veldbloem

Veldbloem en kasbloem
De bloemekes langs de wegen,
Die ken ik meest allen bij naam;
Zij lachen mij vriendelijk tegen,
Zij groeten mij al te zaam.
De bloemen achter de ramen,
Omdat ik haar namen niet weet,
Die schijnen zich mijner te schamen,
En momplen: "Die domme poëet!"
Uw dienaar, preutse prinsessen!
Gij zijt schoon, zijt bevallig, vol vuur;
Maar gij eist nog al vijven en zessen,
En verkoopt uwe gunsten wat duur.
Pronkziek volkje uit Japan en Bengalen!
Dingt om prijzen van zilver en goud.
Ik wil ook u mijn hulde betalen;
Maar mijn hart, o, mijn hart laat gij koud.
Goedendag, Madeliefje! Gouddropje!
Erenprijsje, zo zedig en zacht!
Zeg eens gauw: sliept gij zoet in uw knopje,
En wat weer of gij heden verwacht?
"Goede morgen! Wij sliepen als rozen;
En het weer wordt vandaag vast heel mooi.
'k Heb een plaatsje aan uw knoopsgat gekozen,
Waar ik, stervend, mijn bladertjes strooi."
Madelieven (1869)


















