuwrik omhoog,
- O lag zij bij hen in het vlas! -
En zat zij te peinzen, toen vroegen zij haar,
Of zij tevreden was.

Zij waren zo goed en zo vriendlijk met haar,
Zij kon niet zeggen: 'Neen.'
Maar 's avonds als zij slapen ging,
Toen weende zij alleen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten