Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

getuig

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Getuig het, 's Gravenhage!

Getuig het, 's Gravenhage!
De hachelijke vrage
Verdeelde ons staatsbeleid;
Maar ook het neen der leden,
Die manlijk weerstand deden,
Was louter eerlijkheid.

Geen onderscheid in keuze
Schond de eenheid aller leuze:
Voldoening onzer schuld;
En wat de wrevel morde,
Het Neêrlands volk mint orde,
't Heeft eis en hoop vervuld.

't Geloofde, dat naar de aarde
De heldenvoorzaat staarde,
Die wetten eerbied droeg;
Het gold hem blijk te geven,
Of 't hart der jongste neven
Voor recht nog rustig sloeg.

Daar bracht Oranje 't offer,
En toe bleef kist noch koffer
Van heel de burgerij;
Ook gaven zelfs de schaam'len
Die nauw hun nooddruft zaam'len....
Uit plicht werd poëzij!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

gezegend

Een gedicht van Hendrik Jan Schimmel  1825-1906

Kent gij 't land zo rijk gezegend

Kent gij 't land zo rijk gezegend,
Kent gij 't weergevonden Eden?
Mensen zonder vijgenblâren
Wandlen daar naar de oudste zeden.

Vroeger was 't een warlig Babel
Door het onding: Revolutie,
Ieder school er, ieder huisde er
In 't gebouw der Constitutie!

Ieder mat en ieder paste,
Ieder woog en ieder stutte,
Schudde zelfs d'Aartsvader wakker,
Als hij op zijn vouwstoel dutte;

Dorst hem in zijn soep beknibblen,
Zich het bitse woord vermeten:
‘Gij zit stil, terwijl wij werken,
En wie zit moet niet veel eten.’

Maar de Aartsvader ‘bij Gods gratie’
Sloeg zijn knuppel toen aan stukken,
En begon van desperatie
Haar en baard zich uit te plukken.

O gij krom, verdraaid geslachte,
Die wilt werken, die wilt delven,
Die wilt wroeten, die wilt bouwen,
Niet voor mij, maar voor u zelven!

Broedsels van de revolutie,
Waar 'k van ijze, grijze en gruwe!
Al het uwe is wel het mijne,
Maar het mijne is niet het uwe.

Ik wil soep, zo veel ik luste!
Hoor uws vaders resolutie:
Hij wil dutten, gij zult werken,
En hij sloopt uw Constitutie.

Sinds die ure was er ruste;
Slechts één stem werd meer vernomen,
En die stem verkondde in 't ronde:
‘'t Eden is teruggekomen.’

Maar in 't hart der meeste kindren
Klonk het heimlijk: ‘Och eilacie!
Strafloos is het beurzensnijden
En de meineed “bij Gods gratie!”

De Gids (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:23 Reageer op dit bericht

vita

Een gedicht van Liewe Schipper 1808-1870

Vita mortalium vigilia

Een nachtwake is het leven,
De wieg grenst aan het graf;
Wij jagen en wij streven,
Door de aardse disteldreven,
Als brak het nimmer af!

Een nachtwake is het leven,
Roemzuchtig oorlogsheld!
Hoe hoog in macht verheven,
Het is de dood om ’t even,
Ras ligt ook gij geveld!

Een nachtwake is het leven,
Moed, lijdende onschuld! moed,
Waartoe dat angstig beven?
Uw webbe is haast geweven,
De dood, uw redder, spoedt!

Een nachtwake is het leven,
Meedogenloze vrek!
’t Gaat alles u begeven,
Waaraan uw hart blijft kleven,
Dra roept de dood: "vertrek"!

Een nachtwake is het leven,
Dat elk zijn ziel bereid’!
Want o! er staat geschreven,
In ’t woord aan ons verbleven:
"Op tijd, volgt eeuwigheid!".

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

wezembeek

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Wezembeek

Zachtlijnig glooit het veld van gouden graan
naar 't luchtblauw, diep in zomergloed verloren,
met ruisende aren die geleidlijk gaan,
in kollen openwentlend. - Heldre koren
vol klank- en kleurenspel, o eeuwig lied
der moederaarde, die haar schatten giet
in d' overvloed van 't wiegewagend koren.

Door 't koren gaan we en ons omlispelt stil
't listig geritsel van de ruisende aren:
de schelle krekel, die niet zwijgen wil,
sjirpt fijn, uit elke vore, op schrille snaren.
Nauw luide en hoorbaar daalt, uit de eindloosheid,
een ver gehelm van vooglen, en heel wijd
komt een dun wolksken in de lucht gevaren.

O rijke en rijpe rust, o korenveld!
Gij groeide, uit werk en liefde, in heil en weelde.
De aar buigt de halm terneer, met zacht geweld.
Fluks pikt een leeuwrik, die door 't koren speelde,
een korrel en wipt op en zingt, en zie:
't gaat alles mede, in stijgend' harmonie,
met 't lied, zo zoet als nooit nog vogel kweelde.

12 Juli 1900.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

onmacht

Een gedicht van Alfred Hegenscheidt 1866-1964

Onmacht

Ik weet het niet wat van mij worden moet
Na al dit rustloos pogen, nimmer slagen;
'k Heb vruchteloos een beeld in mij gedragen,
Ik heb de adem niet die 't leven doet.

En geest en hart, zij waaien droeve vlagen
Van kille leegheid in 't verdord gemoed;
En de aarde kwijnt; met haar gij, 't laatste goed
Waaraan 'k mij klamp, gedenkend vroeger dagen.

Waarom moest gij dan komen in de nood,
Ik riep u niet; wat dood moest zijn, wás dood,
En voor de rest, - ik had het ook gedragen, -

Gij hielp toen goddelijk dit leven schragen;
Maar ziet gij niet, nu gij mij wilt verlaten,
Dat ik het weer, maar meer dan ooit, moet haten?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

begeerlijkheid

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen,
dat is nu een van de erge gevaren:
de machtigste onder de belemmeringen,
die versperren den weg naar 't leven, 't ware.

Een gulp van de kostbare levenswijn
zwelgen we haastig en verstrooid naar binnen
en weer een, en weer een: 't hart en de zinnen
blijve' even dorstig, als waar 't drinken schijn.

We moeten leren, verlokking weerstaan,
en wat zich ons opdringt, lere' af te weren:
hoe luid het schreeuwt, wij nemen het niet aan.

Wij moeten ons tot d'oude wijsheid keren:
van haar, hoe door het àl te vele, leren
met evenwichtig hart te gaan.

Illustratie: (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:50 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van Fiore della Neve 1849-1934

Blauwe ogen.

't Was blauw, niet het blauw van vergeet-mij-niet,
Bescheiden, zwijgend en bleek;
Ook niet het blauw van lobelia's,
Aan d' oever der rustige beek.

't Was ook niet het blauw van de zomerlucht,
Schoon dit van de hemel vertelt,
Zelfs niet van de lucht in het meer weerkaatst,
Waar 't zacht in de golven versmelt.

't Was vreemder, meer dat van den Zuidernacht,
Doorschijnend, lichtend en diep,
Waaronder Venetië fluist'rend lacht
En 't gouden Palmyra sliep;

Het blauw van de wijkende horizont,
Waar Lohengrin's boot in verdween....
Het blauw, - waarheen ijdele wensen gaan,
En onverhoorde gebeên.

De Gids, jrg 48 (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.H. Priem 1865-1939

Een liedje voor Rosinde.

Blonde Rosinde, ziet ge niet
Hoe de zon haar pijltjes schiet
Door de groene linde?
Geloof me, 't is op jou gemunt....
Zonnetje, zonnetje, och, je kunt
Tòch haar hart niet vinden.

'k Heb er al jaren naar gezocht,
Heel wat uurtjes doorgebrocht
Onder de groene linde.
Als er de maan scheen bleek en koud,
Als er de zon scheen warm en goud,
Droomde ik er van Rosinde.

Kapellekens stoeien om het huis,
't Windje zingt met zacht gesuis
Door de groene linde.
Alles is zon en alles is geur,
Alles is klank en alles is kleur
Om 't nestje van Rosinde.

Haar venstertje is dat kleine daar,
Hoe vrolijk grijpen de takken er naar,
De takken der oude linde;
De bladeren kijken de kamer in 't rond,
O blaadjes, blaadjes, of gij daar vond
Een hartje, dat mij beminde!

De Gids, jrg 55 (1891)


Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

woord

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen

Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen,
mijn torve mond uw zacht-strelende daên?...

- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan
't verduisterd even-beeld van roereloze abelen
om 't matte wit en eêle geel der vele water-leel'en
die, bij 't gewieg van trage avond, kallem staan
en teer-aan neigen in het zilver-stil getaan
van schuine zonne-glanze' in bevend schaaûwe-spelen...

- Hoe zal 'k uw leden strelen, ik die treurig ben
en, vrezend, in mijn leven slechts de liefde ken
voor mijn vreemd eigen-beeld, weerkaatst in moe dood water;

('t beeld der abelen speelt in 't zilver-gele water)

- hoe smaakt mijn torve mond de wrange, arme waan
dat zijne liefde om uw stil wezen kunne gaan?...

schrijver

 

Geschreven door Dora om 16:39 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1891-1924 

Aan een, die mij ‘vriend’ noemde

Uw vriend? Werd ik uw vriend, die graag een smader,
Een hater van zijn eigen Volk eens was,
Die blij verleid, op zoetste zonden ras,
De zegen schond, van Moeder en van Vader?
Hoe zalig troost mij dat woord: ‘Onze Vriend’
Voor al mijn dwalingen, mijn smaad en smart
En drift, die tergend al tucht heeft getart,
Maar 'k vraag beschaamd: ‘Waarmede is het verdiend?
Met mijn lied, dat niets meer deed, dan herzingen
Wat ons Volk leed, sinds het door overmacht
Zijn macht gebroken vond, zijn Stad verbrand?’
Mijn Lied: overdroef van herinneringen
Vinde uw stem eens blijder volte in de kracht,
Die ons hart drijft naar eigen Stad en Land.

Het joodsche lied. Tweede boek (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

angst

Een gedicht van Piet Rensen 1902-1936

ANGST

Omdat het schoon was, was het gauw geschonden –
Wie mocht het schenden, o mijn harde Heer!

Omdat het nog maar nauwlijks was gevonden –
Wie mocht het nemen, al zo spoedig weer!

Het oud gemis heeft mij opnieuw gebonden
En trekt mij naar de diepte, als weleer...

In déze liefde was geen zweem van zonde.
Geef mij het heil van deze liefde weer.

Chaos (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

bouwval

Een gedicht van W.J. Hofdijk 1816-1888

 

De bouwval

De laatste glimp van 't avondrood
Vloeit langs de strakke muur,
En schuchter duikt de maanschijf op
Aan 't bleek en fijn azuur

Wat wekt ge, sombre steenkolos!
Die van uw glans verviel,
En eenzaam op de rotspunt rust,
Wat wekt gij in mijn ziel?

Versteende stem van vroeger tijd!
Wat spreekt gij tot mijn hart,
En wekt er droevig echo's op
Van weedom en van smart?...

't Is van van een vroeger lustpaleis
Z e l f sombre puinhoop thans,
En slechts herinrings avondrood
Ontgloeit het nog met glans.

Verspreide gedichten (1861)



schrijver

Geschreven door Dora om 23:21 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Jan Brester 1805-1862

LEVEN

Wij reppen onze schreden,
En scherpen ons gezicht,
En zoeken hier beneden
Wat verre vóór ons ligt; -
Verzuimen en verzaken,
Wat ons omringt, wel niet,
Maar hijgen toch en haken   
Naar vrolijker verschiet.   
Lacht ons een heuvel tegen,
Met welig groen beplant, - 
Wij vinden steile wegen,
En distels in het zand; 
En lokt het dal beneden          
Ook door zijn dicht gewas,- 
Dáár smoren onze treden   
In loos bedekt moeras;  
En als met minzaam vleien 
Der bergen top ons trekt, -                 
Wij vinden woestenijen
Met dichte sneeuw bedekt.
Een dwaalspoor vóór de schreden,
En de eindpaal ongewis, -
Zoo zoeken wij beneden
Wat niet beneden is.
Tot we eindlijk, duizendwerven,
Bedrogen en misleid,
Vermoeid zijn van het zwerven
Om niets dan ijdelheid.
Dan slaan wij 't oog naar boven,
En zien der heemlen pracht,
Vertrouwen en geloven,
Dat dáár het heil ons wacht.
Dan bidden we om genade,
Ons zelven niet genoeg. -
De dwaze doet dit spade;
De wijze doet het vroeg.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

jan zonderling

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

JAN ZONDERLING.

De zucht naar grootheid, die mij prest,
Doet mij betreden paden vloeken.
Ik kan niet b e t e r doen dan best,
Zo wil ik ’t dan bij a n d e r s zoeken.

Gemengde gedichten, deel 3 (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

bloei

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Bloei

De bogaard vloeit over
Van rood en van wit,
Waar plaats was voor lover
Nam bloesem bezit;
En zwaarhoofden duchten,
In weelde zo groot,
't Verstikken der vruchten
Uit wit en uit rood!

De jong'ling omzweven
De vreugd en de min,
Voor d'ernst van het leven
Geen zweemsel van zin;
En boetpreêkers schild'ren
Het blakend geneugt,
Als dreigde verwild'ren
In minne en in vreugd!

Och, wacht maar! - fluks komen
De storm en de smart,
Tot redding dier bomen,
Ter lout'ring van 't hart:
Een blaad'renzee wiegelt
In spijt van de worm,
En zielsadel spiegelt
Uit straffere vorm!

Wat dunkt u verloren?
Wat acht ge verkwist?
De lent' heeft gekoren,
De liefde beslist:
O heerlijk ontbloeien
In vruchten volend,
En heiligend gloeien
Dat opwaart zich wendt!

De Werken II Poëzy (1896)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:31 Reageer op dit bericht

vertrouwen

Een gedicht van Gerrit Bruggencate 1803-1858

Vertrouwen

Zo de storm ons treffen mocht,
Hij toch hield u op uw tocht
Meest voor bui en vlaag geborgen;
Meer, ja meer dan moedermin,
Meer dan vaderlijke zorgen
Had Zijn liefde voor u in.
Wis de traan dan uit het oog
't Biddend harte dan omhoog,
Als ons leed en smart omringen!
Ja, vertrouwen wij ons lot,
Bij des levens wisselingen,
Broeders, steeds geheel aan God!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

twee

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Twee Filmsirenen

Fatale fletsheid, die met klamme geuren
het witte zeil in iedre stand doorhangt,
maar super-kappers in je netten vangt,
te overvloedig om het te betreuren -

't model van doodshoofd door je vel omprangd
mag men in elke scheurkalender speuren,
en voor een prik, Greet, kan dus wie 't verlangt
zijn slaapsalet er veelmaals mee befleuren.

En jij, Marleen, die met gekruider sauzen
van blikken, stem en benen de eetlust stijft,
je clientèle groeit, want zonder rauzen
werd ieder wijfjesdier door je overwijfd -

Doe voort! Veel roem en rijkdom! En mijn ziel
moog' dieper snurken bij dit sex-appeal.

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:48 Reageer op dit bericht

de vrouw

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

DE VROUW AAN HET VENSTER

Nooit opent zich de poort. 't Raam is zo hoog
Dat zij eerst de aarde ziet in wijde verte:
De stroom omarmt het bos in blauwe boog;
Door 't groen gaan rode vogels, ranke herten.

Niets weet zij van het levensspel daartussen;
Maar het moet schoon zijn, want zij mist het zeer.
Zij wil omhelzen, vindt niets om te kussen
Dan de eigen schouder, rond en koel en teer.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:45 Reageer op dit bericht

zwervers

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

De zwerver

Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
Tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van ‘t avonddorp, dat daar verlaten ligt.

Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.

Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
Er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
Dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.

Verzamelde gedichten (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

wierook

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

WIEROOK 

o Wierookgraan,
     geronnen traan
van ceder- en van lorkenstammen,
     gebedenbeeld,
     daar ‘t vier in speelt,
en ‘t vonkelen van ‘s herten vlammen.

     Geen gave van
     fijn goud en kan
mijn hand de Heer, geen myrrha bieden,
     maar wierook zal,
     en overal
en allen dag, Hem dank bedieden.

     o Wierookgraan,
     in ‘t vier gedaan,
en rokende uit mijns herten midden,
     van aards en grauw
     wordt hemels blauw:
gaat, wierookgraan, de Here aanbidden!

15/2/1897

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten