Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

wezembeek

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Wezembeek

Zachtlijnig glooit het veld van gouden graan
naar 't luchtblauw, diep in zomergloed verloren,
met ruisende aren die geleidlijk gaan,
in kollen openwentlend. - Heldre koren
vol klank- en kleurenspel, o eeuwig lied
der moederaarde, die haar schatten giet
in d' overvloed van 't wiegewagend koren.

Door 't koren gaan we en ons omlispelt stil
't listig geritsel van de ruisende aren:
de schelle krekel, die niet zwijgen wil,
sjirpt fijn, uit elke vore, op schrille snaren.
Nauw luide en hoorbaar daalt, uit de eindloosheid,
een ver gehelm van vooglen, en heel wijd
komt een dun wolksken in de lucht gevaren.

O rijke en rijpe rust, o korenveld!
Gij groeide, uit werk en liefde, in heil en weelde.
De aar buigt de halm terneer, met zacht geweld.
Fluks pikt een leeuwrik, die door 't koren speelde,
een korrel en wipt op en zingt, en zie:
't gaat alles mede, in stijgend' harmonie,
met 't lied, zo zoet als nooit nog vogel kweelde.

12 Juli 1900.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

onmacht

Een gedicht van Alfred Hegenscheidt 1866-1964

Onmacht

Ik weet het niet wat van mij worden moet
Na al dit rustloos pogen, nimmer slagen;
'k Heb vruchteloos een beeld in mij gedragen,
Ik heb de adem niet die 't leven doet.

En geest en hart, zij waaien droeve vlagen
Van kille leegheid in 't verdord gemoed;
En de aarde kwijnt; met haar gij, 't laatste goed
Waaraan 'k mij klamp, gedenkend vroeger dagen.

Waarom moest gij dan komen in de nood,
Ik riep u niet; wat dood moest zijn, wás dood,
En voor de rest, - ik had het ook gedragen, -

Gij hielp toen goddelijk dit leven schragen;
Maar ziet gij niet, nu gij mij wilt verlaten,
Dat ik het weer, maar meer dan ooit, moet haten?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

begeerlijkheid

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen,
dat is nu een van de erge gevaren:
de machtigste onder de belemmeringen,
die versperren den weg naar 't leven, 't ware.

Een gulp van de kostbare levenswijn
zwelgen we haastig en verstrooid naar binnen
en weer een, en weer een: 't hart en de zinnen
blijve' even dorstig, als waar 't drinken schijn.

We moeten leren, verlokking weerstaan,
en wat zich ons opdringt, lere' af te weren:
hoe luid het schreeuwt, wij nemen het niet aan.

Wij moeten ons tot d'oude wijsheid keren:
van haar, hoe door het àl te vele, leren
met evenwichtig hart te gaan.

Illustratie: (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:50 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van Fiore della Neve 1849-1934

Blauwe ogen.

't Was blauw, niet het blauw van vergeet-mij-niet,
Bescheiden, zwijgend en bleek;
Ook niet het blauw van lobelia's,
Aan d' oever der rustige beek.

't Was ook niet het blauw van de zomerlucht,
Schoon dit van de hemel vertelt,
Zelfs niet van de lucht in het meer weerkaatst,
Waar 't zacht in de golven versmelt.

't Was vreemder, meer dat van den Zuidernacht,
Doorschijnend, lichtend en diep,
Waaronder Venetië fluist'rend lacht
En 't gouden Palmyra sliep;

Het blauw van de wijkende horizont,
Waar Lohengrin's boot in verdween....
Het blauw, - waarheen ijdele wensen gaan,
En onverhoorde gebeên.

De Gids, jrg 48 (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.H. Priem 1865-1939

Een liedje voor Rosinde.

Blonde Rosinde, ziet ge niet
Hoe de zon haar pijltjes schiet
Door de groene linde?
Geloof me, 't is op jou gemunt....
Zonnetje, zonnetje, och, je kunt
Tòch haar hart niet vinden.

'k Heb er al jaren naar gezocht,
Heel wat uurtjes doorgebrocht
Onder de groene linde.
Als er de maan scheen bleek en koud,
Als er de zon scheen warm en goud,
Droomde ik er van Rosinde.

Kapellekens stoeien om het huis,
't Windje zingt met zacht gesuis
Door de groene linde.
Alles is zon en alles is geur,
Alles is klank en alles is kleur
Om 't nestje van Rosinde.

Haar venstertje is dat kleine daar,
Hoe vrolijk grijpen de takken er naar,
De takken der oude linde;
De bladeren kijken de kamer in 't rond,
O blaadjes, blaadjes, of gij daar vond
Een hartje, dat mij beminde!

De Gids, jrg 55 (1891)


Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

woord

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen

Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen,
mijn torve mond uw zacht-strelende daên?...

- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan
't verduisterd even-beeld van roereloze abelen
om 't matte wit en eêle geel der vele water-leel'en
die, bij 't gewieg van trage avond, kallem staan
en teer-aan neigen in het zilver-stil getaan
van schuine zonne-glanze' in bevend schaaûwe-spelen...

- Hoe zal 'k uw leden strelen, ik die treurig ben
en, vrezend, in mijn leven slechts de liefde ken
voor mijn vreemd eigen-beeld, weerkaatst in moe dood water;

('t beeld der abelen speelt in 't zilver-gele water)

- hoe smaakt mijn torve mond de wrange, arme waan
dat zijne liefde om uw stil wezen kunne gaan?...

schrijver

 

Geschreven door Dora om 16:39 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1891-1924 

Aan een, die mij ‘vriend’ noemde

Uw vriend? Werd ik uw vriend, die graag een smader,
Een hater van zijn eigen Volk eens was,
Die blij verleid, op zoetste zonden ras,
De zegen schond, van Moeder en van Vader?
Hoe zalig troost mij dat woord: ‘Onze Vriend’
Voor al mijn dwalingen, mijn smaad en smart
En drift, die tergend al tucht heeft getart,
Maar 'k vraag beschaamd: ‘Waarmede is het verdiend?
Met mijn lied, dat niets meer deed, dan herzingen
Wat ons Volk leed, sinds het door overmacht
Zijn macht gebroken vond, zijn Stad verbrand?’
Mijn Lied: overdroef van herinneringen
Vinde uw stem eens blijder volte in de kracht,
Die ons hart drijft naar eigen Stad en Land.

Het joodsche lied. Tweede boek (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

angst

Een gedicht van Piet Rensen 1902-1936

ANGST

Omdat het schoon was, was het gauw geschonden –
Wie mocht het schenden, o mijn harde Heer!

Omdat het nog maar nauwlijks was gevonden –
Wie mocht het nemen, al zo spoedig weer!

Het oud gemis heeft mij opnieuw gebonden
En trekt mij naar de diepte, als weleer...

In déze liefde was geen zweem van zonde.
Geef mij het heil van deze liefde weer.

Chaos (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

bouwval

Een gedicht van W.J. Hofdijk 1816-1888

 

De bouwval

De laatste glimp van 't avondrood
Vloeit langs de strakke muur,
En schuchter duikt de maanschijf op
Aan 't bleek en fijn azuur

Wat wekt ge, sombre steenkolos!
Die van uw glans verviel,
En eenzaam op de rotspunt rust,
Wat wekt gij in mijn ziel?

Versteende stem van vroeger tijd!
Wat spreekt gij tot mijn hart,
En wekt er droevig echo's op
Van weedom en van smart?...

't Is van van een vroeger lustpaleis
Z e l f sombre puinhoop thans,
En slechts herinrings avondrood
Ontgloeit het nog met glans.

Verspreide gedichten (1861)



schrijver

Geschreven door Dora om 23:21 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Jan Brester 1805-1862

LEVEN

Wij reppen onze schreden,
En scherpen ons gezicht,
En zoeken hier beneden
Wat verre vóór ons ligt; -
Verzuimen en verzaken,
Wat ons omringt, wel niet,
Maar hijgen toch en haken   
Naar vrolijker verschiet.   
Lacht ons een heuvel tegen,
Met welig groen beplant, - 
Wij vinden steile wegen,
En distels in het zand; 
En lokt het dal beneden          
Ook door zijn dicht gewas,- 
Dáár smoren onze treden   
In loos bedekt moeras;  
En als met minzaam vleien 
Der bergen top ons trekt, -                 
Wij vinden woestenijen
Met dichte sneeuw bedekt.
Een dwaalspoor vóór de schreden,
En de eindpaal ongewis, -
Zoo zoeken wij beneden
Wat niet beneden is.
Tot we eindlijk, duizendwerven,
Bedrogen en misleid,
Vermoeid zijn van het zwerven
Om niets dan ijdelheid.
Dan slaan wij 't oog naar boven,
En zien der heemlen pracht,
Vertrouwen en geloven,
Dat dáár het heil ons wacht.
Dan bidden we om genade,
Ons zelven niet genoeg. -
De dwaze doet dit spade;
De wijze doet het vroeg.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

jan zonderling

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

JAN ZONDERLING.

De zucht naar grootheid, die mij prest,
Doet mij betreden paden vloeken.
Ik kan niet b e t e r doen dan best,
Zo wil ik ’t dan bij a n d e r s zoeken.

Gemengde gedichten, deel 3 (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

bloei

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Bloei

De bogaard vloeit over
Van rood en van wit,
Waar plaats was voor lover
Nam bloesem bezit;
En zwaarhoofden duchten,
In weelde zo groot,
't Verstikken der vruchten
Uit wit en uit rood!

De jong'ling omzweven
De vreugd en de min,
Voor d'ernst van het leven
Geen zweemsel van zin;
En boetpreêkers schild'ren
Het blakend geneugt,
Als dreigde verwild'ren
In minne en in vreugd!

Och, wacht maar! - fluks komen
De storm en de smart,
Tot redding dier bomen,
Ter lout'ring van 't hart:
Een blaad'renzee wiegelt
In spijt van de worm,
En zielsadel spiegelt
Uit straffere vorm!

Wat dunkt u verloren?
Wat acht ge verkwist?
De lent' heeft gekoren,
De liefde beslist:
O heerlijk ontbloeien
In vruchten volend,
En heiligend gloeien
Dat opwaart zich wendt!

De Werken II Poëzy (1896)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:31 Reageer op dit bericht

vertrouwen

Een gedicht van Gerrit Bruggencate 1803-1858

Vertrouwen

Zo de storm ons treffen mocht,
Hij toch hield u op uw tocht
Meest voor bui en vlaag geborgen;
Meer, ja meer dan moedermin,
Meer dan vaderlijke zorgen
Had Zijn liefde voor u in.
Wis de traan dan uit het oog
't Biddend harte dan omhoog,
Als ons leed en smart omringen!
Ja, vertrouwen wij ons lot,
Bij des levens wisselingen,
Broeders, steeds geheel aan God!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

twee

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Twee Filmsirenen

Fatale fletsheid, die met klamme geuren
het witte zeil in iedre stand doorhangt,
maar super-kappers in je netten vangt,
te overvloedig om het te betreuren -

't model van doodshoofd door je vel omprangd
mag men in elke scheurkalender speuren,
en voor een prik, Greet, kan dus wie 't verlangt
zijn slaapsalet er veelmaals mee befleuren.

En jij, Marleen, die met gekruider sauzen
van blikken, stem en benen de eetlust stijft,
je clientèle groeit, want zonder rauzen
werd ieder wijfjesdier door je overwijfd -

Doe voort! Veel roem en rijkdom! En mijn ziel
moog' dieper snurken bij dit sex-appeal.

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:48 Reageer op dit bericht

de vrouw

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

DE VROUW AAN HET VENSTER

Nooit opent zich de poort. 't Raam is zo hoog
Dat zij eerst de aarde ziet in wijde verte:
De stroom omarmt het bos in blauwe boog;
Door 't groen gaan rode vogels, ranke herten.

Niets weet zij van het levensspel daartussen;
Maar het moet schoon zijn, want zij mist het zeer.
Zij wil omhelzen, vindt niets om te kussen
Dan de eigen schouder, rond en koel en teer.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:45 Reageer op dit bericht

zwervers

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

De zwerver

Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
Tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van ‘t avonddorp, dat daar verlaten ligt.

Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.

Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
Er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
Dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.

Verzamelde gedichten (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

wierook

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

WIEROOK 

o Wierookgraan,
     geronnen traan
van ceder- en van lorkenstammen,
     gebedenbeeld,
     daar ‘t vier in speelt,
en ‘t vonkelen van ‘s herten vlammen.

     Geen gave van
     fijn goud en kan
mijn hand de Heer, geen myrrha bieden,
     maar wierook zal,
     en overal
en allen dag, Hem dank bedieden.

     o Wierookgraan,
     in ‘t vier gedaan,
en rokende uit mijns herten midden,
     van aards en grauw
     wordt hemels blauw:
gaat, wierookgraan, de Here aanbidden!

15/2/1897

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

keukenmoeder

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Keukenmoeder.

Sappig vlees en sappig ooft,
Schat van kruiden vers en fleurig,
Alles wordt nog éens zo keurig,
Als ons Moedertje ze stooft:
'k Wed, ze kon een harde kei
Murrew maken als pastei.

Wilt ge weten, lieve kind,
Waar de kunst in is gelegen?
Als ge letten wilt ter degen,
Ben ik zeker, dat ge 't vindt!
Maar ge wordt door haar verkloekt,
Als ge 't in het Kookboek zoekt.

Of begeert ge, dat ik zèg,
Hoe 't recept wel is geheten?
't Heet - och! wil het niet vergeten:
'Zindlijkheid en overleg;'
En voor Saus (geloof me vrij)
Doe er maar wat Honger bij!

Al de volksdichten (1865)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

stille

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

Mijn Stille Dicht Nu en Voorheen

Gemoedsgetuig'nis af te leggen
Verbiedt mij 't onverzoend gemoed;
Wat mij zijn dicht-stem vóór komt zeggen,
Verga als ijd'le klank - eer 't and'ren luist'ren doet.

Mijn jeugd zei vaak haar verzen over,
Schreef ze op, maar deed haar schrift te niet;
Teloor gaan deed zij knop en lover
En bloesem uit de tuin van 't onbesnoeide lied.

Tien jaren lang dacht ze aan geen kansen
Op meegevoel, des dichters krans!...
Dicht mijner jeugd - hoe arm aan glansen,
Vast blij-gedurfd en fris-luid zeggen wou 'k u thans!...

Och arm, alsof ik baat zou vinden
Bij stem uit onbezorgd voorheen;
Wàt baat me? o immer meer beminde!
Wier dood me aan al uw leed blijft binden,
Wier nagedacht'nis vraagt - of weldoend lied of geen.

De Beweging jrg.6 (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

bitterheid

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Bitterheid

Het woord, dat mij met kracht omgordde,
     En vrede en vreugd gaf,
Is alsem voor mijn mond geworden,
     En voor mijn ziel een straf.

De naam, die al mijn onrust stilde...
     Het fluisterzachte woord,
Waarop ik eenmaal pleiten wilde,
     Staande aan 's Hemels poort -

Die Grote Naam, zal ik niet noemen,
     Die grendels open schoof,
Vraagt God de grond, waarop ik roeme?
     'Heer, op mijn ongeloof.'

Nieuwe verzen (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:57 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten