groenteman

Een hartenkreet van J. QuekelGroenteman
Jan Boeren verkoopt spruitjes
Het liefst aan vegetarische luitjes.
Helaas heeft Jan
Geen marketingplan,
Hij doet het op zijn janboerenfluitjes.
groenteman
Een hartenkreet van J. QuekelJan Boeren verkoopt spruitjes
Het liefst aan vegetarische luitjes.
Helaas heeft Jan
Geen marketingplan,
Hij doet het op zijn janboerenfluitjes.
droomIk ontwaakte uit een droom,
Nu zing ik mijn liedeke weer.
Het klinkt zacht en schoon,
Het klinkt lief en teer,
Mijn lied dat ik nu zing.
Voor U mijn lief, mijn lieveling
Mijn droom, mijn lied, en gij!
Gij zijt mijn licht, mijn leven.
Toe, hoor alleen naar mij!
En laat ik U mijn liefde geven,
Neem wat ik U bied!
Toe neem maak mij blij,
Neem mijn droom, neem mijn lied,
Neem, neem alles van mij!
twijfel
Een gedicht van Iris Roorda voor mij een onbekende maar het gedichtKan het nog steeds niet achter me laten.
Ik word er elke keer aan herinnerd.
Twijfel. Wie kan ik vertrouwen?
Het gevoel dat ik er niet bij hoor.
Altijd apart zit, en niet mee doe.
Twijfel. Is er iets mis met mij?
Soms doen ze aardig.
Maar is dat geen schijn?
Twijfel. Is het wel echt?
Ik weet het niet.
liedje
Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930Ik hoor een stap daarbuiten
daar in de avondwind,
moet ik mijn deur ontsluiten
ben jij het, lief, mijn kind?
Ik hoor een stapje ritsen
en langs de blaren gaan
en puin en kiezel gritsen,
kom jij,mijn liefste, aan?
Ik hoor de deuren rillen
en kirren in het slot.
Zou jij naar binnen willen
en houdt het slot zich slot?
Ik hoor een stemme spreken
en lispend mij omdansen ...
----------------------------------
De lamp en 't kokend water
in schoorsteen wat wind, —
is wat met spotgeschater
mijn speurendst zinnen vindt.
Wat zang en melody (1910)
zeilen
Een gedicht van Jan Prins 1876-1948Ver over de zonnige heide
stond tot den golvende rand,
die 't lichte van 't donkere scheidde,
de dag, - stond de morgen in brand,
en dralend en drijvend tegen
het blauw, met elkander mee,
zag men zich de wolken bewegen,
als zeilen over de zee.
Wij lagen onder de hemel,
onder de machtige dom
van wisseling en gewemel,
van peilloze stilte rondom.
Wij lagen er, en wij zagen
naar einders heimlijke ree
het langzaam gaan onzer dagen, -
als zeilen over de zee.
Maar in uw liefde geborgen,
was ik als een weerloos kind
in de ontzaglijke morgen
van licht en van ruimte en van wind, -
en voor mij uit, - in de zachte,
in den onvatbare vree
van ons geluk, - mijn gedachten,
als zeilen over de zee.
Verschijningen III Liefdes Hof
avond
Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.
Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armlijk loof dat om de zerken groeit.
Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zo zeggend: ‘Ook de grootste liefde kan niet tegen
De dood die niets ontziet en alles slecht.’
Verzamelde gedichten (1947)


Een gedicht van Jan Prins 1876-1948Amangkoe Rat heeft meer dan dertig jaren
in 't oude rijk Mataram geregeerd,
en meer dan onder Soeltan Agent waren
in list en lust zijn Machtigen volleerd.
Meer nog dan in zijn vaders wrede tijden
lag zwart gebrek in 't leeggeroofde veld.
Dood en verwoesting, vuur en zwaard verspreidden
zijn trotse naam in daden van geweld.
Totdat hij zat van zinnen, in het slijten
van ledige uren zijn voldoening vond:
Amangkoe Rat, de Keizer, dreef zijn geiten
over de pleinen van de Kraton rond.
Toen, in zijn ouderdom, kwamen de dagen
van tegenspoed, de dagen van gevaar:
zijn Huis verdeeld, zijn oversten verslagen,
van angst en afschuw zijn gedachten zwaar.
't Verraad sloop rond. De Madoerese benden
drongen tot in zijn open hofstad door.
Amangkoe Rat, de Keizer der Ellende,
Werd als het wild, de jagers op zijn spoor.
Hij vluchtte, maar 't vermoeide leven kwijnde
in 't lijf, waarvoor hij zwervend toevlucht zocht.
Toen vroeg de vorst alleen, dat na zijn einde
een geurig veld zijn lijk ontvangen mocht.
Hij stierf en door zijn enkele getrouwen
werd aan de uitgesproken wens voldaan.
Nu brengen op zijn graf bedroefde vrouwen
haar wierook en haar wilde bloemen aan.
Kinderen spelen er, bejaarde wijzen
zoeken de boom, die van de heuvel helt
en schaduw schenkt, en vrome pelgrims reizen
eerbiedig naar het zoet geurende veld.
-------------------------------------------------------
Amangkoe: Javaanse titel van de sultans van Djokjakarta.
Tochten (L.J. C. Boucher, Den Haag.)
MoederdagMoederdag
Moederdag is een ingestelde dag
Toch is het een speciale dag
Je moeder is de vrouw waardoor
je het levenslicht zag
Zij keek met liefde naar je pasgeboren gezicht
Tegenwoordig wordt het gezicht al van tevoren belicht
Door een echo kun je je ongeboren kind aanschouwen
Ja, misschien heb ik wel weer wat te mauwen
Aan de ene kant is het bijzonder
Als je het ziet dat kleine wonder
Daar in de moederschoot
Maar anderzijds er blijft niets meer verborgen
Totdat het kind is geboren
Je weet inmiddels wat het wordt
Je kunt het ook zo laten
Maar vaak wint de nieuwsgierigheid
het van in de te wachten tijd
Maar dan eindelijk wordt de moeder verblijdt
En zij kijkt met tederheid
Naar haar boreling
Een moeder heeft ten aanzien van haar
kinderen een teder gevoelen
De meeste moeders weten wat ik hiermee kan bedoelen
Ze moeten niet aan je kroost komen
Want dan zal een moeder altijd voor ze opkomen
Hoewel er zijn ook gevallen
Die net buiten de pul vallen
Dat zijn dan zo uitzonderingen
Maar hoe zit het nu met de kinderen
Die vinden het zo gewoon dat de moeder
haar kinderen verzorgde en heeft opgevoed
Dat het ze soms weinig doet
Het is de gewoonste zaak van de wereld
Maar als je naar de uitzonderingen kijkt
Dan is het toch geweldig als je een moeder hebt
Die er niet alleen was voor toen
Maar ook nu en verder voor altijd
Misschien krijgen sommigen kinderen wel spijt
Dat ze hun moeder tekort hebben gedaan
Dan begin je bij deze Moederdag weer van vooraf aan
Het is nooit te laat om het weer goed te maken
Behalve als zij in het leven al hebben moeten afhaken
Zodat zij neergedaald zijn in het graf
Dan kun je er niets meer aan doen
Dan blijft het zoals toen
Toen de verhoudingen slecht waren
Kwaad zijn is menselijk
Maar kwaad blijven is duivels
Een vader en moeder moet men eren
Ook al kun je er niet mee door één deur
En was er misschien wel veel gezeur
Beter een keer laag afgedaald
Dan later te worden achterhaald
Door die vreselijke gedachten
Dat men het had goed moeten maken
Terwijl ze nog in leven waren
Ja, want eens zijn ze er niet meer
En dat gaat door keer op keer
Cadeautjes zijn overbodig
Maar de juiste relatie die is nodig
Die geeft vreugde in het leven
Want het leven is maar even!
En als dat met liefde is verweven
Dan kan een mens er elke dag weer tegen
Tegen alle omstandigheden van het leven!
Niet is mooier dan een ouder waar je op terug kan vallen!
Ook al zijn ze wel eens tegengevallen
En zo vieren we nu Moederdag tweeduizend elf
Ik had even praats maar niet voor elf!
klank
Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952De klank van mijn oude vleugel
wordt zwak en schril:
er is iets versleten
in hem, diep van binnen.
Er valt niets te herstellen,
er valt niets te beginnen:
tegen een doodlijk euvel
kan men niets beginnen.
De arme zwakke klanken
zullen ijler stijgen,
(waar bleef de sterke, volle
klank van hun jeugd?)
tot ten leste komt
het verlossende zwijgen,
voor het kreunen der smart en
de jubel der vreugd.
Tussen tijd en eeuwigheid (1934)
blauwBLAUW
Als 't zonnetje speelt door het knoppende hout,
Het koeltje zo zacht langs de wetering strijkt,
De merel haar nest in de meidoren bouwt,
En de aard wel een bruidskleed van bloemen gelijkt,
Begeven zich trouwe gelieven naar 't bos
En zoeken er maartse viooltjes in 't mos.
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!
Dan schikt hij de bloemjes met zorg bij elkaar
En vlecht ze te zaâm tot een geurigen krans;
Die windt hij zijn liefste om het golvende haar,
Als tooi voor de avond bij spel en bij dans.
Wat kleurt bij het blond die violenkrans goed!
Zij hecht hem een tuiltje van blauw aan de hoed.
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!
En neemt bij de linde het dansen een eind,
Dan schikt hij de krans van violen terecht
In 't maanlicht, dat zacht op de bloemekens schijnt,
En kust er zijn liefste, die fluisterend zegt:
"Mijn beste, bedenk toch, dat moeder mij wacht;
Een laatste goênachtkus, voor 't laatst nu goênacht!"
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!
De Banier(1870)
vrouw

Een gedicht van Hendrik Marsman 1889-1940
De onrust en de lichtbewogen
ontvanklijkheid van hare trekken
zijn weggewist en overtogen
door maanlicht, dat in zachte plekken
gestort ligt over kruin en peluw —
en dekens die haar slaap bedekken
welven het maanlicht tot een landschap,
een keten die zijn tere bekkens
van zilverglans doet overstromen —
hoe lieflijk droomt het hoofd daarboven:
de mond, die vlinders niet zou wekken
is vaag geopend en de ogen
die overdag het leven vingen
liggen behoedzaam nu geloken
tussen de ijle zwarte veren
van wimpers en van wenkbrauwbogen.
Porta Nigra (1934)
sonnet

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942
En Mozes heeft de top des bergs betreden,
Hij ziet nu liggen het Beloofde Land
Met al zijn akkers, weiden, gaarden, steden,
Waarheen hem voerde 's Heeren milde hand.
De Leider denkt terug aan het verleden,
De veertig jaren, noden allerhand,
Door heel het volk van Israël geleden,
In een te fel gebied van zon en zand.
Doch Mozes sterft, het hoogste was bereikt,
Aldus zal het geschieden met ons allen,
Als over ons de dood zijn schaduw strijkt.
Want hier staan wij slechts op om weer te vallen,
Zijn pas gelukkig als het leven wijkt
En vinden elders hoger welgevallen.



Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947
In de lommerte der bomen,
uitgestrekt in 't hoge gras,
lag een herder bij zijn kudde
schapen, die aan 't grazen was.
D'hete zonne, die heur stralen
deur de dichte takken stak,
blekte grilge gouden rondkens
op zijn oud soldatenfrak.
Nevens hem zwaar asemhijgend
zat zijn zwerte schepershond,
met de oren recht omhoog en
neerstig kijkend om en rond.
De oude herder sloot zijn ogen,
sliep en snorkte lijk een paard
en het zweet in vette lekken
viel in d'haren van zijn baard.
Aan zijn kop van onder de aarde
kroop de snuit uit van een mol,
en de hond die 't merkte sprong er
op met een verwoed gegrol.
In zijn witte tanden hield hij
't beestje, schudde 't ovrentweer,
en langs 't glanzend pelske drupte
't bloed in dunne streepkens neer.
Lier 1906
-------------------------------------------
lommerte: schaduw
blekte, blekken: blinken, duidelijk zichtbaar zijn
neerstig: naarstig
ovrentweer: heen en weer
liebknecht

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
Karl, Uwe trotse, machtige gestalte
Vervult Europa met een stralend licht.
Gij staat boven de massa, als boven 't dicht
Weefsel der zee een zuil, de Noors-basalten.
Gij hebt het rode vaandel opgericht,
Toen het, een vod, lag op de vuile vaalte,
Wapperend stralende voor elk gezicht, -
Gij, Man van edel en zuiver gehalte.
Gij stierf. Waardoor Vermoord door 't kapitaal, Maar ook door de arbeiders die u verlieten.
Maar ook door de arbeiders die u verlieten.
Die u alleen met uw vijanden lieten,
En niet luisterden naar uw hoge taal.
Uw liefde stierf, omdat zij werd verlaten
Door de Duitse arbeiders, die Uw liefde haatten.
Liedjes
wandeling

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933
Een fijne geur ontstijgt de verse gronden;
De luchten worden willig voor geluid;
Er breken kleine blauwe kreetjes uit,
Geritsel als uit duizenderlei monden.
Een malse vleug van lente wordt gezonden;
Zijn adem is bewaaierd van het kruid
Dat uit de omgeworpen voren spruit,
Onmetelijk, en dampend in de ronde.
In eenzaamheid langs hakkelige paden
Die lopen waar de kleine heesters staan,
Als kinderen die de verrassing wachten,
Peinzende stille werker is gegaan
En hoort het kiemen der gestorte zaden...
En in zijn hart het zingen der gedachten.
Uit liederen van huisvlijt
laken

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931
Onder 't helder koele laken,
Waar ik op de sluimer wacht,
Lig ik tussen droom en waken
Voor de drempel van de nacht,
Turend, hoe de beide schalen
Van het duister en het licht
Beurtlings rijzen en weer dalen
In een aarzlend evenwicht.
Als een lelie op het water
Heeft mijn ziel zich uitgespreid
Tot een nú-zijn zonder later,
Bij het stilstaan van de tijd.
Onder 't helder koele laken,
Waar ik op de sluimer wacht,
Lig ik tussen droom en waken
Voor de drempel van de nacht.
Opvluchten (1922)
er ruist...

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937
Er ruist een zachte roffel door de blaad'ren
Der populieren aan de zoom der weide;
Zij tromm'len aan hun ranke takken blijde
De zomer te gemoet, die stil komt naad'ren.
In de elzebosjes aan de kant der sloten,
Doorgeurd van honingklavers en kamillen,
Hoor ik de lentewind zijn liedje trillen
Met lang-gerekte, zangerige noten.
Op halmen wieg'len statig korenaren
Hoog boven paarsig-blauwe korenbloemen;
De koekoek zit zijn eigen naam te roemen,
Zich diep verschuilend in de dichte blaáren.
Gedichten (1888)
Illustratie: De koekoek zit zijn eigen naam te roemen...
verlangenHet leven van elke dag...wel een geluk dat men het levenslicht nog ziet...maar toch is er vaak een groot ongezien verdriet...en dat is het verlangen...
Verlangen
Ik heb een verlangen!
Zo leeft de mens
Elke dag een nieuwe wens
Maar de dagen gaan voort
Zonder dat iemand van die wens hoort
Een wens verborgen in het hart
Geeft de eenzaamheid smart
Men verlangt naar het verlangen
Want de eenzaamheid maakt bange
Maar hoe vul je de eenzaamheid?
Om eens goed in jezelf te kijken in de tijd
Die steeds zachtjes elke dag voorbij glijdt
Men leeft in een cirkel elke dag
Morgen, avond en nacht
En dan is het weer dag
Maar er wordt geen wens vervuld
Wel worden de dagen van de leegte gevuld
Met wensen en verlangens
En niets geeft de vrucht
Er wordt alleen maar diep gezucht
Alles moet door een mens zelf worden opgelost
Een ander komt het niet voor je doen
Dat is het bij vele mensen
Die willen dat de wensen
Door anderen worden vervuld
Daar zit een grote berg van schuld!
Een schuld die niet omkeerbaar is
Die moet men zelf dragen
En zo vergaat het nu al de dagen
De dagen dat men zoekt naar zichzelf
En de weg niet kan vinden
Het doolhof blijft zoals het was
Ook al ga je netjes in de dagelijkse pas
En dan denkt men weer opnieuw
Dat deze dag ook maar voorbij was!
Zo blijft dan steeds de wens van verlangen
nachtschone

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965
De hele wereld heb ik afgereisd
In droom. Wat is mij van die reis gebleven?
Niet veel meer dan 't verlangen om nog even
In een verlaten tuin, waar de avond grijst,
Te zien hoe de nachtschone in het lichtblauwe
Licht even bloeit en dadelijk verkleurt,
Aleer de dood mij nijdig toe zal snauwen:
‘Ga nu maar de ijskast in, het is je beurt.’
meisjes

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948
Ik dacht wel, dat zij komen zou
lang voor het iemand wist,
en hebben we ons niet werkelijk
een maand of wat vergist?
Wij dachten ons de winter nog
ternauwernood voorbij
en vinden de verwachting al
rondom ons in de velden, de
verwachting van de Mei!
De traag ontwaakte hazelaar,
die ’t niet vermoeden kon,
staat nu in al zijn schamelheid
beteuterd in de zon.
Maar ‘k zie de bomen dichter zich
verdringen om ’t gehucht
en als de frisse daken, die
er nu al zomer maken en
die blinken in de lucht.
Nu hebben al de meisjes ook
geen manteltjes meer aan,
maar heldere japonnetjes,
die wel zo aardig staan.
De Zon vond bij zijn binnenkomst
de meisjes kant en klaar:
de meisjes zonder manteltjes, -
en met de blonde kleuren van
die Ridder in het haar.
Eerste tochten (1911)