Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 mei 2011 tot 31 mei 2011

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929

Een ster

Een ster: een klompke ijs tusschen mijn hete tanden...
Terwijl ge onzichtbaar zijt, o zee, die nauwelijks hijgt;
terwijl mijn hart gelijk een oude zuster zwijgt,
komt deze stipte oneindlijkheid mijn lippen branden.

– Mijn nachten waren ene mand vol droom aan droom;
mijn dagen, ’t vast getal der appelen die zwellen
in elke boom-gaard en aan elke zware boom.
Ik had geen vingren om mijn weelden aan te tellen.

Thans: ijlt’. De tijd is guur en onberoerd. De tijd
is als de kille en dorre zee, die zwoegt noch krijt.
Ik ben alleen; ik pers mijn strakke lippen samen
op eenzaam deze grote sterre, die ze bijt.

“Verzen aan zee en in een tuin” in Het zatte hart (1926)

Geschreven door Dora om 11:36 Reageer op dit bericht

morgen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Ik zie de morgen

Ik zie de morgen als een gouden mist
van eigen rijkdom trage wade
een afgehangen web van draden,
en nu in twist
vingertjes vechten, vingertjes vagen
door de ragen,
rafelen, halen de draden aan,
varen er in het losgegaan
weefsel, maken de fijne gazen
een plundering en de gevlochten mazen
wijden zij uit, werken er een begin
van scheuren, totdat er tussenin
blanke kalme handen komen
de edele twee, een gelaten paar,
die van elkaar
de omgeslagen vouwen schoven,
geruste handen langs wier boven -
vlakken in glanzende val afglijden
de ruisende plooien naar weerszijden,
en zo bedaard met een lichte duw
tillen zij nu
het slaapgordijn,
zie, zie, hoe wel de dag mag zijn?

Geschreven door Dora om 13:09 Reageer op dit bericht

grafschrift

Een gedicht van Multatuli 1820-1887 kort maar krachtig

Grafschriften voor Thorbecke

CII.

Nageslacht, ik waarschuw je! Alles saamgenomen,
Hoort er 'n brutale courage toe, na mij ter wereld te komen.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:09 Reageer op dit bericht

strand

Een gedicht van Fedde Nicolai

Ik sta aan het mooie strand
En zie de grote wijde zee
Wieg met de golven mee
Mijn voeten zakken in het zand.

Ik geniet van het golven spel
Dat steeds weer anders wordt
Soms hoog en breed, soms kort
Soms langzaam, soms ook snel.

Het blijft mij maar boeien
En vraag me af hoe het kan
Ik krijg er nooit genoeg van
Het water blijft aldoor stoeien.

Prachtig deze grote blauwe zee
Uren kan ik er naar staren
Naar die woelige baren
In gedachten dobber ik steeds mee.

Stil word ik van de grootheid
Van al dat bruisende water
Van het bulderende geklater
En ik denk aan Gods majesteit

God die dit alles gemaakt heeft
Zee, land, lucht en winden
In de natuur is ook Hij te vinden
God is het die ons dit alles geeft.

God zij geprezen dag aan dag
Om Zijn onmetelijke macht
Om Zijn heerlijkheid en pracht
Dat een ieder dit ervaren mag.


Dit gedicht is geschreven door op 23-07-2008
Geschreven door Dora om 19:32 Reageer op dit bericht

mijmering

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Barbiersmijmering

Mijn leven is een molen,
En ik ben 't molenpaard.
Mijn wapen is het scheermes,
Mijn glorie is de baard.
't Is iedre dag het zelfde:
Vroeg op is 't oud parool;
Ik bak vaak zoete broodjes
En ik verkoop veel kool.
Ik kal met oude heren
En scherts met jonge lui;
Ik critiseer de preken
En sla ook menig ui.
Ik jaag op alle nieuwtjes
En vent ze willig rond;
'k Ben rekbaar van conscientie
En dapper met de mond.
'k Streel honderden van kinnen,
Mijn mes is als een zij;
'k Zie honderden karakters
Zich openen voor mij.
Ik schik me naar de opinies
En neem er 't mijne van,
'k Ben ultra of gematigd:
Ik ken zeer gauw mijn man.
Ik weet van alle zaken
Zo wat het hoofdrefrein;
't Gemengde nieuws der kranten
Verwerk ik in mijn brein.
Ik spreek van Japanezen,
Van Holland op zijn smalst;
De paus en Garribaldi
Vind ik om beurte 't malst;
'k Roem ieder Ministerie,
Als 't op het kussen zit.
'k Herkauw het oude zuurdeeg,
En ben een Jan de Wit.
Ik gruw van oude zondaars,
Maar werk hen in de hand;
'k Ben zalvend en lankmoedig,
En toch een stokebrand.
'k Rijt oude wondjes open
En leg er pleisters op;
Hier voel ik jicht en jammer,
Daar dans ik mijn galop.
Ik houd wel veel van schuimpjes
En 'k viesneus van het schuim;
'k Zou graag het land regeren,
Maar 'k draai naar iedre luim.
't Vernuft heeft scherping nodig,
Nog meer soms dan mijn mes;
Ik hoor naar vele namen,
Maar 't meeste naar Jan Kles.
Ach, zepen om de centen,
Daar zit de hele kneep:
Laat ik de klantjes zitten,
Dan ga 'k voor goed om zeep.

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:13 Reageer op dit bericht

herinneringen

Herinnering aan Holland


Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
aan de einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.


H . Marsman

--------------------------------------------------------------------

Geschreven door Dora om 19:23 Reageer op dit bericht

zwaard-lelies

Een gedicht Jacobus van Looy 1855-1930

Zwaard-lelies

In de oude, bekende vertrekken
Zij pronken en stralen en strekken
Hun vuur-prachtig rood;

Zij staan voor de ramen te gloeden
Als van kardinalen de hoeden,
Van machtigen, groot;

En staan in de hoeken te vlammen
Als pluimen in hellem-kammen
En vanen in oorlogs-nood;

En schaatren diep en schreeuwen
De kreet stil die ging door de eeuwen
Om Vrijheid en brood;

En sieren door hunne verschijning
Heel 't huis met die donkere schrijning
Van de wieg tot de dood .

Gedichten (1932)

Illustratie: Zwaardlelies of gladiolen

schrijver

Geschreven door Dora om 10:51 Reageer op dit bericht

Oranje

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831
Oranje

Vlecht Oranje om de hoed!
Holland rijst met nieuwe moed
Uit de schoot der waat'ren!
Huppel vrolijk in het rond!
Daver Hollands vruchtbre grond!
Laat de vreugde schaat'ren!

Holland grijpt de wapens aan,
Om de vijand af te slaan;
Plant de leger vanen,
En het uitgetogen zwaard
Zal de fiere Leeuwstandaard
't Spoor der zege banen.

Holland blinkt in 't krijgsgeweer;
Holland vlamt op krijgsmans eer;
't Zal zijn haard bevrijden.
En de God, die wond'ren doet,
Zegent aller brave moed:
Hij zal met ons strijden.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht

zonnebloem

Een gedicht van Frederik van Eden 1860-1932
Zonne-bloem

Ik ken een plant, niet fraai van loof
niet schoon, niet rank gesteeld.
Haar vorm is lomp, haar bloem is grof,
Geen dichter zingt er ooit zijn lof
of nam haar tot zijn beeld.

Toch heeft zij iets wat mij behaagt.
Zij keert zich naar het licht,
van af het eerste morgen-uur
wendt zij naar 't vrolijk zonnevuur
haar groot en geel gezicht.

Ik wilde dat ik als die bloem
naar 't licht mij wenden kon.
Zij draagt de kleur der vrolijkheid
en richt haar kelk ten allen tijd
naar 't helder licht der zon.

Jeugd-verzen (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:55 Reageer op dit bericht

smalle ring

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

De smalle ring

De smalle ring, de gouden band
Schendt niet de naaktheid van uw hand,
Gelijk uw stralend lijf niet weet
De schaduw van zijn donkre kleed:

Uw stralend lichaam lijdt noch weet
De schaduw van zijn donker kleed,
Zoals geen lijf of stof bezwaart
De ziel die door uw ogen klaart:

Geen aardse lijf, geen stof bezwaart
De ziel die door uw ogen klaart,
Als smalle ring, als gouden band
Niet schendt de naaktheid van uw hand.

Vergeten liedjes (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:47 Reageer op dit bericht

lente

Een gedichtje van Herman de Gorter 1864-1927
Een nieuwe lente en een nieuw geluidIk wil dat dit lied klinkt als het gefluitDat ik vaak hoorde voor een zomernacht,In een oud stadje, langs de watergracht
Geschreven door Dora om 21:39 1 reactie Reageer op dit bericht

de dood

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

De dood, dat is

De dood, dat is, niet meer de zon zien, is
Niet meer de sterren zien, aan hoge nachten,
De dood, dat is het niet meer mogen wachten,
De ochtendschemering, de duisternis.

De dood, dat is, het niet meer mogen zijn,
De dood, dat is, het niet meer mogen denken,
De dood, dat is, niet meer bewust U schenken
Weg, te worden tot een ander zijn.

De dood, dat is, in stilten liggen, waar
Het ruisen leeft der levens-overgangen,
De dood, dat is, het henenzinken naar
De Chaos, die U eertijds hield omvangen.

De dood, hij is een scheidende, hij giet
Alle gestalten om tot nieuwe vormen,
Hij is de onaandoenlijke, hij ziet
Voorkeureloos de mensen en de wormen.

De dood, met vreemde lach, heeft leven lief,
De dood, hij komt het goede leven halen
En kust het weg; geruiseloze dief,
Sluipt hij de poorten langs en de portalen.

De dood, gij wildet zijn gelaat niet zien,
Maar nu gij hem gezien hebt, werd gij stille,
En legt U heen, en lacht tot hem misschien,
En zijt geworden, tot een zonder wille.

Een lafenis is hij, een goede daad,
Maar een, bij wiens nabij komen wij wenen,
Wanneer zijn hand iets wat ons lief is slaat,
En niet neemt ons, maar wel dit lieve henen.

O dood, neem mij tot U, fluister mij aan
De diepe zin uwer veranderingen,
En laat mij niet uw stilte binnengaan
Voor ik van uwe fluistering mocht zingen.

Van God en van de natuur (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

bij mezelf

Een hartenkreet van De Hertog, hierin lees ik de eenvoud van een schaap!

Bij mezelf

Ik denk niet rechts en ook niet links
ik ben niet open, noch ben ik slinks
ik vlieg niet hoog, maar ook niet laag
ik ga niet snel, ik ben ook niet traag

Ik denk niet zwart, ik denk ook niet wit
ik ben niet koud, noch ben ik verhit
ik denk niet groot, niet klein
ik ben niet grof maar ook niet fijn

Ik ben niet arm, ik ben ook niet rijk
en op het vlakke land ben ik zeker geen dijk
ik ben geen ster en ook niet de maan
en de zon moet ik maar al te vaak ondergaan

Ik ben noch het water, noch het vuur, ik blijf
mezelf maar, ook al ziet men mij niet staan.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:35 Reageer op dit bericht

ooievaar

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Een liedeke van de ooievaar

Oievaar, lepelaar!
Waar heb-je zo lang gezeten?
Dreef-je de grote Nijlstroom af?
Heb-je gewandeld om Faraos graf?
En ben-je mij niet vergeten?

Oievaar, lepelaar!
Wie of er je rokje knipte?
Zijn er je kousen nog altijd rood?
En waarom mis ik-je rechterpoot?
Of liet-je die in Egypte?

Oievaar, lepelaar!
Och, kon ik je spreken leren!
Olijkert, draag-je wat nieuws hier heen?
Berg-je dat met jouw ene been
Zo stillekes onder je veren?

Oievaar, lepelaar!
Zeg, heb-je wat voor mamaatje?
Breng jij een Zusje? Dan is het goed:
Maar liefst een Broertje van melk en bloed -
Dan heb ik een kameraadje !

De dichtwerken (1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:10 Reageer op dit bericht

dichterschap

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Dichterschap

Vaak denk ik, moe van arbeid-in-gemis,
(Daar geen uit eigen kunnen dichter is)

Dat somtijds in een zeldzame enkeling
Door onvoorzienbare begunstiging

De geest wel plots de sterke vleugels rept
En in zijn feilloze opvlucht schoonheid schept, -

Zodat, visioen waar de ademtocht voor faalt!
God zichtbaar uit dat menslijk zingen straalt;


Maar dat hij meestal, slechts indien hij, stil,
(Kleine eigen-wil gëordend naar Gods wil)

Zijn dichten als ondelgbre schuld erkent,
En dan, van al wat hindert afgewend,

In strenge, blindelings aanvaarde plicht
Zijn leven opdraagt aan 't volmaakt gedicht, -

Eindlijk, als hij verzaakt heeft noch gemord,
Eén korte, diepe stonde dichter wordt.

Doch oók die worstling met het stugge woord,
(Waarachter 't hart de hoge zang al hoort)

Als 't licht ons, toch nog, flitsend binnendringt
En, daar 't uit God is dat het straalt en zingt,

Zíjn liefde ons zingende opheft tot een staat,
Die al ons leed in vreugd te boven gaat, -

Ze is, korte delging van de óndelgbre schuld,
Om dat geluk een gave die vervult.


Dan, neigt mijn peinzen naar die liedren heen,
(Want alle schoonheid is uit God alleen)

Waarin door de aarde omgrensde vreugde en pijn
Zó innig aan zich zelf ontzongen zijn,

Dat van de rhythmus die door de aether ruist,
Ook in hún stem een ijle erinnring suist, -

Hoe zou 'k, wat zij tot stem der ziel verwijdt,
Niet eren in ontroerde dankbaarheid?


Zo - wetend, door vervulling en gemis,
Dat geen uit eigen kunnen dichter is,

Maar 't al gegeven krijgt, zelfs als hij, stil,
Zijn eigen wil staag ordent naar Gods wil,

En moeizaam worstelt tot hij, in zijn woord,
De heldre toon van 't hoge zingen hoort, -

Dank ik eerbiedig voor mijn dichterlot,
Want alle schoonheid is, alleen, uit God.

Verzen 1940

 

Geschreven door Dora om 11:44 Reageer op dit bericht

maan

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Maan idylle

„Ik ben de maan, ik ben de maan,
het liefje van Pierrot,
ik zie hem aan het venster staan,
tot wenen klaar
met zijn gietaar:
Pierrot, Pierrot, mijn minnaar blo
lid van de Firma Smart & Co.....
ahi -- ahi — aho!

,,Pierrot, Pierrot, heb je verdriet?
Neem je gietaar en speel een lied;
ik sta te ver voor kus of zoen
en, kan het met een lied wel doen!
Ik ben gevoelig, zacht en week,
gegarandeerd het wasecht bleek.
Ik ben het hart voor 't lijdend hart,
de hemelspiegel van de smart,
ik ben 't asiel der hysterie,
bibliotheek der elegie,
ik ben de vrouw der verre min,
traditioneel als hartsvriendin;
ik speel al eeuwen hier mijn rol
mijn hart hangt hoog, lijkt boordevol,
want elke straal is lange brief
ad libitum voor elke lief:
Pierrot, Pierrot, heb je verdriet ?
Ik ben, ik ben wie jij niet ziet!

,,Pierrot, Pierrot, mijn bleke held,
Zeg, mis je liefde, mis je geld,
aanbid je daarom nu maar mij,
zeg vond je niemand dichterbij?
Heb je wel goed zes hoog gezien ?
Was nergens meer een Colombien,
was hier of daar in een Salon
geen dame, die je boeien kon?
Raakt dan die aarde op zijn end,
als geen mevrouw verveling kent?
Of zocht je heil'ge min en trouw, -
die vind je bij geen maagd of vrouw!

,,Pierrot, Pierrot, ben je bedrogen?
Ik zou het zeggen aan je ogen !
Brak zij je hart, of brak ze meer
en was het heus de eerste keer ?
Of werd dit al alleen verricht
ter ere van een nieuw gedicht?
Want zonder de verstoten min
heeft poezie toch weinig zin!
O, 'k hoor het aan de toon der luit,
jij bent verstoten door je bruid;
zij zwoer je heel een nageslacht
(daar had je zelf niet aan gedacht)
doch d'allereerste huwelijksnacht
heeft zij een ander toegedacht,
en waar zij weergekomen,
je hadt haar opgenomen.

„Mijn dichter, minnaar, mijn Pierrot,
ik ben de maan, ik ben de maan;
al gaan mijn stralen door de straat
ik leef hier toch in kuise staat.
Kom, trek je mooiste pakje aan
want aardse liefde is een waan!
Grijp nu je vriend, grijp je gietaar,
en zing je schoonste hymne nu
(geweigerd door een Kunstrevue.)
Denk niet aan honoraria!
Ik ben je Pia Anima!
Ik ben de heilige, bleek en rein,
die voor de dichter slechts wil zijn.
Pierrot, Pierrot, mijn dichter blo
de min is zus, de min is zo,
ahi — ahi — aho!”


---------------------------------------------------
ad libidum: naar believen
colombien, columbine:liefje van Pierrot
pia anima: vrome ziel

Parijsche Verzen (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:11 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Wrangheid

Ik heb weer, tuk op de oude mijmeringen,
't bevallig kronkelende dal doorlopen,
waar eens mijn kinderlijke stappen gingen
in dartle levenslust en dwepend hopen;

bij d'ommezwaai der heimelijke paden,
weer eensklaps de onverwachte vergezichten
zien scheemren, die in blauwe dampen baden,
en eens, zó lokkend, voor mijn treden zwichtten.

Het goud des avonds vloeide van de delling,
waarboven 't geel azuur des hemels trilde;
geen droom meer, die me, stijgend langs de helling,
in rusteloze gang naar hoger tilde!

'k Ontwaarde, van de rug der heuvelketen,
weer 't oude kalm gehucht, welks lage daken
zo vreedzaam hurkten, grillig rondgesmeten,
en rood en ros van 't schuine zomerblaken.

Nog kon mijn blik langs wond're lijnen zweven...
Geen bloem van liefde is in mijn borst ontsproten.
Geen traan van weemoed deed mijn wimpers beven:
mijn ijskil harte en heeft niet meegenoten.

'k Zag, onverschillig, veld en bomen glijden:
geen frisheid! ook geen lust tot verder streven.
O wrangheid! half maar voelen, half maar lijden,
verdorde schakel van 't oneindig leven!


1892

Geschreven door Dora om 14:17 Reageer op dit bericht

groenteman

Een hartenkreet van J. Quekel

Groenteman

Jan Boeren verkoopt spruitjes
Het liefst aan vegetarische luitjes.
Helaas heeft Jan
Geen marketingplan,
Hij doet het op zijn janboerenfluitjes.

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

droom

Een gedicht Giza Ritschl 1869-1942

Ik ontwaakte uit een droom

Ik ontwaakte uit een droom,
Nu zing ik mijn liedeke weer.
Het klinkt zacht en schoon,
Het klinkt lief en teer,
Mijn lied dat ik nu zing.
Voor U mijn lief, mijn lieveling
Mijn droom, mijn lied, en gij!
Gij zijt mijn licht, mijn leven.
Toe, hoor alleen naar mij!
En laat ik U mijn liefde geven,
Neem wat ik U bied!
Toe neem maak mij blij,
Neem mijn droom, neem mijn lied,
Neem, neem alles van mij!

Geschreven door Dora om 10:01 Reageer op dit bericht

twijfel

Een gedicht van Iris Roorda voor mij een onbekende maar het gedicht
sprak me aan...er zijn er zo velen die zo in het leven staan!

Twijfel

Kan het nog steeds niet achter me laten.
Ik word er elke keer aan herinnerd.
Twijfel. Wie kan ik vertrouwen?

Het gevoel dat ik er niet bij hoor.
Altijd apart zit, en niet mee doe.
Twijfel. Is er iets mis met mij?

Soms doen ze aardig.
Maar is dat geen schijn?
Twijfel. Is het wel echt?

Ik weet het niet.

Geschreven door Dora om 10:48 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

Liedje

Ik hoor een stap daarbuiten
daar in de avondwind,

moet ik mijn deur ontsluiten
ben jij het, lief, mijn kind?

Ik hoor een stapje ritsen
en langs de blaren gaan

en puin en kiezel gritsen,
kom jij,mijn liefste, aan?

Ik hoor de deuren rillen
en kirren in het slot.

Zou jij naar binnen willen
en houdt het slot zich slot?

Ik hoor een stemme spreken
en lispend mij omdansen ...

----------------------------------

De lamp en 't kokend water
in schoorsteen wat wind, —

is wat met spotgeschater
mijn speurendst zinnen vindt.

Wat zang en melody (1910)

Geschreven door Dora om 11:01 Reageer op dit bericht

zeilen

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

De Zeilen

Ver over de zonnige heide
stond tot den golvende rand,
die 't lichte van 't donkere scheidde,
de dag, - stond de morgen in brand,
en dralend en drijvend tegen
het blauw, met elkander mee,
zag men zich de wolken bewegen,
als zeilen over de zee.

Wij lagen onder de hemel,
onder de machtige dom
van wisseling en gewemel,
van peilloze stilte rondom.
Wij lagen er, en wij zagen
naar einders heimlijke ree
het langzaam gaan onzer dagen, -
als zeilen over de zee.

Maar in uw liefde geborgen,
was ik als een weerloos kind
in de ontzaglijke morgen
van licht en van ruimte en van wind, -
en voor mij uit, - in de zachte,
in den onvatbare vree
van ons geluk, - mijn gedachten,
als zeilen over de zee.

Verschijningen III Liefdes Hof

Geschreven door Dora om 11:01 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Avond

Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.

Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armlijk loof dat om de zerken groeit.

Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zo zeggend: ‘Ook de grootste liefde kan niet tegen
De dood die niets ontziet en alles slecht.’

Verzamelde gedichten (1947)

Geschreven door Dora om 15:54 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

HET GEURIGE VELD

Amangkoe Rat heeft meer dan dertig jaren
in 't oude rijk Mataram geregeerd,
en meer dan onder Soeltan Agent waren
in list en lust zijn Machtigen volleerd.

Meer nog dan in zijn vaders wrede tijden
lag zwart gebrek in 't leeggeroofde veld.
Dood en verwoesting, vuur en zwaard verspreidden
zijn trotse naam in daden van geweld.

Totdat hij zat van zinnen, in het slijten
van ledige uren zijn voldoening vond:
Amangkoe Rat, de Keizer, dreef zijn geiten
over de pleinen van de Kraton rond.

Toen, in zijn ouderdom, kwamen de dagen
van tegenspoed, de dagen van gevaar:
zijn Huis verdeeld, zijn oversten verslagen,
van angst en afschuw zijn gedachten zwaar.

't Verraad sloop rond. De Madoerese benden
drongen tot in zijn open hofstad door.
Amangkoe Rat, de Keizer der Ellende,
Werd als het wild, de jagers op zijn spoor.

Hij vluchtte, maar 't vermoeide leven kwijnde
in 't lijf, waarvoor hij zwervend toevlucht zocht.
Toen vroeg de vorst alleen, dat na zijn einde
een geurig veld zijn lijk ontvangen mocht.

Hij stierf en door zijn enkele getrouwen
werd aan de uitgesproken wens voldaan.
Nu brengen op zijn graf bedroefde vrouwen
haar wierook en haar wilde bloemen aan.

Kinderen spelen er, bejaarde wijzen
zoeken de boom, die van de heuvel helt
en schaduw schenkt, en vrome pelgrims reizen
eerbiedig naar het zoet geurende veld.

-------------------------------------------------------
Amangkoe: Javaanse titel van de sultans van Djokjakarta.

Tochten (L.J. C. Boucher, Den Haag.)

Geschreven door Dora om 16:56 Reageer op dit bericht

Moederdag

Een gedicht over Moederdag

Moederdag

 

Moederdag is een ingestelde dag

Toch is het een speciale dag

Je moeder is de vrouw waardoor

je het levenslicht zag

Zij keek met liefde naar je pasgeboren gezicht

Tegenwoordig wordt het gezicht al van tevoren belicht

Door een echo kun je je ongeboren kind aanschouwen

Ja, misschien heb ik wel weer wat te mauwen

Aan de ene kant is het bijzonder

Als je het ziet dat kleine wonder

Daar in de moederschoot

Maar anderzijds er blijft niets meer verborgen

Totdat het kind is geboren

Je weet inmiddels wat het wordt

Je kunt het ook zo laten

Maar vaak wint de nieuwsgierigheid

het van in de te wachten tijd

Maar dan eindelijk wordt de moeder verblijdt

En zij kijkt met tederheid

Naar haar boreling

Een moeder heeft ten aanzien van haar

kinderen een teder gevoelen

De meeste moeders weten wat ik hiermee kan bedoelen

Ze moeten niet aan je kroost komen

Want dan zal een moeder altijd voor ze opkomen

Hoewel er zijn ook gevallen

Die net buiten de pul vallen

Dat zijn dan zo uitzonderingen

Maar hoe zit het nu met de kinderen

Die vinden het zo gewoon dat de moeder

haar kinderen verzorgde en heeft opgevoed

Dat het ze soms weinig doet

Het is de gewoonste zaak van de wereld

Maar als je naar de uitzonderingen kijkt

Dan is het toch geweldig als je een moeder hebt

Die er niet alleen was voor toen

Maar ook nu en verder voor altijd

Misschien krijgen sommigen kinderen wel spijt

Dat ze hun moeder tekort hebben gedaan

Dan begin je bij deze Moederdag weer van vooraf aan

Het is nooit te laat om het weer goed te maken

Behalve als zij in het leven al hebben moeten afhaken

Zodat zij neergedaald zijn in het graf

Dan kun je er niets meer aan doen

Dan blijft het zoals toen

Toen de verhoudingen slecht waren

Kwaad zijn is menselijk

Maar kwaad blijven is duivels

Een vader en moeder moet men eren

Ook al kun je er niet mee door één deur

En was er misschien wel veel gezeur

Beter een keer laag afgedaald

Dan later te worden achterhaald

Door die vreselijke gedachten

Dat men het had goed moeten maken

Terwijl ze nog in leven waren

Ja, want eens zijn ze er niet meer

En dat gaat door keer op keer

Cadeautjes zijn overbodig

Maar de juiste relatie die is nodig

Die geeft vreugde in het leven

Want het leven is maar even!

En als dat met liefde is verweven

Dan kan een mens er elke dag weer tegen

Tegen alle omstandigheden van het leven!

Niet is mooier dan een ouder waar je op terug kan vallen!

Ook al zijn ze wel eens tegengevallen

En zo vieren we nu Moederdag tweeduizend elf

Ik had even praats maar niet voor elf!

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 14:41 Reageer op dit bericht

klank

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

De klank van mijn oude vleugel

De klank van mijn oude vleugel
wordt zwak en schril:
er is iets versleten
in hem, diep van binnen.
Er valt niets te herstellen,
er valt niets te beginnen:
tegen een doodlijk euvel
kan men niets beginnen.

De arme zwakke klanken
zullen ijler stijgen,
(waar bleef de sterke, volle
klank van hun jeugd?)
tot ten leste komt
het verlossende zwijgen,
voor het kreunen der smart en
de jubel der vreugd.

Tussen tijd en eeuwigheid (1934)

Geschreven door Dora om 17:30 1 reactie Reageer op dit bericht

blauw

Een gedicht van Frederik Hemkes 1854-1887

BLAUW

Als 't zonnetje speelt door het knoppende hout,
Het koeltje zo zacht langs de wetering strijkt,
De merel haar nest in de meidoren bouwt,
En de aard wel een bruidskleed van bloemen gelijkt,
Begeven zich trouwe gelieven naar 't bos
En zoeken er maartse viooltjes in 't mos.
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!

Dan schikt hij de bloemjes met zorg bij elkaar
En vlecht ze te zaâm tot een geurigen krans;
Die windt hij zijn liefste om het golvende haar,
Als tooi voor de avond bij spel en bij dans.
Wat kleurt bij het blond die violenkrans goed!
Zij hecht hem een tuiltje van blauw aan de hoed.
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!

En neemt bij de linde het dansen een eind,
Dan schikt hij de krans van violen terecht
In 't maanlicht, dat zacht op de bloemekens schijnt,
En kust er zijn liefste, die fluisterend zegt:
"Mijn beste, bedenk toch, dat moeder mij wacht;
Een laatste goênachtkus, voor 't laatst nu goênacht!"
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!

De Banier(1870)

Geschreven door Dora om 10:47 1 reactie Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Hendrik Marsman 1889-1940

Slapende vrouw

De onrust en de lichtbewogen
ontvanklijkheid van hare trekken
zijn weggewist en overtogen
door maanlicht, dat in zachte plekken

gestort ligt over kruin en peluw —
en dekens die haar slaap bedekken
welven het maanlicht tot een landschap,
een keten die zijn tere bekkens

van zilverglans doet overstromen —
hoe lieflijk droomt het hoofd daarboven:
de mond, die vlinders niet zou wekken
is vaag geopend en de ogen

die overdag het leven vingen
liggen behoedzaam nu geloken
tussen de ijle zwarte veren
van wimpers en van wenkbrauwbogen.

Porta Nigra (1934)

Geschreven door Dora om 13:21 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

Sonnet

En Mozes heeft de top des bergs betreden,
Hij ziet nu liggen het Beloofde Land
Met al zijn akkers, weiden, gaarden, steden,
Waarheen hem voerde 's Heeren milde hand.

De Leider denkt terug aan het verleden,
De veertig jaren, noden allerhand,
Door heel het volk van Israël geleden,
In een te fel gebied van zon en zand.

Doch Mozes sterft, het hoogste was bereikt,
Aldus zal het geschieden met ons allen,
Als over ons de dood zijn schaduw strijkt.

Want hier staan wij slechts op om weer te vallen,
Zijn pas gelukkig als het leven wijkt
En vinden elders hoger welgevallen.

Geschreven door Dora om 10:17 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

Kuddenwacht

In de lommerte der bomen,
uitgestrekt in 't hoge gras,
lag een herder bij zijn kudde
schapen, die aan 't grazen was.

D'hete zonne, die heur stralen
deur de dichte takken stak,
blekte grilge gouden rondkens
op zijn oud soldatenfrak.

Nevens hem zwaar asemhijgend
zat zijn zwerte schepershond,
met de oren recht omhoog en
neerstig kijkend om en rond.

De oude herder sloot zijn ogen,
sliep en snorkte lijk een paard
en het zweet in vette lekken
viel in d'haren van zijn baard.

Aan zijn kop van onder de aarde
kroop de snuit uit van een mol,
en de hond die 't merkte sprong er
op met een verwoed gegrol.

In zijn witte tanden hield hij
't beestje, schudde 't ovrentweer,
en langs 't glanzend pelske drupte
't bloed in dunne streepkens neer.


Lier 1906

-------------------------------------------
lommerte: schaduw
blekte, blekken: blinken, duidelijk zichtbaar zijn
neerstig: naarstig
ovrentweer: heen en weer




Geschreven door Dora om 17:16 Reageer op dit bericht

liebknecht

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

KARL LIEBKNECHT

Karl, Uwe trotse, machtige gestalte
Vervult Europa met een stralend licht.
Gij staat boven de massa, als boven 't dicht
Weefsel der zee een zuil, de Noors-basalten.

Gij hebt het rode vaandel opgericht,
Toen het, een vod, lag op de vuile vaalte,
Wapperend stralende voor elk gezicht, -
Gij, Man van edel en zuiver gehalte.

Gij stierf. Waardoor Vermoord door 't kapitaal, Maar ook door de arbeiders die u verlieten.
Maar ook door de arbeiders die u verlieten.
Die u alleen met uw vijanden lieten,
En niet luisterden naar uw hoge taal.
Uw liefde stierf, omdat zij werd verlaten
Door de Duitse arbeiders, die Uw liefde haatten.

Liedjes

Geschreven door Dora om 11:10 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten