Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 september 2014 tot 30 september 2014

zingen

Een gedicht van Nico van Suchtelen 1878-1949

Ik dacht dat ik niet zingen kon dan blijde?

Ik dacht dat ik niet zingen kon dan blijde?
Maar ruist de zee niet rusteloos haar zang,
Nu zacht en klaar, dan war en wild en bang,
Anders in stil, anders in stormgetijde?

Zo glanzenrijk als wisseltintge zijde,
Dan armlijk grauw en wedrom, voor hoelang?
Eén blanke blauwte, en zò wisselt die zang
Die eeuwig 't eeuwig spel zal begeleiden.

O wijde zee en wijdgestrekte stranden,
Hoe waande ik dat mijn ziel, wijl liefdeleeg
En dor als groene landen die verzandden

Mijn leven leek, nu ook voor immer zweeg,
Schoon rustloos als uw almaar branden branden
Diep in mij de eeuwge tijzang zonk of steeg!

De Beweging (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:21 Reageer op dit bericht

herfstwee

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Herfstwee. 

In reke,
langs de beke,
en lijk bijeengevlucht,
vol schamelheid en schaamte,
geraamte bij geraamte,
de bomen in de schemerlucht.
Hoog rijzen ze in hun rildheid,
die reuzen, bronzig-bruin,
en steken, vol gestildheid,
lijk stommen, kruin bij kruin.
Hun brede voeten
duiken ze in het boordevolle bed
der beeweggaande wateren, die met
een lage zang hun hoge smert verzoeten.
Grauw omendomme ligt de wee
die 's zomers groenegroeiend deinde,
en zong gelijk een zachte zee,
geluidloos in een weedom zonder einde.

Geen kalfjes rond een luie koe
die hippewippend huppelen.
Geen koeien kerft een wilgeroe
tot wissen en tot knuppelen.
Allenig ligt het gras nu, moe
en tenden tot bestervens toe,
vol dikke, matte druppelen.
En lijze, onhoorbaar haast,
doch zichtbaar aan den drijf der avonddomen,
blaast
een dodenadem nog een loverke uit de bomen,
rolt het, glazig-nat en ners,
alover 't streuvelende gers,
tot in de biezen die de beek omzomen;
en laat het dan,
gevallen, van
het laagste lis, heel langzaam boven 't water stromen.

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:53 Reageer op dit bericht

kroon

Een gedicht van Willem Kloos 1859=1938

Gij zult niet met een kroon op 't hoofd

Gij zult niet met een kroon op 't hoofd in 't Rijk
Der Lettren zitten na uw dood, verdwaasden,
Gij knutslaars ijdlijk, die alleen maar aasden
Om eens te zitten, niet voor 't Volk, te prijk

Voor boeren, die dan zouden zeggen: ‘Kijk,
Dat 's óók een knappe dichter, maar 'k bereik
Er niets van, met mijn dom hoofd, 't zijn verraasden,
Die liever zorgen moesten dat zij kaasden.’

O allen gij, die meent te zijn een dichter,
Maak toch u-zelf een aantal ponden lichter
En weet wel dat de enig-echte kunst slechts daar staat,

Waar zij oprecht fier op haar benen waar staat,
Weet toch dat Uw taal slechts is in m i j n hand veilig,
Wijl zij gestaêg door m i j n stem slechts klinkt heilig.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Koos Speenhoff 1869-1945

Het kind van de zonde

Ik ben een lichtzinnig persoontje,
Te jong om verstandig te doen.
Ik lach als een ander zou huilen,
Mijn hele fortuin is een zoen.
Mijn naam kan me niemendal schelen,
Omdat ik niet weet wie ik ben.
Ik kan ‘m niet lezen of schrijven,
Want lachen is al wat ik ken.
Ik ben maar een kind van de zonde,
Ik leef voor de glanzende schijn;
Wanneer er geen zonden bestonden,
Dan zou ik een engeltje zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

voorbijgangster

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1916

Voorbijgangster

Een lief gelaat in tere lijnen
Een stille lach om jonge mond:
Zo schreed zij daar; en de eigen stond
Voelde ik een leegte in mij schrijnen.

Zag zij mijn blik bewondrend schijnen?
De lange wimpers zonken blond
Op de ogen; 'k zag haar lach verkwijnen
En voelde schaamte om wat ik schond.

Toen welde in ’t hart een diep verlangen:
Een jong gelaat, dat minnend vleit,
Wenste ik, een hand vol tederheid,
Die mild de mijne hield omvangen,
Een fluist’rend woord, dat troost zou langen
En breken deze eentonigheid. -

Nagelaten verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van J.P. Haasbroek 1812-1896

AAN ENE MOEDER.

Hoe schoon stond de bloemkroon op 't jeugdige hoofd,
Toen 'k u in de Bruidzaal mocht groeten;
Toen waart ge aan de Vreugd en de Schoonheid verloofd;
De Jonkheid bracht hulde aan uw voeten;
De oranjebloem zelfs scheen niet wit bij de glans
Van 't elpenblank voorhoofd, gedekt met haar krans.

Thans buigt zich uw schedel allengskens ter neer;
Uw voorhoofd, met rimplen doorsneden,
Tooit sneeuwwitte bloesem noch elpenbeen meer;
Geen jeugd strooit gebloemt' voor uw schreden.
o Moeder, in wie dus de Schone verdween,
Waar is nu de bloemkroon van gisteren heen?

Maar hoe? Is die bloemkroon gevallen ter aard',
Waarheen mij uw blik schijnt te wijzen?
Ja, 'k zie daar, als bloesem, die viel in de gaard,
Een krans, om zijn schoonheid te prijzen;
Een krans, die maar enkel uit knoppen bestaat,
Waarin zich de wordende Schoonheid verraadt.

Een krans is 't van — kindren, gekweekt met úw bloed,
Dat helder hun wangen doet blozen;
Van kindren, wier oogstraal nu blinkt van úw gloed,
Wier lip is bedekt met úw rozen;
Van kindren, in wie gij, o Moeder! herleeft,
En ons weer úw schoon te bewonderen geeft!

Buk, Moeder! naar de aarde, en vergaar op uw schoot
Het kroost, dat uw voeten omhuppelt;
Dan tooit u de krans, die uw lokken ontschoot,
Met tranen van vreugde bedruppeld.
Cornelia sprak: mijn juwelen zijn hier!
En gij: Zie de bloemen, waar 'k thans mij mee sier!

Winde-kelken (1864)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

vervulling

Een gedicht van Aaart van der Leeuw 1876-1931

Vervulling

De moeder schuift het venster op en weent,
De kalme kamer ligt van zon doorspeeld
En, op de rand der stervenssponde, leent
De ziel des doden over tot zijn beeld.

Hij kan niet scheiden, want hij ziet zijn mond
Die, als een sikkel door het koren zwaait,
Oogsten deed zinken, zoet-gerijpt en blond;
Maar nu zijn alle velden afgemaaid.

Bleek rust het voorhoofd, dat rijk bijenhuis,
Waarin gedachten vlogen zwaar-bevracht,
Om ledig uit te gaan, met licht geruis,
Den laatste last te zaamlen vóor de nacht.

Hij ziet zijn hand, en 't lijkt hem of haar greep,
Die zich gekromd had vast om 't klinkend goud,
En kostlijk sap uit alle vruchten neep,
Nu ook, in starre kramp, zíjn vlucht weerhoudt.

De wind beweegt een goudenregentros,
Doorgolft de kamer met oneindigheid,
En maakt het lichaam tot de ijdle dos,
Die graag wordt afgelegd voor slapenstijd;

Dan, gloeiend, voelt de jonge vreemdeling
Hoe 't binnendringend koeltje in kaf verwaait
Wat eens als paarlen om die vingers hing,
Doch dat nu 't ware graan werd uitgezaaid.

En ook dit voorhoofd, als haar geur de roos,
Zijn vroom vermoeden koestrend diep-verhúld,
Die mond, zo veel-begerend en zo broos,
Het beiden liefstbeloofde is hier vervuld.

Een stem roept drangvol met een nieuwe naam,
De tweede wereld breidt haar bloesemgouw
En, luchtig zwevend door 't omrankte raam,
Verliest de schim zich in het wenkend blauw.

Herscheppingen (Van de tweede Wereld)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

schone

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

De weifelende schone

Waarom zoude ik toch beminnen?
Is de Liefde dan zo zoet?
Doris zal mij niet verwinnen,
Schoon hij zo veel moeite doet!
Schatten heeft hij - maar - zijn schatten
Dan de bronnen onzer vreugd?
Neen! de rijkdom, niet te omvatten,
Is 't bezit der schone deugd!

Waarom zoude ik toch beminnen?
Is de Liefde dan zo zoet?

Hylas zal mij niet verwinnen,
Schoon hij zo veel moeite doet.
Welgevormd en juist van leden
Is hij 't puik der frisse jeugd;
Maar! zijn woeste en losse zeden
Missen 't kenmerk van de deugd!

Waarom zoude ik toch beminnen?
Is de Liefde dan zo zoet?

Daphnis zal mij niet verwinnen,
Schoon hij zo veel moeite doet!
Daphnis is zo braaf als schrander....!
Dit is immers 't merk der deugd? -
Hij heeft, boven menig ander,
Grijze wijsheid in zijn jeugd!

Ach! indien ik kon beminnen!....
Mooglijk is de Liefde zoet!
Daphnis zou mij wel verwinnen,
Want hij heeft een eêl gemoed.
Daphnis, ja! ik moet u achten....
Zacht! - zo dit eens liefde waar?....
Neen! dit moet hij nimmer wachten!
'k Min hem niet - ik acht hem maar!

Gezangen mijner jeugd (1782)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

roosje

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Geen roosje zonder doornen.

Een roos, die zonder doornen bloeit,
Waar mag ze zijn te vinden?
'k Vrees, dat ze in weinig hoven groeit;
Je zoekt vergeefs, me-vrinden!

En of ze ook al te vinden waar',
Ligt dat ze u zou mishagen;
Het hoort nu eenmaal bij elkaar,
Dat roosjes Doornen dragen.

Wat leed in lust, wat lust in leed,
Zo is ons aardse leven;
En als het ons geen goed en deed,
't Ware ànders ons gegeven.

Dies neemt de roosjes, als ze zijn;
Het leven met zijn nukken;
En doet het soms een beetje pijn....
Het leer' voorzichtig plukken.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

kinderzin

Een gedicht van P.A. de Génestet 1821-1869

KINDERZIN

’t Klein volk dat buiten zich zo vrij
   In ’t leventje verheugde,
’t Is nu ’t weer oprukt even blij
   In stad wacht nieuwe vreugde!

Grootmoeder is niet wel gemutst,
   Daar geen der dartle klenen,
Die zij bedroefd ten afscheid kust,
   Zelfs met één oog kan wenen.

Wie als een kind zijn dag geniet,
   Zal nooit zijn dag beklagen
En schept, wat kome, in ’t nieuw verschiet
   Weer altijd nieuw behagen.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:54 Reageer op dit bericht

zomeravond

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

Een zomeravond

De poëzie komt over me als een droom
Vol sterren en een lijfelijke nacht
Van duister, waar me een hel gelaat van licht
En vriendelijke ogen - enkel dat gelaat,
Want ál de rest is nevel zonder vorm.
En heel den nacht nijg ik me er heen en houd
Stille gemeenschap tot de morgen daagt. -
Dan lig ik stil met half geloken wimpers
Te staren, waar ik telkens nog de lach
Dier ogen meen te zien en 't blonde haar
Half over 't voorhoofd - dan zijgt zijwaarts af
Mijn hoofd in 't kussen en ik slaap in 't licht.-

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

DE VERLOREN VROUW

Een grauw verdriet is in mijn ziel begonnen,
De dag is triest en vol onduldbaar wee...
Ik weet het nu: 'k heb mij te laat bezonnen,
Geen deelt mij ooit meer van zijn deernis mee.

Vroeger ben ik mijn eigen zelf ontronnen,
Wellust verkoor ik boven zoele vreê.
En thans, helaas! ik geef mij laf verwonnen:
Ik ben een wrak op zwalpend-zwarte zee.

Ach vond ik één die zat van vreugde en zwerven
De troosting zoekt die ik zo droef ontbeer
En die als ik 't geluk heeft moeten derven:

'k Zou hem weer vrouw zijn, balsem voor zijn zeer,
En willoos in zijn armen zou ik sterven
Die zaalge dood die ik zo fel begeer.

De Beweging (1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

kusjens

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889
KUSJENS.

Wilt gij weten, lieve Schone,
Zielvermeestrend als Dione!
Hoeveel kusjens ik verlang,
Als ik, van uw arm omstrengeld,
Door de zoetste min verengeld,
Hijgende aan uw boezem hang?
Tel dan (zo gij 't moogt) de zuchtjens
Van de zwoele lenteluchtjens,
Die hier, fladdrende of en aan,
Dartlen door de lindeblaân;
Tel het heir der bloesemknoppen,
Dat bij zefiers lentegroet
Van zijn zwachtels zich ontdoet,
Of de vruchtbre pareldroppen,
Die de blonde Aurore weent,
Als ze, omgord van al haar luister,
Na het scheemrend avondduister
't Aardrijk nieuwe kracht verleent;
Tel de zilverblanke vlokken,
Die de norse wintervorst
Bibbrende afschudt van zijn lokken,
Als hij 't veld met sneeuw omschorst;                                      
Tel de starren die er glansen
Aan het onbewolkt azuur
Van de dichtbestrooide transen
In het zwijgend avonduur,
Of de golfjens, die er dansen
Op de kristallijnen vloed,
Die hier kabbelt aan mijn voet:
Even zoveel malse kusjens,
Gloeiend van de teerste lustjens
En bevrucht met ambrozijn,
Blijf ik van uw lipsatijn
En uw donzen rozenwangen,
Lieve! in zulk een stond verlangen.


          1836.

---------------------------------------
Dione - mooie moeder van de godin Aphrodite
Zefier - (god van de) gunstige westenwind
Aurore - (godin van de) dageraad
Ambrozijn - godenspijs

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE VLAAMSE TALE IS WONDERZOET

De vlaamse tale is wonder zoet,
voor die haar geen geweld en doet,
maar rusten laat in ‘t herte, alwaar
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
te monde uitgaat haar vrije gang!
Wat verruwprachtig hoortoneel,
wat zielverrukkend zingestreel,
o vlaamse tale, uw kunste ontplooit
wanneer zij ‘t al vol leven strooit
en vol onzegbaar schoonzijn, dat,
lijk wolken wierooks, welt
uit uw zoet wierookvat!

-------------------------------
verruwprachtig - kleurrijk

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

lippen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

De lippen van het water...

De lippen van het water leggen zich
verliefd, verlustigd op de rondom open
gewelfde kring; zij komen toegeslopen
en dringen op en rekken zich...

Gesneden in de alabasten rand
is er een vers van een zo uitverkoren
zoetheid van woorden, dat de zin verloren
wegdeinde in dit bedwelmende verband.

Een strofe, die in jubel zich verhief
en dan zich strengelde en zich ging winden
tot een beschaduwing van de beminde,
van het besloten, zinsbetoovrend lief.

En zwijmend onder alle heerlijkheden
benadert nu een weke en vochte mond
de kostlijke syllaben, snikte en vond
er zijn besterven, stom teruggegleden.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:24 Reageer op dit bericht

germanismen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

GERMANISMEN.

Gij hebt mij, lieve Buren!
Uw t o o n s t u k niet te sturen;
Ik zing niet gaarne op D u i t s;
Houdt, daar gij mij door ’t oor boort
Met uw afgrijslijk v o o r w o o r d,
Uw l i e d e r t a f e l s thuis.
Verlost mij van de d a a d z a a k,
Waarover ik mij kwaadmaak,
Gewis niet zonder grond!
En w i j s, om mij te grieven,
Niet h e e n naar de o m l o o p s b r i e v e n,
Die gij mij onlangs zondt.
Och, dat de Nederlanden
Toch s p o r e l o o s verbanden
Wat v o o r t g a a t uit uw huis,
In plaats van d o o r  t e  v o e r e n
Wat burgeren en boeren
Tot schande strekt of kruis.
Ons Neerduits was welluidend,
Zolang gij ’t niet b e d u i d e n d
Met valse klanken schondt;
Ons Neerduits was verstandig,
Zolang men ’t niet onhandig
Verplooide naar uw mond;
Ons Neerduits zal slechts leven,
Zolang wij ’t niet vergeven
Met vruchten van uw grond.

Gedichten III (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

de dichter

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

DE DICHTER

Geen zomer-schaâuwe is schoon als 't beeld, in volle teilen,
der welv'ge melk die ront, van roerig licht ommaald.
Mijn schamel huis, waar zoel een geur van peren draalt,
weegt teerder in mijn schroom dan 't hele herfst-verwijlen.

En, waar van 't winter-dak een schone mane daalt,
'n weifelt ijl een hele lente in hare wijle,
o mijn gezóende blik, en moe van eigen-peilen?
- Geen zoen is goed, dan die vergeten zorg verhaalt...

Aldus wie zijn geluk in 't noden van een teken
gelijk een geurig brood meewarig-blij durft breken,
en nut de zuurste zemel-korst in heil'ge waan;

om bij het heil dat weende en 't vreemde leed dat lachte,
en in de hoede van uw deemstren, o Gedachte,
eens, als een schone vraag, glim-lachend heen te gaan.

De Boom-Gaard der Vogelen en der Vruchten (1903 - 1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

letterschrift

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Het letterschrift

Hoe! met een ganzenschacht, gegrepen in de vingeren,
Beveelt ge aan 't vluchtig woord: Rust op dees broze stof!
Ge aanschouwt het in de zwaai der dode letterslingeren,
En de eigen klank keert weer, die oor en boezem trof.
De spreker ging voorbij; zijn adem is gebleven:
Hij stierf; zijn adem leeft, zijn ziel kleeft vast op 't blad;
Ja, teelt zich-zelve voort, om 't aardrijk door te zweven;
Vermaant, getuigt, beveelt, in d'enkle vederspat.
ô Hemelgift der Taal, gij band der stervelingen!
Verlichaamd slaapt ge in 't schrift; men roept u, en ge ontwaakt,
Om aarde en oceaan en eeuwen door te dringen:
Ja, stift en beitelslag maakt steen en graf bespraakt.
Neen, Puniër noch Schyt kon zulk een wonder scheppen
Dat in d'aanschouwbre trek de onzichtbre stem besluit,
Die d'adem ruisen deed, en tong en lippen reppen,
Verbond de zichtbre vorm aan 't hoorbre spraakgeluid.
Wat raast de dwaasheid dan van vroeger beeldentekens,
Ten dekkleed uitgedacht voor Leerverborgenheên!
Geen andre schrijvenskunst dan de echte kunst des sprekens!
Uit God zijn ze afgedaald, en beide zijn slechts één.


1819.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

horzel

Een gedicht van Helen Swarth 1859-1941

De horzel van mijn onrust drijft mij voort

De horzel van mijn onrust drijft mij voort,
Zodat ik nooit mijn vrede weer kan vinden.
Wil stil ik dromen in den geur der linden,
Verledengeur, die teder nog bekoort,
Zoo toornt de horzel en zijn angel boort
Mij in de keel, tot tranen mij verblinden
En 'k zwervend weer moet zoeken wie mij minden
Zoo drijft de horzel mij van oord tot oord.

Geheimvol daalt de nacht - laat me eindlijk slapen!
Ik hoor den horzel kloppen aan mijn slapen,
Mijn brandende ogen steekt de horzel wond.
Lang, sarrend traag blijft hij mijn hoofd omgonzen,
Dan in mijn hartekamer hoor ik bonzen,
En 't is de horzel, die geen uitweg vond.

De Gids (jrg 84) (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

woorden

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Als 't latere geslacht dees woorden leest

Als 't latere geslacht dees woorden leest, -
Want dit geslacht zal lachen om dit vers,
De zotte poppen van de pratte pers
In de aller-aller-eerste plaats, dán 't Beest

Voor niets méér dan een groot gevoel bevreesd,
Dat zich Beschaafd Publiek noemt, dat een kners
Hoort in een gil of klacht, en van elk vers
Rijm-zottertje maakt een familie-feest; -

En ook véél andren zij dit hier gezeid
(Mensen met hart zijn schaars in deze tijd)
Maar zo één is, dan heb ik 't hèm gewijd:

Wees hard, èn koud, èn vreemd, met iedereen,
En ween nooit mee, 'dat gij niet later ween',
Rond u-zelf krimpend, op de grond, alleen.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

kreet

Kreet

 
Er zijn kreten
Er zijn valse kreten
Maar ook hartenkreten
Doe vooral geen mensen
erge pijn
Ieder mens mag er zijn
In het schrijven mag je verblijven
En jezelf aanvoelen
Soms met woorden of letters kroelen
Laat een gedicht een eerlijk gezicht zijn
Dan is er ook geen nodeloze pijn!
 Rozen plaatjes

 

Geschreven door Dora om 19:28 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

De vreemde dood.

Mijn peinzen kan de vreemde dood nìet loven
Die me u welhaast voor steeds genomen had:
Uw lichaam dat mijn droom ontroerd bezat,
Uw bleek gelaat welks lach mijn smart kan doven.

Dan had ik u nooit bevend meer omvat,
Nooit meer uw haar gestreeld, zijn geur gesnoven,
Met u nooit meer door zomers blijde hoven
Gedwaald of laat door de avondlichte stad.

- Neen 't is niet wreed dat na een zalig zwerven
Door vreugde en hoop en stilte en droefenis
Wij eindelijk een koele rust verwerven,

Maar nu: mijn ziel is bang en ongewis,
Ik kan uw warmte, uw zachtheid nog niet derven,
Uw liefde die zo zoet-vertroostend is.

Gedichten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

woord-jazz

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928
WOORD-JAZZ OP RUSSIES GEGEVEN

Donkozakken  Donkozakken
    Rogoschin lachen
              Rogoschin mes
                    Rogoschin mes-lachen
    Wolga ____________________ Wolga
amper bloed gutsen van de Filippovna
    moe-verzadigd kind haar hart
    Smerdjakoff lachen lachen lachen
                    Smerdjakoff doodt de dood
    In de verte
               over de tarwe-Oekraine
               over de tarwezee-Oekraine
               over het begeerte-geel der zomeroekraine
    dansen de Donkozakken      Donkozakken
              dansen de gogolgnomen
    gogolgnomen gogolgnomen in zich-zelf gelovig
    Wolga ____________________ Wolga
    Stappen doorstikken steppe
              gogolgnomen gieten geen gulpen van ietwat licht
              over lwan
                                   Karamasoff
    Rogoschin lacht een scheermes
               dood de Filippovna
    Donkozakken     Gogolgnomen     stapdoorstikte steppe
            Topazenoeral
            en het vallen der perziese prinses
            in het wollen wolgawater
    van het russies kabaret
                           B a l j e f f   B a l j e f f
    Wolga    wolga
         steppe    steppe
           tarwezeeoekraine

                    N e e n !

    er is geen stad over Petersburg
                    waar Rogoschin's mes ligt
                    steeds bereid steeds bereid
                              bereid

    Nachtstappen naar de uiteindelike Heimat
                    daar eten zilveren schalen gogolgnomen
                              rijstepap


    Wolga                    steppe                 mes

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

herinnering

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

Herinnering

Velen die 'k noodde in mijner dromen woon
en die er 's levens wondre beelden zagen
hoorde ik elkander met verwondring vragen:
‘Hij roemde zo, is dit dan al zijn schoon?’

En andren lachten luid: ‘Hoe ongewoon!
Hoe vreemd, hoe dwaas: hoe kan hem dat behagen!’
en keerden weer naar de eigen grijze dagen.
Doch geen van hen gaf mij 't verwachte loon.

En 'k schreide zacht wijl sinds wij beiden scheidden
geen warme hand mij leidde bij mijn dwalen,
mij die alleen zo droef ben en zo zwak.

Maar toen de luchters weer hun schijnen spreidden
trad ik stil met herinnring door mijn zalen,
en 't was me als hoorde ik weer uw stem die sprak.

De Beweging (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:19 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten