Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 november 2016 tot 30 november 2016

harp

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

DE  EOOLSE  HARP

De eoolse harp ruist in de nacht,
Ruist op de toon der treurgezangen;
Aandoenlijk als de weke klacht
Van 't hartje, dat van liefde smacht,
Of breekt van onvervuld verlangen.

Die doorslaapt, waar die citer slaat,
Sliep zeker in met zoete dromen;
Die slaaploos aan het venster staat
Wendt naar de kant het bleek gelaat,
Vanwaar de galmen overkomen.

De nachtwind weet niet wat hij doet,
Die al haar snaren dwingt te trillen,
- Zo min als 't oog dat, door zijn gloed,
Ontroering in een rein gemoed
Verwekt, maar niet vermag te stillen.

Gedichten. V0olledige uitgave, naar tijdsorde gerangschikt. Leiden, z.j.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

de brug

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

De brug

Ik zocht een bloem, die op de bergen wast.
En aan mijn voeten grijnsde ene afgrond, diep
Als wanhoop na een misdaad, en ik riep:
- 'Wie redt mij?' Ik voelde een hand, die greep ik vast.

En over het zwarte water, dat daar sliep,
Wees mij de hand, als brug, een dennenmast.
Ik vroeg: - 'Hoe draagt die boom ons beider last?'
Hij sprak: - 'God leeft, die ons voor het leven schiep.'

Ik zag mijn gids in de ogen; al mijn angst
verkeerde in zwijgend, liefdevol geloof.
De boomstam kraakte… ik kon niet meer terug.

Toen daalde een lichte nevel (dàt was het bangst),
Doch, hand in hand, ging 't voorwaarts, blind en doof.
Daar landden we aan… en toen eerst brak de brug.

Poëzie (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.H. Priem 1865-1939

Liedje.

De blanke bloem, geboren
In 't witte morgenlicht,
Sluit bij het dagvergloren
De blaren dicht.

Maar 't gouden hart blijft gloeien
In de ambergele kluis,
Die lauwe geure' omvloeien
En nachtgeruis.

Zó is mijn ziel een bloeme,
Wier fulpen urn omvat
Wat mensentong niet roeme:
Haar zonneschat.

Onze Eeuw, jrg 17 (1917)

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

1890

Een gedicht van P.A.M. Boele Van Hoensbroek

1890

Laat d' ouderwetse dichter nog zijn lier
Besnaren om het zonlicht te bezingen;
Ons, jongren, wenken hoger, beter dingen
Dan 't eeuwen reeds banale hemelvier.

D' elektro-lampen, met de kracht van vier-
Miljoenen kaarsen kunnen mededingen,
Zou 'k menen, naar de lof der stervelingen,
Die bidden uit 't elektrisch-kerkbrevier.

Hebt dank, o vinders van die reuzenlichten!
Gij hebt de duisternis voor goed doen zwichten;
Ook 's nachts is 't licht nu; - van naar bed te gaan

Is thans geen sprake meer; wie denkt aan slapen?
Heb dank, want 't is nu wel voor goed gedaan
Met slaapmuts, nachtpit, dommelen en gapen.

Gedichten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

ballade

Een gedicht van J.W.F. Werumeus Buning

Ballade van de goede vrouwen

In dankbaarheid, eer dat ik sterven moet,
Vraag ik nog een ballade voor diegenen
Die als een goede vrouw mij zijn verschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet,

Wetende dat er in het hart maar ene
En meer dan zij mij dorstig maakt het bloed,
Maar zegenend de bron door God beschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Ja, wild en stil, zoals mijn eigen bloed,
En wijkend, als 'k u noemde als de ene
Wier glans mij in haar allen is verschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Want God geeft dit de vrouwen in het bloed
Dat één ding hun maar heilig is, dit ene:
Liefde, die zij herkenden als het Ene,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Dorst van het leven en eens dorst bij ene,
Wil, die dorst geeft, dat men verdorsten moet?
Mij brak hij bronnen uit de rots en meer dan ene,
En gaven vreugd, gelijk een vrouw dat doet.

Prince:

Goede prinses, Maria Magdalene
Venus, die eens Prins Jezus hebt ontmoet
In eendre lief de en eendre dorst naar 't ene,
En hebt geknield en hebt gezalfd de voet,

Gij kent het licht waarin zij mij verschenen
En weet dat ik, in 't diepste van 't gemoed
Zo heb geknield, als thans ook aan zijn voet,
En vraag: genade, niet alleen voor d'ene,
Maar voor de velen die mij eens bewenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

achterbalkon

Een gedicht van Anthonie Donker 1902-1965

Achterbalkon

Het menselijk gelaat - hoe droef mistekend,
des morgens in de tram grauw van de nacht,
des avonds in de tram grauw afgejacht
van al waar men zich deerlijk in verrekent.

Retour kantoor, kliniek en magazijn
tobt elk om wat men zich ziet tegenvallen.
Zie in de mondhoek, onder de oogwallen
onverwisselbaar de paraaf der pijn.

Hoe als nu plotseling de bazuinen schallen,
het hoge hemellicht neerstraalt op allen?
Verhoord gebed, gevonden wat gij zocht!

Doch God is zuinig op zijn wonderwerken,
hij vreest dat zij het zelfs niet zouden merken,
tegen elkander schuddend in de bocht.

Orcus en Orpheus (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

lachen

Een gedicht van Jan Brester

Lachen

Voorwaar, 't schenkt balsem aan 't gemoed,
Wanneer het wicht der smarte
Zich lenigt in een tranenvloed,
Die lucht geeft aan het harte;
En edel is het dan gewis,
Als dit om 's naasten rampen is.

Maar, als ons 't lot geen tijd onthoudt
Om van de zorg te pozen,
Wanneer men dan met vrienden kout
Of mag met meisjes kozen,
Dan is 't de lach, die 't hart ontsnoert,
En 't wicht der zorgen met zich voert.

Of als men, bij een vriendenmaal,
De bekers rond mag zwieren,
En, in onafgemeten taal,
Der scherts de toom kan vieren;
Wèl hem, die dan zijn lust voldoet,
En lacht, wanneer hij lachen moet!

Laat preken dan, wie preken wil,
En wijsheid uit wil kramen;
Ik lach wat om diens dwaze gril,
En hunker naar het amen:
De wijsheid, die niet lachen mag,
Geef ik voor éne meisjeslach.

Ja, wie een maagd het schoonste vind'
Bij stil en statig peinzen,
Voor mij ik ben geen droefheidsvrind,
En wil het niet ontveinzen,   
Bij mij haalt schoonheid, praal noch pracht,
Bij 't meisje, dat ons tegenlacht.

En is 't die lach, die ons verrukt,
(Ons, wufte mensenzonen!)
Die groefjes om de lippen drukt
En kuiltjes in de konen,
Die ons, eer men het zelf vermoedt,
De mond tot kussen plooien doet;

Zij is het, zij, die afkeer wekt,
Als zou geen scherts betamen,
Die 't neusje spijtig opwaarts trekt
En 't lachje zich durft schamen,
Of, als de boert haar daartoe dwingt,
De mond nog naar de mode wringt.

Neen, lachen past zo wel in vreugd,
Als wenen in de smarte,
En vrolijk zijn voegt aan de deugd,
Aan 't weltevreden harte;
Hij, die 't zich schaamt, hoe streng hij schijn',
Moet boos of ongelukkig zijn.

Neen, vrienden! Zijn wij geen van twee,
Kan ons de vreugd bekoren,
O! lach dan, lach men, vrolijk mee;
De kniezer mag het horen;
Zo hij bij ons nog ernstig ziet,
Dan weent hij met de droeven niet.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 23:35 Reageer op dit bericht

poseidoon

Een gedicht van P.A.M. Boele van Hensbroek

POSEIDOON

De stormwind giert een reuzensymfonie;
Het grauwe zwerk dekt d' aard; als woeste scharen
Van krijgers rollen donderend de baren
Op 't maatgeluid dier woeste melodie.

Poseidoon toornt en zweept de golven. Zie,
Titanisch lacht hij bij de doodsgevaren
De schepeling bedreigend. Schatten garen
In 't diepe zeerijk wil hij. Wat men bie',

Niets, niets is hem genoeg. Hij wil vernielen
En heersen waar hem duizend offers vielen
Ten prooi. Ik stond aan 't strand en staard' in 't rond.

En 'k meend' een reuzig bekken schuim t' aanschouwen,
Waaruit Poseidoon met hoog opgestroopte mouwen
De baard inzeepte van het wereldrond.

Gedichten.(1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

de val

Een gedicht van J.K. Rensburg 1899-1943

De val van Rome.

Ik ben geen dichter, die zich voelt versmeten
Uit vreemde wereld, die hij rijzen ziet,
Haar herfstig-droeve aanblik wil vergeten
En in gedroom naar d' oude tijden vliedt,
Wie 't lijkt, als of geen schakel uit de keten
Der Evolutie hem verbinding biedt
Van Hede' en Toekomst en die toch, verbeten,
Vloekt al wat d'Eeuw van 't Eertijds leven liet.
Ik treur niet meer, wanneer ik aan de luchten
De draf van adels-dronken ridderstoet
Of 't plechtig aangegleden praal-vertoon
Van Rome's Kerk gestoord zie en vervluchten
Door walm van 't uit fabrieken hevelend roet,
Als spuwde d'Aarde golpen sombre hoon.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

maanlicht

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

MAANLICHT

Geklommen was de maan naar boven,
Had wolken stil uiteengeschoven,
Uit sneeuwengrot leek zij te turen,
En zilversneeuw in 't rond te sturen.

't Was of de warme zomeraarde
Het koelend zilver gretig gaarde;
Al meer en meer had ze opgevangen,
Tot al van zilver was omvangen.

Een koel, blank kleed dat verre strekte
En velden wijd en weien dekte;
Blanktrossige bomen daar geheven
Leken in zilvermeer te leven.

Zilver was 't al. De duinen lagen,
Als reuzen door de slaap verslagen,
In glimmend pantser breed ter neder.
Een zeemeeuw sloeg de zilverveder,

Dreef door het zilver van de heemlen,
En bleekte weg in 't zilverscheemlen
Boven de zee van licht doorglommen,
Waar kleine slaaprige golfjes zwommen.

Serena(Utrecht, 1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

adieu

Een gedicht van Garston Burssens

Adieu XXIV

à Yvette

Adieu. Dit zijn de laatste noten
die ik gespeeld heb op mijn ribbenkast.
Een kast, waarvan ik in de laden
wat blanco vellen heb geborgen,
papieren voor de dorst.
Zij zullen met mij begraven worden,
mishandeld en mijn slaven worden
en adders aan mijn borst.
Maar goed. Vandaag ben ik nog krekel,
doch morgen ben ik mier,
die overmorgen al zijn hekel
– uit zijn reserves in de pekel –
aan apropos, atoom en spirocheten
postuum zal zetten op papier.
Adieu! Wie weet of ik niet zal beklijven
door ’t schrijven van een later lied,
of ik het schrijven zal of niet.
Zinloos of niet.
Levend of niet.

Alles is mogelijk in een gedicht.  Verzamelde verzen 1914-1965

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van J.W.F Werumeus Buning

De engelen des doods willen mij vergezellen

De engelen des doods willen mij vergezellen,
een helder ver gezang en nimmer stil gebed
is immer rondom mij, waar ik mijn schreden zet,
steeds langzamer om mij te weer te stellen.
Ik strijd bij dag; ik worstel in mijn slaap;
al te vergeefs, 't onsterfelijke leven
omringt mij en wil mij geen sterven geven
noch ander leven, noch een stiller slaap.
Wat worstelt gij met mij, o englen? Als ik keer
tot deze mensen roept gij mij toch altijd weer
en neemt de vrede die ik bij hen heb verkregen,
als ik tot u wil gaan dwingt gij mij om te leven;
ik wil dit leven, niets dan strijd, niet meer.
'De liefde enkel is het leven,' zingen zij weer.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

narcissus

Een gedicht van Hans Lodeizen 1924-1950

Narcissus leunend op een voet van marmer

kijk daar staat Narcissus geleund
op een voet van marmer zodat
het haast lijkt alsof hijzelf van marmer is

zijn mooi lichaam wil ik in mijn armen
nemen maar het is van marmer en
als een lijk vertroebelt zijn beeltenis
mijn ogen en drijft weg.

Narcissus leunend op een voet van marmer.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

natuur

Een gedicht van Abrahan van Collem 1885-1933

Natuur ik luister naar uw wil

Natuur ik luister naar uw wil, ik ben
Uw zoon, gij hebt mij samengesteld, gij naamt
Planten en dieren, ijzer, giftig kruid
Het zout der zee, en van der bomen hars
Van Orion de lichtweg en het beeld,
En van de zon het goud en goot het uit
En mong het kostelijk, en maakte bloed
En huid en spieren tot dit opgaand lijf
Waarin de wind jaagt van uw scheppingsadem.
Voortdurend maakt ge mij, en stoot mij aan
En toetst mijn lichaam aan uw plant, uw dier,
Uw ijzer, lood en tin, magnesia
En d’andre stoffen stromend in uw brein,
Opdat ik mij herinnere, dat gij
Mijn maker zijt, en ik uw creatuur.

God (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:11 Reageer op dit bericht

getuig

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Getuig het, 's Gravenhage!

Getuig het, 's Gravenhage!
De hachelijke vrage
Verdeelde ons staatsbeleid;
Maar ook het neen der leden,
Die manlijk weerstand deden,
Was louter eerlijkheid.

Geen onderscheid in keuze
Schond de eenheid aller leuze:
Voldoening onzer schuld;
En wat de wrevel morde,
Het Neêrlands volk mint orde,
't Heeft eis en hoop vervuld.

't Geloofde, dat naar de aarde
De heldenvoorzaat staarde,
Die wetten eerbied droeg;
Het gold hem blijk te geven,
Of 't hart der jongste neven
Voor recht nog rustig sloeg.

Daar bracht Oranje 't offer,
En toe bleef kist noch koffer
Van heel de burgerij;
Ook gaven zelfs de schaam'len
Die nauw hun nooddruft zaam'len....
Uit plicht werd poëzij!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

gezegend

Een gedicht van Hendrik Jan Schimmel  1825-1906

Kent gij 't land zo rijk gezegend

Kent gij 't land zo rijk gezegend,
Kent gij 't weergevonden Eden?
Mensen zonder vijgenblâren
Wandlen daar naar de oudste zeden.

Vroeger was 't een warlig Babel
Door het onding: Revolutie,
Ieder school er, ieder huisde er
In 't gebouw der Constitutie!

Ieder mat en ieder paste,
Ieder woog en ieder stutte,
Schudde zelfs d'Aartsvader wakker,
Als hij op zijn vouwstoel dutte;

Dorst hem in zijn soep beknibblen,
Zich het bitse woord vermeten:
‘Gij zit stil, terwijl wij werken,
En wie zit moet niet veel eten.’

Maar de Aartsvader ‘bij Gods gratie’
Sloeg zijn knuppel toen aan stukken,
En begon van desperatie
Haar en baard zich uit te plukken.

O gij krom, verdraaid geslachte,
Die wilt werken, die wilt delven,
Die wilt wroeten, die wilt bouwen,
Niet voor mij, maar voor u zelven!

Broedsels van de revolutie,
Waar 'k van ijze, grijze en gruwe!
Al het uwe is wel het mijne,
Maar het mijne is niet het uwe.

Ik wil soep, zo veel ik luste!
Hoor uws vaders resolutie:
Hij wil dutten, gij zult werken,
En hij sloopt uw Constitutie.

Sinds die ure was er ruste;
Slechts één stem werd meer vernomen,
En die stem verkondde in 't ronde:
‘'t Eden is teruggekomen.’

Maar in 't hart der meeste kindren
Klonk het heimlijk: ‘Och eilacie!
Strafloos is het beurzensnijden
En de meineed “bij Gods gratie!”

De Gids (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:23 Reageer op dit bericht

vita

Een gedicht van Liewe Schipper 1808-1870

Vita mortalium vigilia

Een nachtwake is het leven,
De wieg grenst aan het graf;
Wij jagen en wij streven,
Door de aardse disteldreven,
Als brak het nimmer af!

Een nachtwake is het leven,
Roemzuchtig oorlogsheld!
Hoe hoog in macht verheven,
Het is de dood om ’t even,
Ras ligt ook gij geveld!

Een nachtwake is het leven,
Moed, lijdende onschuld! moed,
Waartoe dat angstig beven?
Uw webbe is haast geweven,
De dood, uw redder, spoedt!

Een nachtwake is het leven,
Meedogenloze vrek!
’t Gaat alles u begeven,
Waaraan uw hart blijft kleven,
Dra roept de dood: "vertrek"!

Een nachtwake is het leven,
Dat elk zijn ziel bereid’!
Want o! er staat geschreven,
In ’t woord aan ons verbleven:
"Op tijd, volgt eeuwigheid!".

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

wezembeek

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Wezembeek

Zachtlijnig glooit het veld van gouden graan
naar 't luchtblauw, diep in zomergloed verloren,
met ruisende aren die geleidlijk gaan,
in kollen openwentlend. - Heldre koren
vol klank- en kleurenspel, o eeuwig lied
der moederaarde, die haar schatten giet
in d' overvloed van 't wiegewagend koren.

Door 't koren gaan we en ons omlispelt stil
't listig geritsel van de ruisende aren:
de schelle krekel, die niet zwijgen wil,
sjirpt fijn, uit elke vore, op schrille snaren.
Nauw luide en hoorbaar daalt, uit de eindloosheid,
een ver gehelm van vooglen, en heel wijd
komt een dun wolksken in de lucht gevaren.

O rijke en rijpe rust, o korenveld!
Gij groeide, uit werk en liefde, in heil en weelde.
De aar buigt de halm terneer, met zacht geweld.
Fluks pikt een leeuwrik, die door 't koren speelde,
een korrel en wipt op en zingt, en zie:
't gaat alles mede, in stijgend' harmonie,
met 't lied, zo zoet als nooit nog vogel kweelde.

12 Juli 1900.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

onmacht

Een gedicht van Alfred Hegenscheidt 1866-1964

Onmacht

Ik weet het niet wat van mij worden moet
Na al dit rustloos pogen, nimmer slagen;
'k Heb vruchteloos een beeld in mij gedragen,
Ik heb de adem niet die 't leven doet.

En geest en hart, zij waaien droeve vlagen
Van kille leegheid in 't verdord gemoed;
En de aarde kwijnt; met haar gij, 't laatste goed
Waaraan 'k mij klamp, gedenkend vroeger dagen.

Waarom moest gij dan komen in de nood,
Ik riep u niet; wat dood moest zijn, wás dood,
En voor de rest, - ik had het ook gedragen, -

Gij hielp toen goddelijk dit leven schragen;
Maar ziet gij niet, nu gij mij wilt verlaten,
Dat ik het weer, maar meer dan ooit, moet haten?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

begeerlijkheid

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen,
dat is nu een van de erge gevaren:
de machtigste onder de belemmeringen,
die versperren den weg naar 't leven, 't ware.

Een gulp van de kostbare levenswijn
zwelgen we haastig en verstrooid naar binnen
en weer een, en weer een: 't hart en de zinnen
blijve' even dorstig, als waar 't drinken schijn.

We moeten leren, verlokking weerstaan,
en wat zich ons opdringt, lere' af te weren:
hoe luid het schreeuwt, wij nemen het niet aan.

Wij moeten ons tot d'oude wijsheid keren:
van haar, hoe door het àl te vele, leren
met evenwichtig hart te gaan.

Illustratie: (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:50 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van Fiore della Neve 1849-1934

Blauwe ogen.

't Was blauw, niet het blauw van vergeet-mij-niet,
Bescheiden, zwijgend en bleek;
Ook niet het blauw van lobelia's,
Aan d' oever der rustige beek.

't Was ook niet het blauw van de zomerlucht,
Schoon dit van de hemel vertelt,
Zelfs niet van de lucht in het meer weerkaatst,
Waar 't zacht in de golven versmelt.

't Was vreemder, meer dat van den Zuidernacht,
Doorschijnend, lichtend en diep,
Waaronder Venetië fluist'rend lacht
En 't gouden Palmyra sliep;

Het blauw van de wijkende horizont,
Waar Lohengrin's boot in verdween....
Het blauw, - waarheen ijdele wensen gaan,
En onverhoorde gebeên.

De Gids, jrg 48 (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.H. Priem 1865-1939

Een liedje voor Rosinde.

Blonde Rosinde, ziet ge niet
Hoe de zon haar pijltjes schiet
Door de groene linde?
Geloof me, 't is op jou gemunt....
Zonnetje, zonnetje, och, je kunt
Tòch haar hart niet vinden.

'k Heb er al jaren naar gezocht,
Heel wat uurtjes doorgebrocht
Onder de groene linde.
Als er de maan scheen bleek en koud,
Als er de zon scheen warm en goud,
Droomde ik er van Rosinde.

Kapellekens stoeien om het huis,
't Windje zingt met zacht gesuis
Door de groene linde.
Alles is zon en alles is geur,
Alles is klank en alles is kleur
Om 't nestje van Rosinde.

Haar venstertje is dat kleine daar,
Hoe vrolijk grijpen de takken er naar,
De takken der oude linde;
De bladeren kijken de kamer in 't rond,
O blaadjes, blaadjes, of gij daar vond
Een hartje, dat mij beminde!

De Gids, jrg 55 (1891)


Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

woord

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen

Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen,
mijn torve mond uw zacht-strelende daên?...

- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan
't verduisterd even-beeld van roereloze abelen
om 't matte wit en eêle geel der vele water-leel'en
die, bij 't gewieg van trage avond, kallem staan
en teer-aan neigen in het zilver-stil getaan
van schuine zonne-glanze' in bevend schaaûwe-spelen...

- Hoe zal 'k uw leden strelen, ik die treurig ben
en, vrezend, in mijn leven slechts de liefde ken
voor mijn vreemd eigen-beeld, weerkaatst in moe dood water;

('t beeld der abelen speelt in 't zilver-gele water)

- hoe smaakt mijn torve mond de wrange, arme waan
dat zijne liefde om uw stil wezen kunne gaan?...

schrijver

 

Geschreven door Dora om 16:39 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten