Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

hart

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

En hoort uw hart

En hoort uw hart: hoort gij uw hart niet slaan ?
Daar is de maat waarop uw dagen dansten.
Niet wen gij waart met weelden overlaên
of dronken van een overmoed'ge waan,
stond ge in de rei die blijde tijd omkranste.

Brandde in uw brein al 't lijden dat het droeg
leg op uw hart uw hand, en gij zult horen
al de geheimen die, nog ongeboren,
zich voeden als aan een aren-zware voren
gesneden door uw pijn, o klare ploeg.

Niet gij beschikt de zwaarte van de schoven
en buiten u wordt alle zaad gekeurd.
Tracht in u-zelf berustend te geloven,
aldaar ge uw hart, aldaar ge uw bloeme beurt,
indachtig dat geen roos in de ijlte geurt.

God aan zee (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:05 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

liefde

Een gedicht van Frederik Hemkes 1854-1887

HEIMELIJKE LIEFDE (Spaansch liedeken)

Toen 'k gister, als de nacht begon,
Zacht klopte aan liefjes deur,
Ontwaakte een bloem in haar balkon
En spreidde zoete geur,
Maar eer de liefde aan scheiden dacht
Bij 't scheemrend morgenlicht,
Sloot stil de priesteres der nacht
Haar purpren bloemkroon dicht.

Wanneer de zoete nacht verdwijnt,
De zon in 't Oosten gloort,
En heel de buurt opnieuw verschijnt
En snapt aan deur en poort,
Dan schenkt mijn liefste op markt en straat
Haar minnaar blik noch groet:
De schalke zegt, dat ze om de praat
Gelijk de nachtbloem doet.

Astrea, 1(1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:27 Reageer op dit bericht

de hulst

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De Hulst

Hij is vol waardigheid de dorpsschoolmeester,
Staat glanzend aan de rand der maatschappij,
Betuttelt alles en hoort nergens bij,
En is van komaf een gewone heester.

Hij heeft zich dan maar prachtig opgewerkt!
Daarom heeft hij zo’n stekelige glimlach.
Hij zag alleen wat in de lijn der klim lag.
En verder is zijn kennis maar beperkt.

Hij neemt de ruimte op zijn geboortegrond,
Waarop ook anderen hun voordeel zoeken.
Zeker, hij gunt hun dat, máár – er is rang!

Hij zegt niet veel, docht heeft een kwade mond,
En die tot oppositie zich verkloeken
Krijgen een grauw, en worden klein en bang.

Spiegelbeelden (1937 - 1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:39 Reageer op dit bericht

kindje

Een gedicht van C.S. Adma van Scheltema 1877-1924

Kindje

Kindje! Dat zacht met je vlasblonde popje
Speelt, je rein stemmetje kan nog niet schreien,
't Lacht nu en zingt in moederlijk verblijen
Tederlijk voor popje een liedje, - je kopje

Wiegt als een bloemetje, dat bij het glijen
's Avonds van de avondwind, 't zijige knopje
Deint, en vleiende van de zon nog 'n dropje
Krijgt van haar wijn, om welig te gedijen.

Kindje! Nu wiegt het leven je in zijn
Brede armen, als een popje zo zacht, je
Ogen zijn bloemen, het daglicht dat lacht je
Moederlijk toe - het sterke leven wacht je,

Mocht eenmaal - o! Kindje moge altijd mijn
Liefde als 'n krans muziek om je hoofdje zijn!

Verzamelde gedichten (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:15 Reageer op dit bericht

volksheld

Een gedicht van Rosalie en Virginie Loveling
1834-1875 en 1836-1923

Onze volksheld

Wij voelen het vaderlands harte
Wel fier in de boezem slaan,
Als we aan de voet van zijn standbeeld,
Op zijn geboortegrond staan;
Wie herroept zich niet in 't geheugen
Zijn feiten, zijn heldendaân?

Wij roemen zijn hoge gaven,
Zijn burgerdeugd, zijn moed:
Hij offerde aan 's lands belangen
En rust en goed, zijn bloed.
Wat wonder als 't zicht van zijn beeltnis
Ons harte kloppen doet?

Wij gieten zijn trekken in 't koper,
Wij beitlen ze in marmersteen;
Hij ligt in het graf onverschillig,
Sinds eeuwen in 't graf alleen.
Hij is vóór zijn tijd gestorven:
Wie zond hem zo vroeg daarheen?

In 't leven slecht begrepen,
Veracht, miskend, gehoond,
En na de dood met lauwren
Door 't nageslacht gekroond:
Ziedaar hoe men de daden
Van grote mannen loont.

0 laat ons liever de blikken
Beschaamd ten gronde slaan,
Wanneer wij zitten gebogen
Over onze geschiedenisblaân;
Of aan de voet van zijn standbeeld
Met vriend of vreemdling staan.

Onze volksheld sluimert in de aarde,
Zijn rust zij er niet gestoord,
Want wat wij hem misdeden
Is schandlijk, ongehoord:
Wij hebben hem vals beschuldigd,
Wij hebben hem wreed vermoord.

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:51 Reageer op dit bericht

sterkte

Een gedicht voor mensen die ziek zijn of het moeilijk hebben
Ergens gelezen en nu hier geplaatst

Sterkte ..

Een kaartje om te laten weten
wie ziek is wordt hier niet vergeten
Deze kaart en deze bloemen
doen hun warme werk
ze fleuren je op
ze laten je leven
ze maken je weer gezond en sterk
het is geen pretje om ziek te zijn
maar lachen is toch het beste medicijn

Hierbij een bont boeketje
Van alles door elkaar
En mocht je piekeren, lieve ....
Dan kijk je hier maar naar
Wij hopen dat je heel, heel snel
Weer helemaal hersteld
Want heus, alleen gezondheid
Is wat in 't leven telt

Een warme wens
en een bloemenboeket
om je een beetje op te beuren
wij hopen voor jou een spoedig herstel
zodat je snel weer op zult fleuren

Ook al zit 't even tegen
blijf vertrouwen in jezelf
blijf geloven in de goede dingen
je herstel komt dan vanzelf

Je voelt je vermoeid
je voelt je niet prettig
het ontbreekt je vandaag aan moed
daarom stuur ik je dit lieve kaartje
dan gaat het je morgen
vast wel weer goed                       



bloemen

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

woorden

Zomaar een gedichtje...ergens gelezen


bloemen

Woorden in de stilte

Hier loop ik alleen op straat
de woorden die in mijn hoofd zitten zeggen niks
Niks omdat ze mijn gevoel niet omschrijven
De mysterie ligt diep verborgen
Sluipend als een wezen door mijn ziel
En de minuten op de klok tikken weg
zodat ik weet hoe laat het is

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

de speleman

Een gedicht van Omer Karelde Laey 1876-1909

De speleman

's Avonds op de markt en in de
zoelte, met 'n volle kan
gerstebier, bezijds z'n voeten,
zat 'n vreemde speleman.

En hij vlocht z'n vlugge vingers
door het spannig snarenspel,
dat z'n gulden harpe bromde,
lijk 'n zware kerkebel.

Lustig zong hij, en z'n kele
zwolg en zwol in 't groen gestraal
van de volle mane, lijk de
gorgel van 'n nachtegaal.

Rond hem, op de lippen van de
mensen, speelde 'n blij gelach,
en de jongens klepten hun san-
dalen mee, op mateslag.

't Lied was ten einde, en z'n harpe
trilde stervend uit en zweeg.
Dorstig greep hij naar de kan en,
smekkend trage, dronk ze leeg.

"Het Werk van Omer K. De Laey". Uitgeverij Lannoo, Tielt (1941-1942).

schrijver

Geschreven door Dora om 12:38 1 reactie Reageer op dit bericht

ander

Een gedicht van Wilhelm G. van Focquenbroch

Ander

Hier ligt in 't onderaardse hok,
Het rift van d’arme Mr. F.
Begraven onder deze koorsteen:
Hij was geboren t' Amsterdam,
Zo zwart als een Westfaalse ham,
Doorrookt gelijk zijn besjes schoorsteen.
De rook was ook zijn element,
Waardoor hij menig parkement
Heeft om de damp aan stuk gekorven.
Hij hemeld' op een donderdag;
Had hij gewacht tot zaterdag,
Hij was zo vroeg nog niet gestorven.

-------------------------------------
ander - nl. een ander grafschrift
hok - ruimte
rift - lijk
koorsteen - grafsteen in het koor van de kerk
besje - grootmoeder
ook - dan ook
parkement - tabaksblad

schrijver

Geschreven door Dora om 19:22 Reageer op dit bericht

grafschrift

Een gedicht van Wilhelm G. van Focquenbroch

Grafschrift

Van Mr. F.

Van Mr. F. ligt 't lichaam in dees kas;
Die veel van rook en damptuig heeft geschreven.
Die steeds met rook geleek 's mensen leven,
't Geen als een rook verdwijnt en wordt tot as.
Zijn geest is ook als rook omhoog gedreven,
Gelijk zijn rif hier is tot as gebleven;
Alsof het maar verbrande toebak was.

---------------------------------------------------------
Mr. F. - Focquenbroch was meester in de medicijnen.
kas - kist
rif - lijk
toebak - tabak

schrijver

Geschreven door Dora om 14:58 Reageer op dit bericht

konijntje

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Konijntje

Konijntje kan zijn oortjes stellen,
Konijntje kan zijn oogjes schuinen,
heeft al zeven springgezellen
om te hollen op de duinen.
Langoor, Schuinoog, Huppelbeentje
droomt nu in zijn eentje.

Onze baby's (1920)


schrijver

Geschreven door Dora om 10:54 1 reactie Reageer op dit bericht

twintigste eeuw

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Twintigste eeuw

Wij zijn zo jong niet als wij doen geloven.
Ik ben: hoe oud wel? jij haast twintig jaar.
Achter dit lage voorhoofd, onder 't kroezig haar
dat al je kammen breekt, drijft wèlk bereeknen boven?

Je weet, men moet niet altijd geven na beloven,
't gevaar van geven is dat elk bezit weegt zwaar.
Je hoofdje waakt, waakt sedert lang, nietwaar?
De droeve dwaas, die meent je hart te roven!

De najaarsvliegen laten zich niet vangen
door de belijmde strook die van de lamp afhangt -
en 't leven heeft zo véél niet uit te hangen!

Een kind als jij en ik mag vrijuit spelen,
overal, met de zekerheid dat niets hem vangt,
overal, met de vrees zich elders te vervelen.

----------------------------------
uit: Rose en geel (Parlando 1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:34 Reageer op dit bericht

een kind

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

Ter nagedachtenis van een kind

Het was een engeltje uit Gods tuin,
Dat hier kwam neergevlogen,
Met zoet gelaat en kroeselhaar,
En hemelglans in de ogen.

En de oudren juichten om dat kind,
Het enig hun gegeven ;
Zijn lach, zijn kus, zijn schaterend spel,
Zijn liefde was hun leven.

Zij drukten 't aan hun kloppend hart,
Zij wilden 't hier behouden.
Zij zeiden, dat zij 't volst genot
Der aard hem schenken zouden.

0 moederliefde, o vadermin,
Wat kon het meer behoeven
Maar... 't hoorde aan hoger sferen toe :
Het mocht hier niet vertoeven.

Het heeft zijn vlerkjes weer ontplooid,
Het is u gaan verbeiden,
En 't heil, dat gij hem geven woudt,
Zal 't ginds u voorbereiden.

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:50 1 reactie Reageer op dit bericht

meidag

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Meidag.

Nu draaide 't windje, met de zon,
Door 't oosten heen naar 't zuiden;
Dat is zo goed als 't wezen kon,
Voor boer en buitenluiden.
Het blaadje rolt zich uit de knop,
Het veld wordt groen, het zaad schiet op,
De nachtvorst zal 't niet plagen;
Wij krijgen warme dagen.

Wij hebben lang genoeg gezucht,
Als werden wij vergeten;
Daar komt opeens de zachte lucht...
Nu willen wij 't niet weten,
Maar menigeen heeft vaak gezegd:
Die kou is naar, dat weer is slecht!
Als moesten wij 't niet loven,
Als kwam het niet van Boven.

Nu staan wij daar beschaamd, niet waar?
Hoe zullen we ons verschonen?
De lucht is warm, de lente is daar,
Het groen komt zich vertonen.
Och, lieve Heer! zie gunstig neer!
Wij klagen nooit ons dagen meer;
Wij willen dankbaar leven;
Och Heer! wil ons vergeven!

Gedichten (2005)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:35 Reageer op dit bericht

de dag

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

De dag breekt spoedig aan

De dag breekt spoedig aan, de grote dag der dagen,
Die dood en grafkuil uit de schepping weg zal vagen.
Dan zal de teedre gâ, voor een onsterflijk leven,
De vriend van hare ziel in de open armen zweven,
Hem drukken aan de borst, en juichen dat het graf
De toevertrouwde schat zo heerlijk wedergaf!
Dan zinkt op nieuw de vriend aan 't hart zijns vriends ter neder,
Dan vindt de moeder haar geroofde zuigling weder !

schrijver

Geschreven door Dora om 11:30 Reageer op dit bericht

de lente

Een gedicht van Elisabeth Maria Post 1755-1812

De lente

Daar is nu de lente:
De vrolijke lente,
Die heuvlen en dalen,
Die akkers en weiden,
Die bosjes en wouden
Met groen overkleedt.

Nu juichen de bossen,
Nu leven de weiden;
Wat aantal geluiden
Doorgalmen het luchtruim;
En roemen als goedheid
De Schepper der lente,
Die de aarde verheugt,

Nu loeien de koeien;
Nu briesen de paarden;
Nu blaten de lammren,
En geitjes en schapen;
Nu snorren de insectjes;
Nu zingen de vogels;
't Geroep van de koekkoek,
't Gefluit van de merel,
Het kirren der duifjes,
Het orglen der leeuwrik,
Vermengt zich harmonisch;
De nachtegaal tovert
Door roerende liedren:
De bosjes weergalmen,
Van liefde en geluk!

Deze invloed der lente
Bezielt heel de schepping
Met wonderlijk leven;
Het dode verrijst weer;
Het koude verwarmt zij;
Haar vuur stroomt door de aarde,
Met groeikracht en wording;
En duizenden planten,
Met duizenden bloemen,
Zo prachtig, zijn daar!

Hoe geuren die planten!
Hoe gloeien die bloemen!
Hoe trillen de bladen!
Hoe suist al de lommer,
Als Zephyr zo zachtjes
Loopt spelen door 't groen!

Nu springen de bronnen;
Nu ruisen de vallen;
Nu weemlen de beekjes;
Nu zwellen de vijvers;
Nu stromen rivieren
In prachtiger schoonheid,
Door 't vruchtbare land.

Het vuur van de lente
Doorstroomt alle wezens,
Met leven en liefde,
En schepping en wording
Verrijst door die kracht.

De dieren der aarde,
De vooglen der wouden,
De vissen der stromen,
De insecten der poelen,
Gevoelen die werking;
En alles vermeert.

Dit vuur van de lente
Sluipt gloeiend in de adren
Des moedige jonglings;
Onrustig en kwijnend
Vervelend en smachtend
Verlangt hij geluk.

Het vuur van de lente
Doorstroomt ook de boezem
Van 't jeugdige meisje,
Vertedert haar harte;
Hoe zuchtend, hoe peinzend,
Hoe zacht melancholisch
Gevoelt zij de vreugde
Der juichende schepping;
En juicht toch niet mee.

Ik, vrolijke lente!
Heb nooit uwe invloed,
Zo zacht, en zo strelend,
Zo teder, zo roerend,
Als nu aan de zijde
Mijns jonglings, gevoeld.

Ook hij, die uw invloed
Zo dikwijls, al zuchtend
En eenzaam, gevoelde,
Was nimmer zo rustig,
Zo vrolijk genietend,
Als nu zijn Elize
Met hem uw vermogen,
Met hem uwe schoonheid
Ook zalig gevoelt.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:20 Reageer op dit bericht

nimmermeer

Gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Nimmermeer

Ik wind de wollen sjaal zo warm
Haar om de schouders, buig mij neder
En kus haar; leunend aan mijn arm
Loopt zij de herfstlaan heen en weder.

Had ik haar ogen toegedrukt,
De handen op haar borst gevouwen,
En lag ik voor de steen gebukt
Waarin haar naam stond uitgehouwen,

Zou zij niet zó verloren zijn,
Zó hooploos voor mijn hart gestorven,
Als nu waar beide in vlammenschijn
Wij door het dorrend lover zworven.

Waarom? Is dan die rode mond
Niet even lief geplooid gebleven,
Kronen haar lokken minder blond
De speelse gratie van haar leven?

Neen, maar wat hiér gescheiden heeft,
Is het onnoembre dat gevleugeld
In ons naar verre ruimten streeft,
Doch sterven moet als men 't beteugelt.

Wij stegen twee in 't grondloos licht,
Als duiven die de morgen groeten,
Toen sloeg zij moe de wieken dicht,
En nooit zal ik haar weer ontmoeten.

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

tuin

Een gedicht van Marie Metz-Koning

Ik weet een tuin

Ik weet een tuin in de zonneschijn
Waar mooie bloemen en bomen zijn;

Ook witte stenen met gouden schrift
En schone woorden er in gegrift;

Waar blanke beelden staan opgericht
Met klagende ogen in treurgezicht.

Veel vlinders fladdren er heen en weer
Of zitten stil op de bloemen neer.

Daar, in een donker, klein kamerkijn
Sprei mij een bedje van wit satijn.

Ga dan in 't woud,- waar de vogel zingt
Waar 't luchtig-vluchtend konijntje springt,

Bij bijtjes zoemen en mugge-dans,
En wind van bloemen me een wilde krans.

Leg zacht die krans op mijn haren neer,
En ga weer Leven .... en ween niet meer.

Een bundel letterkundige bijdragen (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

muziek

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Bij muziek

Muziek, waarbij ik dromend luister,
Hoe voert naar vroeger gij terug,
En welft U over 't duister
Tot koene bogen van een broze brug...

Maar werden dan voorheen mijn jaren
Alleen geteld
Naar saamgebonden korenaren,
De schoven op het veld,
Naar blozend ooft,
Dat door een mild seizoen verguld,
En daaglijks overvloediger beloofd,
De korven had gevuld?

Stille muziek,
Als gij nog eenmaal later
Een zilvren wiek
Doet flitsen over 't donker water,
Zult gij dan ook, o lied,
Door Licht het onverklaarbare aan te roeren,
Mij naar dit jaar,
Zo dor en zwaar,
En vol verdriet,
Dat ik schier dacht
Het heeft geen vruchten voortgebracht,
Daar het mijn handen ledig liet,
Zachtvleuglig medevoeren

Als naar een dicht omgroende woning,
Waar 't geurigste uit de gaard,
Het weeldrig fruit, de zoete honing,
Met de akkeropbrengst van een rijk gebied,
Op de oude zolders wordt bewaard,
Schoon lied?

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

venster

Een levensbeweging....

Venster

 

Ik keek uit m’n venster

Ik zag de straat

Is er nog iemand die voorbij gaat

Of is het een stille straat

Eens was de straat zo stil

De achtergrond was schril

De straat waar je alleen moest gaan

De straat die alleen jouw geheim kon verstaan

Het verstaan van de voetstappen

Soms was er een hak die klapte

Maar verder was het stil

Ook geen eindeloos gegil

Alles is verstomd

Vroeger werd er veel gegromd

Dat wordt niet uitgegomd

Het blijft altijd in het leven bestaan

Maar toch moet je verder gaan

Door de stille straat

Gelukkig mijn aankomst was niet te laat

De deur ging open

En toen viel het licht op mijn gelaat

Het was de gang van de stille straat!




Huizen
Geschreven door Dora om 10:15 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten