ziekte

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876
DE ERGSTE ZIEKTE.
Er kan geen erger ziekte wezen,
(Hetzij van lichaam of van geest)
Dan die, waarbij men 't stèrven vreest
Maar niets wil nemen tot genézen.
Zedenspiegel in Spreuken XCIII

ziekte
Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876
Er kan geen erger ziekte wezen,
(Hetzij van lichaam of van geest)
Dan die, waarbij men 't stèrven vreest
Maar niets wil nemen tot genézen.
Zedenspiegel in Spreuken XCIII

wanhoop
Een gedicht van Edward Koster 1861-1937
Ik ben zo droef omdat ik niet kan horen
Uw zachte stemme met haar zoete taal;
Terwijl 'k langs de besneeuwde straten dwaal,
Klinkt mij 't gelach der menschen vreemd in de oren.
En door de luiken van de hoge toren
Stroomt het geluid mij binnen van 't metaal;
Geroerd sta 'k stil; wijl 'k angstig ademhaal
Is 't mij alsof een stem me roept: "Verloren!"
O zwijg, gij klank van onheil en van leed,
Roep niet zo luid in mij, wees stil, ik weet
Dat gij slechts zijt mijn eigene gedachte.
Geen stem is 't die van buiten tot mij kwam,
Maar het geluid dat 'k in mij zelf vernam,
En dat naar uiting in de kerkklok smachtte.
Eerste Gedichten

leus
Een gedicht van René de Clercq 1877-1932
Waar zielen krachten zijn en krachten daden worden,
Waar uit het stoute brein een wond're wereld stamt,
Waar grote menschen slaan en stormen uit hun orden,
Gelijk, ten bergop uit, de bergenziele vlamt;
Waar felle boodschap brandt uit goudgevuurde borden,
Waar rode razernij op zwarte muren ramt,
Waar heldenhanden hoog het heldenzwaard omgorden,
En naberouw noch spijt de slaande arm verlamt;
Daar staan wij, eigenvast, geschoord op beide voeten,
Getroost met onze kop onz' koppigheid te boeten,
En lachen op die spuwt en spuwen op die lacht!
Daar staan wij, taai en trots, bij zelfgenade vorsten,
Die durven, één alleen, wat duizenden niet dorsten,
En zwaaien door de wind de losse vaan der kracht.
De Noodhoorn (1940)

zang
Een gedicht van Albert Verwey 1856-1935
Mijn ziele is in mijn zangen,
Mijn zang is mijne ziel:
Mijn lied is 't zoet verlangen,
Dat in mijn harte viel.
Dat groeit daar stil verholen,
En groeit straks wonderhoog,
En rankt in duizend bloemen
Der wereld uit het oog.

landminnaar
Een gedicht van Betje Wolff en Aagje Deken 1738-1804
Wel man, wat kan
u de stad behagen,
dat gij mij durft plagen
om mijn keur?
’t Lust mij niet te leven
naar de sleur.
Al wat de stad kan geven
heeft geen smaak of geur.
Hoor mij, wilt gij
onschuldige vermaken
onverhinderd smaken?
Kom op ’t land!
Leer eenvoudig leven;
heb verstand!
Natuur wil heil u geven;
neem het uit haar hand!
Economische liedjes (1781)

kusjes
Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831
Duizendvoudig zijn de kusjes,
Die de tere minnelustjes
in 't gevoelig hart ontgloên,
en de brand der liefde voên.
Maar, indien gij wilt beminnen,
schone strookster van mijn zinnen,
hoor, wat kusjes ik verlang,
als ik aan uw boezem hang!
Schenk me, o voedster van mijn lustjes,
druk me zulke vochte kusjes,
dat uw tong de mijne streelt,
en er krullend mede speelt;
even als de geile mussen
in de mei elkander kussen,
of het lieve tortelgoed
in het trekkebekken doet!
Laat uw hart door hete zuchtjes
tuigen van uw zielsgenuchtjes,
dat uw malse boezem zwoegt,
als ge uw lipjes met mij voegt,
en mijn halfverdronken ogen
zich in de uwe blind zien mogen.
Hoor nu, hoe gij in de gloed
't kussend mondje zetten moet,
om het zoetste zoet te kopen.
Niet te dicht, en ook niet open.
Laat één plaatsje (zo is 't wel!)
voor ons beider tongenspel:
dat mijn zachte tandenbeetjes
door die balsemige reetjes
boren mogen zonder pijn:
en uw tongetje het mijn
zacht ontmoeten, lieflijk klemmen,
bevend in uw mondje zwemmen,
tot het, spartlend van vermaak,
aan mijn tong geschakeld raak.
Dan zal ik het zuigen, strelen,
zoeken 't aan uw mond te ontstelen:
'k zal het bijten, en mijn dorst
met de adem uit uw borst,
met het bloed, er uit te leken,
koelen, lessen, meer ontsteken;
zetten borst en ingewand
door die terging in de brand;
dat het overstelpte harte
van genoegelijke smarte
in ons beider binnenst zwelt,
en van fijn gevoel versmelt.
't Geen het op de vochte tippen
onzer natbedauwde lippen,
met een bevend zacht geluid,
door een teder lispen uit:
dat en ziel en adem tevens,
met het overschot des levens,
dat in onze boezem slaat,
in elkander overgaat;
en wij, in amechtig hijgen,
spraak-, gevoelloos, nederzijgen.

donderbui
Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939
De lucht betrekt, het zand stuift op,
Hoog torent zich de donderkop,
Die blauw als lei, en koperrood,
Dreigt met vernieling en met dood.
De bliksem, kort en lang van lijn,
Gelijk een zenuwachtig sein,
Meldt ademloos: wie vloeke of kniel',
Gedenk uw zonden, red uw ziel!
Een windstoot, water, vlam, een knal,
Alsof de hemel barsten zal.
Wij voelen hoe de wereld kreunt
En onder onze voeten dreunt.
Vlak langs de grond ontvlucht de dag.
Al nader knapt de donderslag,
En roder slingert 't bliksemvier
Het heet verderf naar mens en dier.
't Gesprek stokt; hart en adem staakt,
Als 't weerlicht rakelings ons raakt.
Wij zien elkanders vaal gelaat,
Ontwijken 't raam, en ieder gaat
Verbijsterd uit zijn levenslot
Tot aller leven oorsprong: God!
O eindelijke vredesteê!
Hier is de ziel stil en gedwee,
En ziet, bevrijd van angst en waan,
Het breken van de wereld aan.
Hier is zij zo gerust en stil,
Eenswillens met des Heeren wil,
Dat zij niet bidt voor have en bloed,
Maar zegt: wat God wil, dat is goed!
Verslokt de vloed ons, zengt het vier,
Wij hebben Uwe hemel hier.
Ons hoog hart werd een effen dal,
Waar God intrad en wonen zal. -
Zo ligt ze, een lichte vlakte, waar
God boven welft zijn hemel klaar;
En als ziels helder spiegelbeeld
Wordt aardes hemel plots doorspeeld
Van zonneschijn, de wolk bromt grof,
Het water bobbelt door de hof,
Maar 't grauwe zwerk zwenkt voor de wind
Schoon traag, de donderbui verzwindt.
De regen ruist nu ongestoord,
Eentonig murmurerend, voort.
De koeien grazen weer gedwee,
Het volk komt buiten, één, getwee,
Staan mensen; allen ademen vrij.
Goddank! wij leven! 't is voorbij!
En hier en daar glimlacht men stil:
‘Doe met Uw knechten naar Uw wil!’
De stille tuin(1933)–

zonne
Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
De stille zonne daar ik zit, voor mijne woning,
in de oude lijste van een groene en rode veil;
van al de bloemen op mijn mond de milde honing,
en in mijn hart van al de dagen 't vrome heil;
een witte roze aan mijne krage, en voor mijne ogen
de weiden en de Leië in lage zonne-brand;
van mijne vrouwe in mij het zorgend mededogen,
en van mijn zoontje op mijne wang de koele hand;
- ik voel een rijpe traan diep uit mijn binnenst rijzen
van verre heimwee en gevréesd geluk, misschien;
'k laat op mijn moede oog de lange wimpers dijzen;
- maar als ik ze open, zult ge er zonnen stralen zien...
De gulden schaduw (1905 - 1909)

droom
Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881
Een droom - als maneschijn - in zilvren wade
En breedgewiekt, heeft mij, toen ik verwezen,
In dons gedompeld, in de rust mij baadde,
Met elpen staf een kindekijn gewezen:
Het lachte, en bij die lach, wiens wedergade
Slechts in de zuivre zonne wordt geprezen,
Wolkte als een nevel weg al 't zwarte en kwade,
Dat in mij mort... 't Is me in een zucht ontrezen.
Toen was ik waardig, aan die blonde slapen
Eerbiedig de eene en de andre hand te drukken,
En in de hemel van dat oog te schouwen...
Ik zag en kuste en kuste... úw kind, geschapen
Naar úw Madonna beeld, en diep verrukken
Doorgolfde mij, o, lieflijkste aller vrouwen! -

het kasteel
Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
Voor onze blikken rees nu 't oud Kasteel
Met hoge toren tussen iep en eiken,
Waar duizend bloemen stonden stralend geel
Op 't groene grasveld in de zon te prijken.
Die zware wanden zagen de eeuwen wijken,
Trotserend Tijd en Stormwind en Houweel,
Geslachten sterven, val van koninkrijken,
Als viel slechts hun de onsterflijkheid ten deel.
En, zoals vaak in 't leven 't trotse en tere
Vereend zijn, speelde op 't geel-bebloeide groen
Een kinderschare, in roze en witte kleren,
Luid-juichend om de gouden zomer-noen,
Zó blij, zó blij, als zou nooit leed hen deren,
Geen Dood dit broze schoon verwelken doen.
Verzen (1918)

ontmoetingEen gedicht van Betje Wolff en Aagje Deken
Nog nooit, nog nooit voelde ik mij dus ontstellen
nog nooit mij meer ontstellen!
Ach zijt gij 't, zijt gij 't zelf dan mijn vriendin?
Wat ik voel, kan ik u niet vertellen,
Als alleen dat ik u nog hartlijk min.
Maar zou, maar zou ik wel zo zeer ontstellen,
Zo gij niet waart mijn waardigste vriendin?
Kom laat, kom laat ik u in de armen drukken!
Terwijl ge aan mij uw tederheid betoont!
Mocht mijn wens nu maar gelukken,
Hoe wierdt onze vriendschap dan niet geloond!
Aan 't hart u drukken!
Economische liedjes (1781)
aan
Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875
Aan de Vrijheid.
Zie neer uit uw heilige tempel daarboven;
O Gij die de hulde der Grieken ontving,
Wie Rome in haar heerlijke kindsheid mocht loven,
Die lang aan de spits harer dapperen ging!
Zie, lieflijke Vrijheid, zie neder op aard,
Mijn volk is de roem van zijn voorgeslacht waard.
Laat zich met uw mantel de snode bedekken,
Die dood en verwoesting haar zusteren heet;
Wij zien, trots de mom, haar afzichtige trekken,
De dolk en de toorts in haar handen gereed.
Zie, lieflijke Vrijheid! zie neder op aard,
Oud-Holland heeft vlekloos uw outer bewaard.
Gij waart met ons erf in der vaderen dagen,
En 't zwaard werd gezwaaid tot het land was bevrijd;
Gij schraagdet hun schoudren om lasten te dragen,
Almachtig en goed, als God wil dat ge zijt!
Zie, lieflijke Vrijheid! zie neder op aard,
Wij staan als weleer om uw outer geschaard!
Die droom' dat uw voet op de kronen zou treden,
Hier hebt gij de vorstlijke zetel gevest
Voor wie wij de heerser der Fransen bestreden,
Ten strijde nu snellen uit ieder gewest.
Zie, lieflijke Vrijheid! zie neder op aard!
Vorst Willem vertrouwt op het Hollandsche zwaard!
Zeg het aan hen die uw zalen betreden,
De schimmen der vaadren vereend in uw rijk,
Vervuld zijn hun wensen - verhoord hun gebeden,
Het kroost is aan de oudren in deugden gelijk.
Het erf dat ze ons lieten, hoe vredig en klein,
Is nog als de parel, zo zuiver en rein!

nazomer
Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924
Vaag drijft door de open deur
De bleke avondwind
Een bitter kille geur -
Alsof de herfst begint.
Vaag, als een vallend blad,
Daalt door mijn lege geest
Herinnering aan wat
Wel eenmaal is geweest.
't Is of mijn hart verstomt
En of ik stil verga,
't Is of de herfst al komt -
Hij komt weldra - weldra!
Zingende stemmen (1916)

maan
Een gedicht van Gerrit ten Bruggencate 1803-1853
Aan de maan

plagen
sukkel
zomertijd
wereld
Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936
Iedre morgen na het nachtlijk slapen
Ligt mijn wereld nieuw door mij geschapen.
Iedere dag heb ik haar weggegeven,
Telkens één dag meer van 't eigen leven.
Telkens een kortstondiger bewoner
Zie ik haar belanglozer, dus schoner.
Schoonst zal ze eenmaal zijn als ik ga scheiden
En de grenslijn wegvalt van ons beiden.
De weg van het licht (1922)

al
Een gedicht van Jan Krul 1602-1644
Lief! al zijt gij vert gescheiden;
Liefde zal mijn hert geleiden:
Liefde (Lief) die drijft mij voort;
Liefde komt u Liefd' aan boord:
Lief is liefde, zoet is minne:
Liefde doet mij dit beginnen:
't Is al Liefde, Liefd' is ‘t al,
Die ik u betonen zal.
Door de Liefde lijd ik vrese:
Liefde zoekt uit vrees te wezen,
Even als de Schipper doet,
Als hem treft een tegenspoed,
Van de woeste storm Winde,
Tracht hij goede ree te vinden:
Veile Haven, anker-strandt,
Daar hij schadeloos belandt:
Even gaat het mij in 't minne,
Ik zoek uwe gonst te winnen.
Die mij van de bitse nijdt,
In mijn Liefdens vrees bevrijd.
Eerlycke tytkorting (1634)
