Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

poseidoon

Een gedicht van P.A.M. Boele van Hensbroek

POSEIDOON

De stormwind giert een reuzensymfonie;
Het grauwe zwerk dekt d' aard; als woeste scharen
Van krijgers rollen donderend de baren
Op 't maatgeluid dier woeste melodie.

Poseidoon toornt en zweept de golven. Zie,
Titanisch lacht hij bij de doodsgevaren
De schepeling bedreigend. Schatten garen
In 't diepe zeerijk wil hij. Wat men bie',

Niets, niets is hem genoeg. Hij wil vernielen
En heersen waar hem duizend offers vielen
Ten prooi. Ik stond aan 't strand en staard' in 't rond.

En 'k meend' een reuzig bekken schuim t' aanschouwen,
Waaruit Poseidoon met hoog opgestroopte mouwen
De baard inzeepte van het wereldrond.

Gedichten.(1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

de val

Een gedicht van J.K. Rensburg 1899-1943

De val van Rome.

Ik ben geen dichter, die zich voelt versmeten
Uit vreemde wereld, die hij rijzen ziet,
Haar herfstig-droeve aanblik wil vergeten
En in gedroom naar d' oude tijden vliedt,
Wie 't lijkt, als of geen schakel uit de keten
Der Evolutie hem verbinding biedt
Van Hede' en Toekomst en die toch, verbeten,
Vloekt al wat d'Eeuw van 't Eertijds leven liet.
Ik treur niet meer, wanneer ik aan de luchten
De draf van adels-dronken ridderstoet
Of 't plechtig aangegleden praal-vertoon
Van Rome's Kerk gestoord zie en vervluchten
Door walm van 't uit fabrieken hevelend roet,
Als spuwde d'Aarde golpen sombre hoon.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

maanlicht

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

MAANLICHT

Geklommen was de maan naar boven,
Had wolken stil uiteengeschoven,
Uit sneeuwengrot leek zij te turen,
En zilversneeuw in 't rond te sturen.

't Was of de warme zomeraarde
Het koelend zilver gretig gaarde;
Al meer en meer had ze opgevangen,
Tot al van zilver was omvangen.

Een koel, blank kleed dat verre strekte
En velden wijd en weien dekte;
Blanktrossige bomen daar geheven
Leken in zilvermeer te leven.

Zilver was 't al. De duinen lagen,
Als reuzen door de slaap verslagen,
In glimmend pantser breed ter neder.
Een zeemeeuw sloeg de zilverveder,

Dreef door het zilver van de heemlen,
En bleekte weg in 't zilverscheemlen
Boven de zee van licht doorglommen,
Waar kleine slaaprige golfjes zwommen.

Serena(Utrecht, 1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

adieu

Een gedicht van Garston Burssens

Adieu XXIV

à Yvette

Adieu. Dit zijn de laatste noten
die ik gespeeld heb op mijn ribbenkast.
Een kast, waarvan ik in de laden
wat blanco vellen heb geborgen,
papieren voor de dorst.
Zij zullen met mij begraven worden,
mishandeld en mijn slaven worden
en adders aan mijn borst.
Maar goed. Vandaag ben ik nog krekel,
doch morgen ben ik mier,
die overmorgen al zijn hekel
– uit zijn reserves in de pekel –
aan apropos, atoom en spirocheten
postuum zal zetten op papier.
Adieu! Wie weet of ik niet zal beklijven
door ’t schrijven van een later lied,
of ik het schrijven zal of niet.
Zinloos of niet.
Levend of niet.

Alles is mogelijk in een gedicht.  Verzamelde verzen 1914-1965

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van J.W.F Werumeus Buning

De engelen des doods willen mij vergezellen

De engelen des doods willen mij vergezellen,
een helder ver gezang en nimmer stil gebed
is immer rondom mij, waar ik mijn schreden zet,
steeds langzamer om mij te weer te stellen.
Ik strijd bij dag; ik worstel in mijn slaap;
al te vergeefs, 't onsterfelijke leven
omringt mij en wil mij geen sterven geven
noch ander leven, noch een stiller slaap.
Wat worstelt gij met mij, o englen? Als ik keer
tot deze mensen roept gij mij toch altijd weer
en neemt de vrede die ik bij hen heb verkregen,
als ik tot u wil gaan dwingt gij mij om te leven;
ik wil dit leven, niets dan strijd, niet meer.
'De liefde enkel is het leven,' zingen zij weer.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

narcissus

Een gedicht van Hans Lodeizen 1924-1950

Narcissus leunend op een voet van marmer

kijk daar staat Narcissus geleund
op een voet van marmer zodat
het haast lijkt alsof hijzelf van marmer is

zijn mooi lichaam wil ik in mijn armen
nemen maar het is van marmer en
als een lijk vertroebelt zijn beeltenis
mijn ogen en drijft weg.

Narcissus leunend op een voet van marmer.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

natuur

Een gedicht van Abrahan van Collem 1885-1933

Natuur ik luister naar uw wil

Natuur ik luister naar uw wil, ik ben
Uw zoon, gij hebt mij samengesteld, gij naamt
Planten en dieren, ijzer, giftig kruid
Het zout der zee, en van der bomen hars
Van Orion de lichtweg en het beeld,
En van de zon het goud en goot het uit
En mong het kostelijk, en maakte bloed
En huid en spieren tot dit opgaand lijf
Waarin de wind jaagt van uw scheppingsadem.
Voortdurend maakt ge mij, en stoot mij aan
En toetst mijn lichaam aan uw plant, uw dier,
Uw ijzer, lood en tin, magnesia
En d’andre stoffen stromend in uw brein,
Opdat ik mij herinnere, dat gij
Mijn maker zijt, en ik uw creatuur.

God (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:11 Reageer op dit bericht

getuig

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Getuig het, 's Gravenhage!

Getuig het, 's Gravenhage!
De hachelijke vrage
Verdeelde ons staatsbeleid;
Maar ook het neen der leden,
Die manlijk weerstand deden,
Was louter eerlijkheid.

Geen onderscheid in keuze
Schond de eenheid aller leuze:
Voldoening onzer schuld;
En wat de wrevel morde,
Het Neêrlands volk mint orde,
't Heeft eis en hoop vervuld.

't Geloofde, dat naar de aarde
De heldenvoorzaat staarde,
Die wetten eerbied droeg;
Het gold hem blijk te geven,
Of 't hart der jongste neven
Voor recht nog rustig sloeg.

Daar bracht Oranje 't offer,
En toe bleef kist noch koffer
Van heel de burgerij;
Ook gaven zelfs de schaam'len
Die nauw hun nooddruft zaam'len....
Uit plicht werd poëzij!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

gezegend

Een gedicht van Hendrik Jan Schimmel  1825-1906

Kent gij 't land zo rijk gezegend

Kent gij 't land zo rijk gezegend,
Kent gij 't weergevonden Eden?
Mensen zonder vijgenblâren
Wandlen daar naar de oudste zeden.

Vroeger was 't een warlig Babel
Door het onding: Revolutie,
Ieder school er, ieder huisde er
In 't gebouw der Constitutie!

Ieder mat en ieder paste,
Ieder woog en ieder stutte,
Schudde zelfs d'Aartsvader wakker,
Als hij op zijn vouwstoel dutte;

Dorst hem in zijn soep beknibblen,
Zich het bitse woord vermeten:
‘Gij zit stil, terwijl wij werken,
En wie zit moet niet veel eten.’

Maar de Aartsvader ‘bij Gods gratie’
Sloeg zijn knuppel toen aan stukken,
En begon van desperatie
Haar en baard zich uit te plukken.

O gij krom, verdraaid geslachte,
Die wilt werken, die wilt delven,
Die wilt wroeten, die wilt bouwen,
Niet voor mij, maar voor u zelven!

Broedsels van de revolutie,
Waar 'k van ijze, grijze en gruwe!
Al het uwe is wel het mijne,
Maar het mijne is niet het uwe.

Ik wil soep, zo veel ik luste!
Hoor uws vaders resolutie:
Hij wil dutten, gij zult werken,
En hij sloopt uw Constitutie.

Sinds die ure was er ruste;
Slechts één stem werd meer vernomen,
En die stem verkondde in 't ronde:
‘'t Eden is teruggekomen.’

Maar in 't hart der meeste kindren
Klonk het heimlijk: ‘Och eilacie!
Strafloos is het beurzensnijden
En de meineed “bij Gods gratie!”

De Gids (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:23 Reageer op dit bericht

vita

Een gedicht van Liewe Schipper 1808-1870

Vita mortalium vigilia

Een nachtwake is het leven,
De wieg grenst aan het graf;
Wij jagen en wij streven,
Door de aardse disteldreven,
Als brak het nimmer af!

Een nachtwake is het leven,
Roemzuchtig oorlogsheld!
Hoe hoog in macht verheven,
Het is de dood om ’t even,
Ras ligt ook gij geveld!

Een nachtwake is het leven,
Moed, lijdende onschuld! moed,
Waartoe dat angstig beven?
Uw webbe is haast geweven,
De dood, uw redder, spoedt!

Een nachtwake is het leven,
Meedogenloze vrek!
’t Gaat alles u begeven,
Waaraan uw hart blijft kleven,
Dra roept de dood: "vertrek"!

Een nachtwake is het leven,
Dat elk zijn ziel bereid’!
Want o! er staat geschreven,
In ’t woord aan ons verbleven:
"Op tijd, volgt eeuwigheid!".

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

wezembeek

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Wezembeek

Zachtlijnig glooit het veld van gouden graan
naar 't luchtblauw, diep in zomergloed verloren,
met ruisende aren die geleidlijk gaan,
in kollen openwentlend. - Heldre koren
vol klank- en kleurenspel, o eeuwig lied
der moederaarde, die haar schatten giet
in d' overvloed van 't wiegewagend koren.

Door 't koren gaan we en ons omlispelt stil
't listig geritsel van de ruisende aren:
de schelle krekel, die niet zwijgen wil,
sjirpt fijn, uit elke vore, op schrille snaren.
Nauw luide en hoorbaar daalt, uit de eindloosheid,
een ver gehelm van vooglen, en heel wijd
komt een dun wolksken in de lucht gevaren.

O rijke en rijpe rust, o korenveld!
Gij groeide, uit werk en liefde, in heil en weelde.
De aar buigt de halm terneer, met zacht geweld.
Fluks pikt een leeuwrik, die door 't koren speelde,
een korrel en wipt op en zingt, en zie:
't gaat alles mede, in stijgend' harmonie,
met 't lied, zo zoet als nooit nog vogel kweelde.

12 Juli 1900.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

onmacht

Een gedicht van Alfred Hegenscheidt 1866-1964

Onmacht

Ik weet het niet wat van mij worden moet
Na al dit rustloos pogen, nimmer slagen;
'k Heb vruchteloos een beeld in mij gedragen,
Ik heb de adem niet die 't leven doet.

En geest en hart, zij waaien droeve vlagen
Van kille leegheid in 't verdord gemoed;
En de aarde kwijnt; met haar gij, 't laatste goed
Waaraan 'k mij klamp, gedenkend vroeger dagen.

Waarom moest gij dan komen in de nood,
Ik riep u niet; wat dood moest zijn, wás dood,
En voor de rest, - ik had het ook gedragen, -

Gij hielp toen goddelijk dit leven schragen;
Maar ziet gij niet, nu gij mij wilt verlaten,
Dat ik het weer, maar meer dan ooit, moet haten?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

begeerlijkheid

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen,
dat is nu een van de erge gevaren:
de machtigste onder de belemmeringen,
die versperren den weg naar 't leven, 't ware.

Een gulp van de kostbare levenswijn
zwelgen we haastig en verstrooid naar binnen
en weer een, en weer een: 't hart en de zinnen
blijve' even dorstig, als waar 't drinken schijn.

We moeten leren, verlokking weerstaan,
en wat zich ons opdringt, lere' af te weren:
hoe luid het schreeuwt, wij nemen het niet aan.

Wij moeten ons tot d'oude wijsheid keren:
van haar, hoe door het àl te vele, leren
met evenwichtig hart te gaan.

Illustratie: (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:50 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van Fiore della Neve 1849-1934

Blauwe ogen.

't Was blauw, niet het blauw van vergeet-mij-niet,
Bescheiden, zwijgend en bleek;
Ook niet het blauw van lobelia's,
Aan d' oever der rustige beek.

't Was ook niet het blauw van de zomerlucht,
Schoon dit van de hemel vertelt,
Zelfs niet van de lucht in het meer weerkaatst,
Waar 't zacht in de golven versmelt.

't Was vreemder, meer dat van den Zuidernacht,
Doorschijnend, lichtend en diep,
Waaronder Venetië fluist'rend lacht
En 't gouden Palmyra sliep;

Het blauw van de wijkende horizont,
Waar Lohengrin's boot in verdween....
Het blauw, - waarheen ijdele wensen gaan,
En onverhoorde gebeên.

De Gids, jrg 48 (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.H. Priem 1865-1939

Een liedje voor Rosinde.

Blonde Rosinde, ziet ge niet
Hoe de zon haar pijltjes schiet
Door de groene linde?
Geloof me, 't is op jou gemunt....
Zonnetje, zonnetje, och, je kunt
Tòch haar hart niet vinden.

'k Heb er al jaren naar gezocht,
Heel wat uurtjes doorgebrocht
Onder de groene linde.
Als er de maan scheen bleek en koud,
Als er de zon scheen warm en goud,
Droomde ik er van Rosinde.

Kapellekens stoeien om het huis,
't Windje zingt met zacht gesuis
Door de groene linde.
Alles is zon en alles is geur,
Alles is klank en alles is kleur
Om 't nestje van Rosinde.

Haar venstertje is dat kleine daar,
Hoe vrolijk grijpen de takken er naar,
De takken der oude linde;
De bladeren kijken de kamer in 't rond,
O blaadjes, blaadjes, of gij daar vond
Een hartje, dat mij beminde!

De Gids, jrg 55 (1891)


Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

woord

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen

Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen,
mijn torve mond uw zacht-strelende daên?...

- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan
't verduisterd even-beeld van roereloze abelen
om 't matte wit en eêle geel der vele water-leel'en
die, bij 't gewieg van trage avond, kallem staan
en teer-aan neigen in het zilver-stil getaan
van schuine zonne-glanze' in bevend schaaûwe-spelen...

- Hoe zal 'k uw leden strelen, ik die treurig ben
en, vrezend, in mijn leven slechts de liefde ken
voor mijn vreemd eigen-beeld, weerkaatst in moe dood water;

('t beeld der abelen speelt in 't zilver-gele water)

- hoe smaakt mijn torve mond de wrange, arme waan
dat zijne liefde om uw stil wezen kunne gaan?...

schrijver

 

Geschreven door Dora om 16:39 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1891-1924 

Aan een, die mij ‘vriend’ noemde

Uw vriend? Werd ik uw vriend, die graag een smader,
Een hater van zijn eigen Volk eens was,
Die blij verleid, op zoetste zonden ras,
De zegen schond, van Moeder en van Vader?
Hoe zalig troost mij dat woord: ‘Onze Vriend’
Voor al mijn dwalingen, mijn smaad en smart
En drift, die tergend al tucht heeft getart,
Maar 'k vraag beschaamd: ‘Waarmede is het verdiend?
Met mijn lied, dat niets meer deed, dan herzingen
Wat ons Volk leed, sinds het door overmacht
Zijn macht gebroken vond, zijn Stad verbrand?’
Mijn Lied: overdroef van herinneringen
Vinde uw stem eens blijder volte in de kracht,
Die ons hart drijft naar eigen Stad en Land.

Het joodsche lied. Tweede boek (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

angst

Een gedicht van Piet Rensen 1902-1936

ANGST

Omdat het schoon was, was het gauw geschonden –
Wie mocht het schenden, o mijn harde Heer!

Omdat het nog maar nauwlijks was gevonden –
Wie mocht het nemen, al zo spoedig weer!

Het oud gemis heeft mij opnieuw gebonden
En trekt mij naar de diepte, als weleer...

In déze liefde was geen zweem van zonde.
Geef mij het heil van deze liefde weer.

Chaos (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

bouwval

Een gedicht van W.J. Hofdijk 1816-1888

 

De bouwval

De laatste glimp van 't avondrood
Vloeit langs de strakke muur,
En schuchter duikt de maanschijf op
Aan 't bleek en fijn azuur

Wat wekt ge, sombre steenkolos!
Die van uw glans verviel,
En eenzaam op de rotspunt rust,
Wat wekt gij in mijn ziel?

Versteende stem van vroeger tijd!
Wat spreekt gij tot mijn hart,
En wekt er droevig echo's op
Van weedom en van smart?...

't Is van van een vroeger lustpaleis
Z e l f sombre puinhoop thans,
En slechts herinrings avondrood
Ontgloeit het nog met glans.

Verspreide gedichten (1861)



schrijver

Geschreven door Dora om 23:21 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Jan Brester 1805-1862

LEVEN

Wij reppen onze schreden,
En scherpen ons gezicht,
En zoeken hier beneden
Wat verre vóór ons ligt; -
Verzuimen en verzaken,
Wat ons omringt, wel niet,
Maar hijgen toch en haken   
Naar vrolijker verschiet.   
Lacht ons een heuvel tegen,
Met welig groen beplant, - 
Wij vinden steile wegen,
En distels in het zand; 
En lokt het dal beneden          
Ook door zijn dicht gewas,- 
Dáár smoren onze treden   
In loos bedekt moeras;  
En als met minzaam vleien 
Der bergen top ons trekt, -                 
Wij vinden woestenijen
Met dichte sneeuw bedekt.
Een dwaalspoor vóór de schreden,
En de eindpaal ongewis, -
Zoo zoeken wij beneden
Wat niet beneden is.
Tot we eindlijk, duizendwerven,
Bedrogen en misleid,
Vermoeid zijn van het zwerven
Om niets dan ijdelheid.
Dan slaan wij 't oog naar boven,
En zien der heemlen pracht,
Vertrouwen en geloven,
Dat dáár het heil ons wacht.
Dan bidden we om genade,
Ons zelven niet genoeg. -
De dwaze doet dit spade;
De wijze doet het vroeg.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten