Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

voor

 Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

Voor hem die al dees dagen

Voor hem die al dees dagen, zonder bate
voor zijn verdriet, zijn eigen ik ontvlood,
en langs de huizen liep met kaken rood
van drift en pijn in 't harte bovenmate;

Voor hem die, wankel, in zijn trotse nood
de moed niet vond om 't leven zelf te haten,
die beedlaars tegenkwam langs gore straten
en hun niet gaf hun luttel dagelijks brood;

Voor hem is reuk van rotte blaren zoet,
en d'avondwind een vriendelijke streling,
als 't laatste licht in sombre lucht verbloedt;

want hij, die al wat troost brengt heeft gemist,
wordt in dit uur zo liefderijk een heling:
uw nacht, oktober! en uw smoorge mist.

Naar het geluk (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

snedig

Een gedicht van Hendrik Riemsnijder 1744-1825

Snedig antwoord

Een jonge knaap zag een boerinnetje, zo fris
Als melk en rozen, op haar blote benen lopen:
‘Meid’, sprak hij, ‘'k zal u een paar and're koussen kopen,
Zodra het paar, dat gij nu draagt, versleten is.’
‘Is 't zeker waar, mijn beste maatje?’
Hernam de flukse tas. ‘Dan dient geen tijd verspild;
Ga dan maar vrij ter markt: want, als je 't weten wilt,
Van boven hebben ze al een gaatje!’

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

AAN JOHAN.

Gij ziet geen meisje,
of straks zult gij haar vleien, roemen,—
Dus mocht men u, met recht,
de a a p der juffers noemen!

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

men

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Men kàn geen vlammen als een gouden vloed

Men kàn geen vlammen als een gouden vloed
Uit éen vaas gieten in een andre vaas:
Daarbinnen branden ze en een bevend waas
Gloeit door het hulsel heen met halve gloed.

Open het nooit – het is zo schoon, en ’t moet
Zó schoon zijn, blijvend in die zelfde plaats:
Die vlam zal niemand zien: zij zal, helaas!
Zichzelf verteren, daar haar niemand voedt.

Brand niet zo luid, mijn ziel! waaróm zo luid?
Gij weet toch, dat ge alleen en stil moet zijn;
En veel begrijpen, daar me’ ú nièt verstaat;

Gloed bréngt geen gloed voort, ziel! úw gloed vergaat
Weldra, die grote, en zie, een schone schijn
Is om u, maar die ook dooft aanstonds uit.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Over alle daken

Over alle daken
bloeit mijn bleke wake;
alle sterren toe
reikt ze, strak en moe.

Baart dan alle bangen
steeds een nieuw verlangen?
Is dan alle vrees
liefdes vrouwe en wees?...

- Over alle daken
bleek-gebloede bake;
over heel de wereld heen
liefde en leed, - alleen...

Stedelijke eenzaamheid

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

arcadia

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Arcadia

Langzaam kleedt zij zich uit in het lover,
Rilt verrukt en verlangt een rover,
Denkt aan nimfen en faunen.

Nimfen die zich genotvol over-
Gaven aan faunen, naakt onder lover,
Begrijnsd door oude alraunen.

't Rimpelend water spiegelt haar week:
Met haar voetjes in de ondiepe beek
Voeren de golfjes guerrilla.

Op een steen zit haar echtgenoot,
Ziet haar spelen, ergert zich dood
En zuigt op zijn manilla.

Serenade

schrijver

  

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

encore

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

Encore

In het midden van mei, als de nachtegaals zingen
En de avondglans huwt aan de morgense schijn
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met de geur van de vroege jasmijn,

Toen hoorde ik uw lippen de woorden ontglippen:
(Ik was maar een knaap en gij waart nog een kind)
Hoe wrang is de smaak van verwinnende lippen
Zo innig het verlangen der ziel niet bemint!

En ik zag het gebed van uw hulpeloze ogen,
En ik voelde, beangstigd, de angstige klem
Van uw hande' om mijn hand, en mijn lippen bewogen,
Maar mijn machtloze wanhoop verstikte mijn stem.

Dan, uw schaamte bedwong het onstuimige hijgen
Van uw hart en de nachtwind verwaaide uw klacht,
En niets meer verstoorde 't oneindige zwijgen
Dan een zwaan die zich roerde in de roerloze gracht...

Maar nòg, op mijn hand die uw handen omvingen,
Herproeven mijn bevende lippen uw pijn,
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met de geur van de vroege jasmijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

voor

Een gedicht van Jan Hammenecker 1878-1932
Voor mijn zuster.

Als ik op haar peinze, o Jesu,
- en ik peinze op haar gedurig!
op mijn zuster Valentine,
op haar ziekte zo balsturig,
op haar heengaan zo gelaten;
Valentine, o Valentine,
lam dat leed, en niet wou blaten! -
Als ik op haar peinze, o Jesu,
die zó vroed was, zó goed was;
die zó liefhad, U zó liefhad,
ons zó liefhad; ach en zoet was,
zoet gelijk uw Harte, o Jesu! -
Als ik op haar peinze, o laat me,
laat me rouwen op uw Harte,
Meester, of de kracht ontgaat me
om te leven immer peinzend
aan mijn zuster, Valentine!...
Laat me, luisterend aan uw Harte,
weten dat zij rust daarbinnen:
in uw Harte, o goede Jesu!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929

IK BEN DE HAZEL-NOOT

Ik ben de hazel-noot. - Een bleke, weke made
bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt.
Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade.
En 'k word een leêgt', die klaagt noch vraagt.

'k Verlaat me-zelf; 'k lijd aan me-zelven ijle schade.
Ik ben 't aanhoudend maal, in een gesloten kring,
van ene domme, duldeloze, ondankb're made.
Maar raak' de vinger van een kind me, dat me rade:
hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.

'De voedster'

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

de navond

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE NAVOND KOMT ZO STIL

De navond komt zo stil, zo stil
zoo traagzaam aangetreden,
dat geen en weet, wanneer de dag
of waar hij is geleden.
‘t Is avond, stille... en, mij omtrent,
is iets, of iemand, onbekend,
die, zachtjes mij beroerend, zegt:
'‘t Is avond en ‘t is rustens recht.'

De bomen dragen gans de locht
vol groen, nog onbestoven;
en ‘k zie, zo dicht hun blaren staan,
nog nauwlijks deur de hoven;
‘k en hoore niets, al om end om,
van ‘t zoetgekeelde vogelendom,
‘t en zij, het donker loof beneên,
de nachtegaal zijne avondbeên.

Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
hij zingt! Het is onwetend,
dat zingend hij mijne oren boeit,
en aan zijn kele ketent.
Ach, wist hij ‘t gene ik wetend ben:
dat dankbaar ik toch wete en ken
wie hem zijn tale, en mij daaraf
‘t genoegen en ‘t genieten, gaf!

Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
eensgangs ik ginder gekken?
Wat is ‘t, dat her end weder her
verergerend gerrebekken?
Och, vorsenvolk, in ‘t waterwied,
houd op! En stoor de stilte niet:
laat horen mij dat leutig slaan...
En, kwelgediert, houd op voortaan!

Heb daar!... Het speit, de steen rondom,
en, uitgestrekter schenen,
zijn al de vorsen, diepe in ‘t goor,
in ‘t zwijgend goor verdwenen!...
Eilaas, de nacht en ‘t donker zijn
bezitten nu de zanger mijn:
noch nachtegaal, noch ruit noch muit,
en hore ik meer... ‘t is uit, ‘t is uit!

-----------------------------------------

mij omtrent - in mijn omgeving
dragen... vol - vullen met
deur - doorheen
om end om - in ruime kring
het donker loof beneên - onder het donkere loof
daaraf - daarvan
eensgangs - eensklaps
dat her end ... gerrebekken - dat telkens weer uitdagender kwaken
vorsvolk - groep kikkers
heb daar - pak aan
speit - spat
uitgestrekter schenen - gestrekte poten
goor - modder
noch ruit noch muit - geen kik

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

september

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1921-1947

SEPTEMBER

September! laat uw open grijze vanen
Door koele luchten, schone straten gaan,
Het gave goud ligt op uw zegebaan,
Druipt van uw fijne wapperende manen;

De pure honig laat ge in harten staan:
Gewassen goud in glad-gevlochten spanen,
Uw adem is ons tot het lijf gegaan
En blaast ons, jonge goôn, langs nieuwe banen.

Op kameraden! grijp het najaarsooft,
Laat wijn en wingerd om uw schansen glijden
En zet een krans op 't vastberaden hoofd;

Druk uw bewuste zin in 't jaargetijde,
Dat met zijn kloeke wind uw vlagge looft,
Dat waait uw woord langs Hollands vlakke weiden!

Eerste oogst (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:52 Reageer op dit bericht

weten

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

Ik moet er niet van weten...

Ik moet er niet van weten, van die zuidse vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de bomen kneuteren gaan
dat 't jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.

Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert, vernieling?
Zijt gij het? God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
Verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u de Geest, Noodlottigheid!

Gij die vandaag den hemel kuist van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
- Mijn zonnig land... mijn verten... mijn jong leven... Kameraad,
Nicht raisonniren... Weer u scherp, en eind als een soldaat!...

laatste gedicht van Rodenbach

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:15 Reageer op dit bericht

buitenmeisje

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

HET BUITENMEISJE

Zij vroegen of ze tevreden was,
In de stad tevreden en daar.
Het jonge meisje knikte ja,
Ze waren zo goed voor haar!

Zij knikte ja, zij zweeg en ging
In de kelderkeuken staan,
En zag omhoog door 't vensterraam
Op straat de voeten gaan.

Toen dacht zij aan het groene veld,
En aan haar ouders hut:
Daarover waait hoog de populier,
En de vlierboom staat aan de put.

Het geitje op 't grasplein, ginds verre de kerk,
En de lucht oneindig blauw, -
Haar moeder haspelt aan 't open raam,
En haar vader zit op 't getouw.

De wiedsters in 't veld en de leeuwrik omhoog,
- O lag zij bij hen in het vlas! -
En zat zij te peinzen, toen vroegen zij haar,
Of zij tevreden was.

Zij waren zo goed en zo vriendlijk met haar,
Zij kon niet zeggen: 'Neen.'
Maar 's avonds als zij slapen ging,
Toen weende zij alleen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

Aan vrouwensmaders.

Laat af, die 't Zwak Geslacht met bittre gal bespat,
Of gij verdiende 't niet, dat gij een Moeder had.

1789

Puntdichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

ziekte

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

DE ERGSTE ZIEKTE.

Er kan geen erger ziekte wezen,
(Hetzij van lichaam of van geest)
Dan die, waarbij men 't stèrven vreest
Maar niets wil nemen tot genézen.

Zedenspiegel in Spreuken XCIII

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

wanhoop

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

WANHOOP.

Ik ben zo droef omdat ik niet kan horen
Uw zachte stemme met haar zoete taal;
Terwijl 'k langs de besneeuwde straten dwaal,
Klinkt mij 't gelach der menschen vreemd in de oren.

En door de luiken van de hoge toren
Stroomt het geluid mij binnen van 't metaal;
Geroerd sta 'k stil; wijl 'k angstig ademhaal
Is 't mij alsof een stem me roept: "Verloren!"

O zwijg, gij klank van onheil en van leed,
Roep niet zo luid in mij, wees stil, ik weet
Dat gij slechts zijt mijn eigene gedachte.

Geen stem is 't die van buiten tot mij kwam,
Maar het geluid dat 'k in mij zelf vernam,
En dat naar uiting in de kerkklok smachtte.

Eerste Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

leus

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

 

LEUS

Waar zielen krachten zijn en krachten daden worden,
Waar uit het stoute brein een wond're wereld stamt,
Waar grote menschen slaan en stormen uit hun orden,
Gelijk, ten bergop uit, de bergenziele vlamt;

Waar felle boodschap brandt uit goudgevuurde borden,
Waar rode razernij op zwarte muren ramt,
Waar heldenhanden hoog het heldenzwaard omgorden,
En naberouw noch spijt de slaande arm verlamt;

Daar staan wij, eigenvast, geschoord op beide voeten,
Getroost met onze kop onz' koppigheid te boeten,
En lachen op die spuwt en spuwen op die lacht!

Daar staan wij, taai en trots, bij zelfgenade vorsten,
Die durven, één alleen, wat duizenden niet dorsten,
En zwaaien door de wind de losse vaan der kracht.

De Noodhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1935

ZANG.

Mijn ziele is in mijn zangen,
Mijn zang is mijne ziel:
Mijn lied is 't zoet verlangen,
Dat in mijn harte viel.

Dat groeit daar stil verholen,
En groeit straks wonderhoog,
En rankt in duizend bloemen
Der wereld uit het oog.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:49 Reageer op dit bericht

landminnaar

Een gedicht van Betje Wolff en Aagje Deken 1738-1804

DE LANDMINNAAR

Wel man, wat kan
u de stad behagen,
dat gij mij durft plagen
om mijn keur?
’t Lust mij niet te leven
naar de sleur.
Al wat de stad kan geven
heeft geen smaak of geur.

Hoor mij, wilt gij
onschuldige vermaken
onverhinderd smaken?
Kom op ’t land!
Leer eenvoudig leven;
heb verstand!
Natuur wil heil u geven;
neem het uit haar hand!

Economische liedjes (1781)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

kusjes

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Kusjes

Duizendvoudig zijn de kusjes,
Die de tere minnelustjes
in 't gevoelig hart ontgloên,
en de brand der liefde voên.
Maar, indien gij wilt beminnen,
schone strookster van mijn zinnen,
hoor, wat kusjes ik verlang,
als ik aan uw boezem hang!

Schenk me, o voedster van mijn lustjes,
druk me zulke vochte kusjes,
dat uw tong de mijne streelt,
en er krullend mede speelt;
even als de geile mussen
in de mei elkander kussen,
of het lieve tortelgoed
in het trekkebekken doet!
Laat uw hart door hete zuchtjes
tuigen van uw zielsgenuchtjes,
dat uw malse boezem zwoegt,
als ge uw lipjes met mij voegt,
en mijn halfverdronken ogen
zich in de uwe blind zien mogen.
Hoor nu, hoe gij in de gloed
't kussend mondje zetten moet,
om het zoetste zoet te kopen.
Niet te dicht, en ook niet open.
Laat één plaatsje (zo is 't wel!)
voor ons beider tongenspel:
dat mijn zachte tandenbeetjes
door die balsemige reetjes
boren mogen zonder pijn:
en uw tongetje het mijn
zacht ontmoeten, lieflijk klemmen,
bevend in uw mondje zwemmen,
tot het, spartlend van vermaak,
aan mijn tong geschakeld raak.
Dan zal ik het zuigen, strelen,
zoeken 't aan uw mond te ontstelen:
'k zal het bijten, en mijn dorst
met de adem uit uw borst,
met het bloed, er uit te leken,
koelen, lessen, meer ontsteken;
zetten borst en ingewand
door die terging in de brand;
dat het overstelpte harte
van genoegelijke smarte
in ons beider binnenst zwelt,
en van fijn gevoel versmelt.
't Geen het op de vochte tippen
onzer natbedauwde lippen,
met een bevend zacht geluid,
door een teder lispen uit:
dat en ziel en adem tevens,
met het overschot des levens,
dat in onze boezem slaat,
in elkander overgaat;
en wij, in amechtig hijgen,
spraak-, gevoelloos, nederzijgen.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten