spreken

Laat stilte spreken
Als woorden te vaak
gezegd zijn
zal zwijgen
de juiste toon raken
laat stilte spreken
tot onze harten weer
dezelfde taal verstaan.

spreken
Als woorden te vaak
gezegd zijn
zal zwijgen
de juiste toon raken
laat stilte spreken
tot onze harten weer
dezelfde taal verstaan.

zonnebloem
Hoogopstrevende zonneblom,
Uw sterke stralenschijven
Wendt gij naar de hemel om,
Weet zon en bloem te blijven.
Zonneblom in zonneschijn,
Zal mijn ziel ooit anders zijn?
De Noodhoorn (1932)

grijze
Uit grijze hemel valt de regen,
De vogels dempen nu hun lied,
Maar nimmer weifelt, draalt de zegen,
Die rust op heel dit schoon gebied.
De grond is arm, als menig hart,
En zo gebaat bij malse regen,
En ginder, achter wolken, mart
De goede zon met al haar zegen.
O somber, toch zinrijk verleden,
Dat immer ver en verder wijkt,
Gezegend is het zonnig heden,
Waarover nooit een schaduw strijkt.
De Gids jaargang 1936

raad
Neem álles aan; dat’s ’t beste deel –
Ook financiëel.
Leekedichtjes

veldbloem
De bloemekes langs de wegen,
Die ken ik meest allen bij naam;
Zij lachen mij vriendelijk tegen,
Zij groeten mij al te zaam.
De bloemen achter de ramen,
Omdat ik haar namen niet weet,
Die schijnen zich mijner te schamen,
En momplen: "Die domme poëet!"
Uw dienaar, preutse prinsessen!
Gij zijt schoon, zijt bevallig, vol vuur;
Maar gij eist nog al vijven en zessen,
En verkoopt uwe gunsten wat duur.
Pronkziek volkje uit Japan en Bengalen!
Dingt om prijzen van zilver en goud.
Ik wil ook u mijn hulde betalen;
Maar mijn hart, o, mijn hart laat gij koud.
Goedendag, Madeliefje! Gouddropje!
Erenprijsje, zo zedig en zacht!
Zeg eens gauw: sliept gij zoet in uw knopje,
En wat weer of gij heden verwacht?
"Goede morgen! Wij sliepen als rozen;
En het weer wordt vandaag vast heel mooi.
'k Heb een plaatsje aan uw knoopsgat gekozen,
Waar ik, stervend, mijn bladertjes strooi."
Madelieven (1869)

levenszee
De jonge zeeman stapt aan boord:
het vaartuig danst in wilde lust;
daar spant de zeewind ieder koord,
wijl ieder zeil in ronding zwelt.
De morgenzonne kust en sust
het kleurig deinend waterveld,
der borst ontgalmt een breed 'hoezee!'
ter schone zee, - ter levenszee!
De kloeke maat, met glanzend oog,
aanschouwt de grootse oneindigheid,
oneindig diep, oneindig hoog,
oneindig ver in 't vlak verschiet.
Maar hij, ten drieste kamp bereid,
- want vrezen, aarzlen kent hij niet -
voert eindeloze geestdrift mee
ter wijde zee, - ter levenszee!
Doch aaklig komt het stormweer op:
een huivring gaat langs d'oceaan...
Hij jubelt op der golven top
en tergend wordt zijn overmoed.
Doch, ras is 't met de knaap gedaan;
daar faalt zijn hand, daar mist zijn voet!
Een golfslag rukt hem redloos mee,
naar 't diep der zee - der levenszee!
Een plank! Hij grijpt ze en roept, ontzet:
'Ter hulpe!' Och verre is 't vaartuig heen!
Waarom die dwaze toch gered?
Wat zocht hij anders dan de dood? -
Nu dobbert hij daar gans alleen;
maar 't bloed is warm, de kracht is groot,
en moedig streeft hij naar de ree,
langs 't vlak der zee - der levenszee...
Zo duurt en duurt het immer voort;
zijn arm wordt zwak en koud zijn hart.
Hij roept: geen echo die hem hoort,
geen lichtbaak in het vergezicht!
En, razend schier van spijt en smart,
nog eens de blik omhoog gericht,
dan, met een laatste zielebeê,
in d'afgrond neer der levenszee!
Maar, zie! Een flikkring toont hem land;
de redding schemert voor zijn blik;
een reuzenstrijd brengt hem aan strand,
maar henen is zijn laatste kracht!
En thans, nog dwaas en stom van schrik,
en d'eedle gloed in 't hart gesmacht,
aanschouwt hij, machtloos, van de ree,
die boze zee, - de levenszee!
De Eerste Verzenbundel

middel-eeuw
Op Mijner Wereld regel-rechte banen
Pronk-volkren trekken op ter Kathedrale
Kaproen, pij, toog; kazuifel, filigrane
Mijter; dorpers-rood, rood van kardinalen.
In val en dreun van canonieke schalen,
Man-basse', in wierook knapen als sopranen;
Naar 't donker dienen boven de missalen
Schreed heer en knecht, met kruis, reliek en vanen
Al boven 't stijve stoeten van de lieden
Zag ik in 't kerk-aanzicht, de Maged, hoog
In 't glas-gebrand, nacht-purper ossen-oog,
Haar smartlijk hart gelijk een bloem aanbieden.
't Ruim rookt', 't goud smeuld', de Maagd het Hart
hield bloot...
En 't storremde ál in ene ren van rood.
Gedichten.(1884-1925)

hei
Ik loop langs hei - die ligt in diep azuur
Van zomerhemel rondom neergespreid -
Kleurwarme hei: een brokje oneindigheid
Van kruid en bloem, zover ik mijmrend tuur.
Wereld en mensen weg... Alleen natuur
Zo pas gegleên uit rijk van rustigheid
Met glimlach ongerept: stille innigheid
Van nijver leven in het morgenuur.
Ik schroom te treden op het purprend bruin;
Ik schroom de voet te zetten op het mos
Zo gul aaneengegroeid.... Het lijkt me een bos
Vol lommerpaadjes, of een feeëntuin
Priëelig groen en koel. - Een mensenvoet
Vertreedt zo licht... en weet niet dat hij 't doet.
Serena (1898)

liedje
Nu komt ze van de bron
En gaat ze door de zon,
Licht, tip-top, roze en ros,
Haar gloênde harendos.
En waar de boomstam staat,
Gegroefd als'n oud gelaat,
Spitst ze haar kin naar boven,
Waar al de lovers stoven.
'k Wou het liep al zo naakt
Wat recht is, welgemaakt,
En wandelde in de zonne...
En de rest in capuchonnen.
Gedichten.(1884-1925)

koekoek
Als de vroege koekoek roept
En de lijster, onder 't fluiten
Van de rode bessen snoept,
Loop ik ook mijn woning uit en
Fluit in zonnige' ochtend buiten,
Waar ik zoeter luiden zoek
Dan de lijsters kunnen fluiten,
Dan de koekoek roept: Koekóék!
Koekoek vroeg in 't koele bos,
Lijster in de groene struiken,
Roep de blauwe blinden los
Die een venster hóóg beluiken,
Waar de wingerd-ranken sluiken
Bleek van blaren, teer van tros,
Lijster in de groene struiken,
Koekoek roep de blinden los!
Natuur en leven, S.L. van Looy, Amsterdam(1900)

de maagd
Mijn leven streeft, een snel-vlietende stroom,
Naar 't schriklijk eind, de onbekende dood.
Nader, rusteloos nader: en mijn schoot
Droeg nimmer vrucht, mijn zoetste droom bleef droom.
Het baat niet of ik het beseffen schroom,
Het baatte ook niet dat ik de mensen vlood:
Des nachts ga ik van zware smarten groot
En maakt een hete dorst mijn leden loom.
Dan gaat mijn peinzen langs mijn lege jeugd,
Langs de ijdele uren onbewust doorweend
Toen mijn smalle lichaam rijpte tot vrouw,
En wat daarna kwam: langs mijn korte vreugd,
De hoop van eenmaal met een man vereend
Te zijn, langs al wat nooit gebeuren zou.
Gedichten (1922)

stilte
Wat brengt mijn tijd?
Géén wilde bewogenheid,
Géén hand zich welvend boven de ogen,
Of stem die opgetogen
Om nieuwe morgens schreit;
Maar slechts een dromend turen
Naar heengevloden uren.
Wellicht is hun ontgleden,
Bij ’t traag teruggetreden,
Iets schoons, dat wij ons kozen. –
Wij rapen twijgen, vruchten, rozen.
Herscheppingen -- Bekentenissen

zonnetje
Gij zijt me als 't zonnetje in de mei,
Zo lieflijk, rein en goed,
Dat bloemen strooit in bos en wei,
En vogels zingen doet;
Toch schildren zon en lentedag
U trouwe liefde niet,
Mijn engel met uw zoeten lach,
Mijn leven en mijn lied!
Vaak is een Meidag koud en grijs:
Zoo dikwerf schuilt de zon,
En geeft de tere bloempjes prijs,
Die ze in de morgen won;
Bij u haalt meenge lentedag
In trouwe liefde niet,
Mijn engel met uw zoeten lach,
Mijn leven en mijn lied!
Gij zijt me als 't zonnetje in de mei,
Zo lieflijk, rein en goed:
Dat brengt gebloemte in bos en wei,
Gij vreugde in mijn gemoed;
Hoe licht en zonnig iedre dag,
Wanneer mijn oog u ziet,
Mijn engel met uw zoete lach,
Mijn leven en mijn lied!
De oude huisvriend(1882)

vrienden
De maan maakt de nacht tot een sneeuwwit veld.
een man heeft zijn vriend van zijn leven verteld:
er is door dit spreken een wonder gebeurd:
hun harten zijn zozeer eender gekleurd
dat de een als hij soms naar de ander ziet
bij zichzelve zegt: maar ben ìk dat niet?
een vrouw; nog een vrouw; een verterend gemis.
het is alsof alles ten einde is:
want één hart blijft thuis en één hart gaat op reis
maar geen van twee vindt het Paradijs.
verzamelde gedichten (1941)

hart
Mijn liefste heeft haar gouden hart
In mijne hand gegeven;
Zó gaan wij, één in vreugde en smart,
Te samen door het leven.
Dat gouden hart, mijn beste goed,
Trouw zal ik het bewaren,
Beschermen met mijn lijf en bloed
In zorgen en gevaren.
Het gouden harte mijner bruid,
Daar gaat geen kleinood boven,
't Maakte al mijn heil, mijn leven uit;
De dood slechts kan 't mij roven.
De Banier, 5(1879)

voorzang
Er onstaat in mijn hart een nieuwe liefde,
Stil en groot,
Die, evenals een bloem verhief de
Stengel en kelk, zo schoot
Door mijn borst, en door mijn ogen kliefde
Zich de weg, en bood
Zich aan mijn ogen bloot: een nieuwe liefde.
En nu zie ik mijn nieuwe liefde,
Die zich ontweefde
Aan het kristal
Van mijn ogen, door het Heelal
Gaan, alsof een Wezen daar zweefde,
En ik roep uit met zachte schal:
‘Wie zijt gij, mijne liefde?’
En zij zegt tot mij
met een stem zo helder als kristal
En goud, recht staande:
‘Ik ben de liefde
Van uit uw borst gekomen,
De Liefde voor 't Heelal.’
En zacht gaat henen mijn klare Geliefde,
Henen naar de Mensheid.
En zij schijnt als waaraan geen grens leit,
Liefde.
En zal ik 't u vertellen? - mijne liefde,
Die is de Alles omvattende Liefde,
Gaat voor mij uit, heen door de grote zaal -
En ik volg haar - van het stralend Heelal.
En toen is 't of zij, als een gordijn, hief de
Lucht, en ik zag daar voor ons als kristal,
Stralend en donker, en donker als de straal
Van licht in sneeuw en regen, Mensen die leefden.
‘Ziet gij die slaven in hun zwarte ellende?’
Zei zij tot mij met een stem klaar van liefde, -
En zij werd één met hen in zachte liefde, -
‘Die was het die uwe liefde niet kende.’
En ik werd één met haar oneindige liefde,
En met haar zelve, liefde zonder einde.
Zij is de Nieuwe Liefde.
Zij is de Zon
Van uit de Bron
Der Menschheid.
Pan (1912)

voorjaarskoelte
Zoele, koele Zuidenwind,
Bode! wie ons hart bemint,
Draagt gij op uw vleuglenpaar
Niet de schoonste tijd van 't jaar?
Bloemengeuren, fris en zoet,
Brengt gij, als der Lente groet;
Vogelfluiten, bladgeruis,
Smelten in uw wiekgesuis.
Goede vriend, zo lang verwacht!
Zeg ons! waait ge dag en nacht?
Kom dan 's nachts ook zonder schroom,
En omzweef ons in de droom!

hart
En hoort uw hart: hoort gij uw hart niet slaan ?
Daar is de maat waarop uw dagen dansten.
Niet wen gij waart met weelden overlaên
of dronken van een overmoed'ge waan,
stond ge in de rei die blijde tijd omkranste.
Brandde in uw brein al 't lijden dat het droeg
leg op uw hart uw hand, en gij zult horen
al de geheimen die, nog ongeboren,
zich voeden als aan een aren-zware voren
gesneden door uw pijn, o klare ploeg.
Niet gij beschikt de zwaarte van de schoven
en buiten u wordt alle zaad gekeurd.
Tracht in u-zelf berustend te geloven,
aldaar ge uw hart, aldaar ge uw bloeme beurt,
indachtig dat geen roos in de ijlte geurt.
God aan zee (1926)

liefde
Toen 'k gister, als de nacht begon,
Zacht klopte aan liefjes deur,
Ontwaakte een bloem in haar balkon
En spreidde zoete geur,
Maar eer de liefde aan scheiden dacht
Bij 't scheemrend morgenlicht,
Sloot stil de priesteres der nacht
Haar purpren bloemkroon dicht.
Wanneer de zoete nacht verdwijnt,
De zon in 't Oosten gloort,
En heel de buurt opnieuw verschijnt
En snapt aan deur en poort,
Dan schenkt mijn liefste op markt en straat
Haar minnaar blik noch groet:
De schalke zegt, dat ze om de praat
Gelijk de nachtbloem doet.
Astrea, 1(1881)

de hulst
Hij is vol waardigheid de dorpsschoolmeester,
Staat glanzend aan de rand der maatschappij,
Betuttelt alles en hoort nergens bij,
En is van komaf een gewone heester.
Hij heeft zich dan maar prachtig opgewerkt!
Daarom heeft hij zo’n stekelige glimlach.
Hij zag alleen wat in de lijn der klim lag.
En verder is zijn kennis maar beperkt.
Hij neemt de ruimte op zijn geboortegrond,
Waarop ook anderen hun voordeel zoeken.
Zeker, hij gunt hun dat, máár – er is rang!
Hij zegt niet veel, docht heeft een kwade mond,
En die tot oppositie zich verkloeken
Krijgen een grauw, en worden klein en bang.
Spiegelbeelden (1937 - 1938)

kindje
Kindje! Dat zacht met je vlasblonde popje
Speelt, je rein stemmetje kan nog niet schreien,
't Lacht nu en zingt in moederlijk verblijen
Tederlijk voor popje een liedje, - je kopje
Wiegt als een bloemetje, dat bij het glijen
's Avonds van de avondwind, 't zijige knopje
Deint, en vleiende van de zon nog 'n dropje
Krijgt van haar wijn, om welig te gedijen.
Kindje! Nu wiegt het leven je in zijn
Brede armen, als een popje zo zacht, je
Ogen zijn bloemen, het daglicht dat lacht je
Moederlijk toe - het sterke leven wacht je,
Mocht eenmaal - o! Kindje moge altijd mijn
Liefde als 'n krans muziek om je hoofdje zijn!
Verzamelde gedichten (1934)

volksheld
Wij voelen het vaderlands harte
Wel fier in de boezem slaan,
Als we aan de voet van zijn standbeeld,
Op zijn geboortegrond staan;
Wie herroept zich niet in 't geheugen
Zijn feiten, zijn heldendaân?
Wij roemen zijn hoge gaven,
Zijn burgerdeugd, zijn moed:
Hij offerde aan 's lands belangen
En rust en goed, zijn bloed.
Wat wonder als 't zicht van zijn beeltnis
Ons harte kloppen doet?
Wij gieten zijn trekken in 't koper,
Wij beitlen ze in marmersteen;
Hij ligt in het graf onverschillig,
Sinds eeuwen in 't graf alleen.
Hij is vóór zijn tijd gestorven:
Wie zond hem zo vroeg daarheen?
In 't leven slecht begrepen,
Veracht, miskend, gehoond,
En na de dood met lauwren
Door 't nageslacht gekroond:
Ziedaar hoe men de daden
Van grote mannen loont.
0 laat ons liever de blikken
Beschaamd ten gronde slaan,
Wanneer wij zitten gebogen
Over onze geschiedenisblaân;
Of aan de voet van zijn standbeeld
Met vriend of vreemdling staan.
Onze volksheld sluimert in de aarde,
Zijn rust zij er niet gestoord,
Want wat wij hem misdeden
Is schandlijk, ongehoord:
Wij hebben hem vals beschuldigd,
Wij hebben hem wreed vermoord.
Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

sterkte
Een kaartje om te laten weten
wie ziek is wordt hier niet vergeten
Deze kaart en deze bloemen
doen hun warme werk
ze fleuren je op
ze laten je leven
ze maken je weer gezond en sterk
het is geen pretje om ziek te zijn
maar lachen is toch het beste medicijn
Hierbij een bont boeketje
Van alles door elkaar
En mocht je piekeren, lieve ....
Dan kijk je hier maar naar
Wij hopen dat je heel, heel snel
Weer helemaal hersteld
Want heus, alleen gezondheid
Is wat in 't leven telt
Een warme wens
en een bloemenboeket
om je een beetje op te beuren
wij hopen voor jou een spoedig herstel
zodat je snel weer op zult fleuren
Ook al zit 't even tegen
blijf vertrouwen in jezelf
blijf geloven in de goede dingen
je herstel komt dan vanzelf
Je voelt je vermoeid
je voelt je niet prettig
het ontbreekt je vandaag aan moed
daarom stuur ik je dit lieve kaartje
dan gaat het je morgen
vast wel weer goed 
woorden
Zomaar een gedichtje...ergens gelezen
Hier loop ik alleen op straat
de woorden die in mijn hoofd zitten zeggen niks
Niks omdat ze mijn gevoel niet omschrijven
De mysterie ligt diep verborgen
Sluipend als een wezen door mijn ziel
En de minuten op de klok tikken weg
zodat ik weet hoe laat het is
de speleman
's Avonds op de markt en in de
zoelte, met 'n volle kan
gerstebier, bezijds z'n voeten,
zat 'n vreemde speleman.
En hij vlocht z'n vlugge vingers
door het spannig snarenspel,
dat z'n gulden harpe bromde,
lijk 'n zware kerkebel.
Lustig zong hij, en z'n kele
zwolg en zwol in 't groen gestraal
van de volle mane, lijk de
gorgel van 'n nachtegaal.
Rond hem, op de lippen van de
mensen, speelde 'n blij gelach,
en de jongens klepten hun san-
dalen mee, op mateslag.
't Lied was ten einde, en z'n harpe
trilde stervend uit en zweeg.
Dorstig greep hij naar de kan en,
smekkend trage, dronk ze leeg.
"Het Werk van Omer K. De Laey". Uitgeverij Lannoo, Tielt (1941-1942).

ander
Hier ligt in 't onderaardse hok,
Het rift van d’arme Mr. F.
Begraven onder deze koorsteen:
Hij was geboren t' Amsterdam,
Zo zwart als een Westfaalse ham,
Doorrookt gelijk zijn besjes schoorsteen.
De rook was ook zijn element,
Waardoor hij menig parkement
Heeft om de damp aan stuk gekorven.
Hij hemeld' op een donderdag;
Had hij gewacht tot zaterdag,
Hij was zo vroeg nog niet gestorven.
-------------------------------------
ander - nl. een ander grafschrift
hok - ruimte
rift - lijk
koorsteen - grafsteen in het koor van de kerk
besje - grootmoeder
ook - dan ook
parkement - tabaksblad

grafschrift
Een gedicht van Wilhelm G. van Focquenbroch
Van Mr. F.
Van Mr. F. ligt 't lichaam in dees kas;
Die veel van rook en damptuig heeft geschreven.
Die steeds met rook geleek 's mensen leven,
't Geen als een rook verdwijnt en wordt tot as.
Zijn geest is ook als rook omhoog gedreven,
Gelijk zijn rif hier is tot as gebleven;
Alsof het maar verbrande toebak was.
---------------------------------------------------------
Mr. F. - Focquenbroch was meester in de medicijnen.
kas - kist
rif - lijk
toebak - tabak

konijntje
Konijntje kan zijn oortjes stellen,
Konijntje kan zijn oogjes schuinen,
heeft al zeven springgezellen
om te hollen op de duinen.
Langoor, Schuinoog, Huppelbeentje
droomt nu in zijn eentje.
Onze baby's (1920)
