konijntje

Konijntje
Konijntje kan zijn oortjes stellen,
Konijntje kan zijn oogjes schuinen,
heeft al zeven springgezellen
om te hollen op de duinen.
Langoor, Schuinoog, Huppelbeentje
droomt nu in zijn eentje.
Onze baby's (1920)

konijntje
Konijntje kan zijn oortjes stellen,
Konijntje kan zijn oogjes schuinen,
heeft al zeven springgezellen
om te hollen op de duinen.
Langoor, Schuinoog, Huppelbeentje
droomt nu in zijn eentje.
Onze baby's (1920)

twintigste eeuw
Wij zijn zo jong niet als wij doen geloven.
Ik ben: hoe oud wel? jij haast twintig jaar.
Achter dit lage voorhoofd, onder 't kroezig haar
dat al je kammen breekt, drijft wèlk bereeknen boven?
Je weet, men moet niet altijd geven na beloven,
't gevaar van geven is dat elk bezit weegt zwaar.
Je hoofdje waakt, waakt sedert lang, nietwaar?
De droeve dwaas, die meent je hart te roven!
De najaarsvliegen laten zich niet vangen
door de belijmde strook die van de lamp afhangt -
en 't leven heeft zo véél niet uit te hangen!
Een kind als jij en ik mag vrijuit spelen,
overal, met de zekerheid dat niets hem vangt,
overal, met de vrees zich elders te vervelen.
----------------------------------
uit: Rose en geel (Parlando 1930)

een kind
Het was een engeltje uit Gods tuin,
Dat hier kwam neergevlogen,
Met zoet gelaat en kroeselhaar,
En hemelglans in de ogen.
En de oudren juichten om dat kind,
Het enig hun gegeven ;
Zijn lach, zijn kus, zijn schaterend spel,
Zijn liefde was hun leven.
Zij drukten 't aan hun kloppend hart,
Zij wilden 't hier behouden.
Zij zeiden, dat zij 't volst genot
Der aard hem schenken zouden.
0 moederliefde, o vadermin,
Wat kon het meer behoeven
Maar... 't hoorde aan hoger sferen toe :
Het mocht hier niet vertoeven.
Het heeft zijn vlerkjes weer ontplooid,
Het is u gaan verbeiden,
En 't heil, dat gij hem geven woudt,
Zal 't ginds u voorbereiden.
Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

meidag
Nu draaide 't windje, met de zon,
Door 't oosten heen naar 't zuiden;
Dat is zo goed als 't wezen kon,
Voor boer en buitenluiden.
Het blaadje rolt zich uit de knop,
Het veld wordt groen, het zaad schiet op,
De nachtvorst zal 't niet plagen;
Wij krijgen warme dagen.
Wij hebben lang genoeg gezucht,
Als werden wij vergeten;
Daar komt opeens de zachte lucht...
Nu willen wij 't niet weten,
Maar menigeen heeft vaak gezegd:
Die kou is naar, dat weer is slecht!
Als moesten wij 't niet loven,
Als kwam het niet van Boven.
Nu staan wij daar beschaamd, niet waar?
Hoe zullen we ons verschonen?
De lucht is warm, de lente is daar,
Het groen komt zich vertonen.
Och, lieve Heer! zie gunstig neer!
Wij klagen nooit ons dagen meer;
Wij willen dankbaar leven;
Och Heer! wil ons vergeven!
Gedichten (2005)

de dag
De dag breekt spoedig aan, de grote dag der dagen,
Die dood en grafkuil uit de schepping weg zal vagen.
Dan zal de teedre gâ, voor een onsterflijk leven,
De vriend van hare ziel in de open armen zweven,
Hem drukken aan de borst, en juichen dat het graf
De toevertrouwde schat zo heerlijk wedergaf!
Dan zinkt op nieuw de vriend aan 't hart zijns vriends ter neder,
Dan vindt de moeder haar geroofde zuigling weder !

de lente
Daar is nu de lente:
De vrolijke lente,
Die heuvlen en dalen,
Die akkers en weiden,
Die bosjes en wouden
Met groen overkleedt.
Nu juichen de bossen,
Nu leven de weiden;
Wat aantal geluiden
Doorgalmen het luchtruim;
En roemen als goedheid
De Schepper der lente,
Die de aarde verheugt,
Nu loeien de koeien;
Nu briesen de paarden;
Nu blaten de lammren,
En geitjes en schapen;
Nu snorren de insectjes;
Nu zingen de vogels;
't Geroep van de koekkoek,
't Gefluit van de merel,
Het kirren der duifjes,
Het orglen der leeuwrik,
Vermengt zich harmonisch;
De nachtegaal tovert
Door roerende liedren:
De bosjes weergalmen,
Van liefde en geluk!
Deze invloed der lente
Bezielt heel de schepping
Met wonderlijk leven;
Het dode verrijst weer;
Het koude verwarmt zij;
Haar vuur stroomt door de aarde,
Met groeikracht en wording;
En duizenden planten,
Met duizenden bloemen,
Zo prachtig, zijn daar!
Hoe geuren die planten!
Hoe gloeien die bloemen!
Hoe trillen de bladen!
Hoe suist al de lommer,
Als Zephyr zo zachtjes
Loopt spelen door 't groen!
Nu springen de bronnen;
Nu ruisen de vallen;
Nu weemlen de beekjes;
Nu zwellen de vijvers;
Nu stromen rivieren
In prachtiger schoonheid,
Door 't vruchtbare land.
Het vuur van de lente
Doorstroomt alle wezens,
Met leven en liefde,
En schepping en wording
Verrijst door die kracht.
De dieren der aarde,
De vooglen der wouden,
De vissen der stromen,
De insecten der poelen,
Gevoelen die werking;
En alles vermeert.
Dit vuur van de lente
Sluipt gloeiend in de adren
Des moedige jonglings;
Onrustig en kwijnend
Vervelend en smachtend
Verlangt hij geluk.
Het vuur van de lente
Doorstroomt ook de boezem
Van 't jeugdige meisje,
Vertedert haar harte;
Hoe zuchtend, hoe peinzend,
Hoe zacht melancholisch
Gevoelt zij de vreugde
Der juichende schepping;
En juicht toch niet mee.
Ik, vrolijke lente!
Heb nooit uwe invloed,
Zo zacht, en zo strelend,
Zo teder, zo roerend,
Als nu aan de zijde
Mijns jonglings, gevoeld.
Ook hij, die uw invloed
Zo dikwijls, al zuchtend
En eenzaam, gevoelde,
Was nimmer zo rustig,
Zo vrolijk genietend,
Als nu zijn Elize
Met hem uw vermogen,
Met hem uwe schoonheid
Ook zalig gevoelt.

nimmermeer
Ik wind de wollen sjaal zo warm
Haar om de schouders, buig mij neder
En kus haar; leunend aan mijn arm
Loopt zij de herfstlaan heen en weder.
Had ik haar ogen toegedrukt,
De handen op haar borst gevouwen,
En lag ik voor de steen gebukt
Waarin haar naam stond uitgehouwen,
Zou zij niet zó verloren zijn,
Zó hooploos voor mijn hart gestorven,
Als nu waar beide in vlammenschijn
Wij door het dorrend lover zworven.
Waarom? Is dan die rode mond
Niet even lief geplooid gebleven,
Kronen haar lokken minder blond
De speelse gratie van haar leven?
Neen, maar wat hiér gescheiden heeft,
Is het onnoembre dat gevleugeld
In ons naar verre ruimten streeft,
Doch sterven moet als men 't beteugelt.
Wij stegen twee in 't grondloos licht,
Als duiven die de morgen groeten,
Toen sloeg zij moe de wieken dicht,
En nooit zal ik haar weer ontmoeten.
Liederen en balladen (1911)

tuin
Ik weet een tuin in de zonneschijn
Waar mooie bloemen en bomen zijn;
Ook witte stenen met gouden schrift
En schone woorden er in gegrift;
Waar blanke beelden staan opgericht
Met klagende ogen in treurgezicht.
Veel vlinders fladdren er heen en weer
Of zitten stil op de bloemen neer.
Daar, in een donker, klein kamerkijn
Sprei mij een bedje van wit satijn.
Ga dan in 't woud,- waar de vogel zingt
Waar 't luchtig-vluchtend konijntje springt,
Bij bijtjes zoemen en mugge-dans,
En wind van bloemen me een wilde krans.
Leg zacht die krans op mijn haren neer,
En ga weer Leven .... en ween niet meer.
Een bundel letterkundige bijdragen (1900)

muziek
Muziek, waarbij ik dromend luister,
Hoe voert naar vroeger gij terug,
En welft U over 't duister
Tot koene bogen van een broze brug...
Maar werden dan voorheen mijn jaren
Alleen geteld
Naar saamgebonden korenaren,
De schoven op het veld,
Naar blozend ooft,
Dat door een mild seizoen verguld,
En daaglijks overvloediger beloofd,
De korven had gevuld?
Stille muziek,
Als gij nog eenmaal later
Een zilvren wiek
Doet flitsen over 't donker water,
Zult gij dan ook, o lied,
Door Licht het onverklaarbare aan te roeren,
Mij naar dit jaar,
Zo dor en zwaar,
En vol verdriet,
Dat ik schier dacht
Het heeft geen vruchten voortgebracht,
Daar het mijn handen ledig liet,
Zachtvleuglig medevoeren
Als naar een dicht omgroende woning,
Waar 't geurigste uit de gaard,
Het weeldrig fruit, de zoete honing,
Met de akkeropbrengst van een rijk gebied,
Op de oude zolders wordt bewaard,
Schoon lied?
Het aardsche paradijs (1927)

venster
Venster
Ik keek uit m’n venster
Ik zag de straat
Is er nog iemand die voorbij gaat
Of is het een stille straat
Eens was de straat zo stil
De achtergrond was schril
De straat waar je alleen moest gaan
De straat die alleen jouw geheim kon verstaan
Het verstaan van de voetstappen
Soms was er een hak die klapte
Maar verder was het stil
Ook geen eindeloos gegil
Alles is verstomd
Vroeger werd er veel gegromd
Dat wordt niet uitgegomd
Het blijft altijd in het leven bestaan
Maar toch moet je verder gaan
Door de stille straat
Gelukkig mijn aankomst was niet te laat
De deur ging open
En toen viel het licht op mijn gelaat
Het was de gang van de stille straat!
gedicht
Zomaar even een gedicht...misschien dat het een mens hier of daar
wat op kan richten...het leven heeft vele kanten en gezichten!
Gedicht
Iedereen maakt een gedicht
Het is vaak gericht
Op het eigen levensinzicht
Liefde en dood
Je ziet het overal
Je ziet wat het leven bood
Soms weegt een leven ook als dieplood
Mensen kunnen vreemd tegen elkaar zijn
Daarom hebben ook veel mensen innerlijk pijn
Maar laat je niet kisten
En kom niet om in
chagrijn!
kastanjes
Het is een heldere dag in mei,
De wind waait lustig, de zon schijnt blij
Op bloeiende paarse seringen,
En gouden regens in gele tooi
En alles is zo mooi, zo mooi!
En alle vogels zingen!
En zie hoe blauw de hemel blauwt
Boven de weiden geel als goud,
De zonnige, bloeiende landen,
En zie de kastanjebomen daar staan!
Daar groeien witte kaarsjes aan,
Wat zullen die kaarsjes aardig staan
Wanneer ze van avond branden!
Nieuwe verzen (1909)

spiegeling
Waar water is, wordt alles opgetild.
0 zie die waatren eens rechtlijnig schieten
De brug door tot zo welige verschieten
Dat graft-laan lijken gaat een woud-laan mild
En midde' in stad als eenzame woud-stilt'.
Wat zo de leste wolkjes daarin lieten
Voor donkre diept' haar leste blos verschieten
Eer nog een huivring over 't licht vlak rift?
De hemel kijkt tot onder in de stad.
De hemel kijkt weer uit de diept' naar boven,
Alsof de stad haar fundamenten had
Ver in het diep der hemelse licht-hoven.
ZO strekk' mijn ziel der wereld tot een bad,
Welks waatren niet haar hemel-lichten doven!

het woud

dronkaard
Hij wil gelaten van dit leven scheiden
Voorgoed vertrekken uit dit somber oord,
Waar niets hem noch kan boeien noch verleiden,
Hij heeft te veel gezien, genoeg gehoord.
Maar als hij dan, bij wijze van vaarwel,
Ultieme plicht, een laatste glas wil heffen,
Als de avondlucht, die teder word en hel,
Hem wat hij gaat verliezen doet beseffen,
Als hij de lach bewondert van de meid,
Die hem het schuimend glas reikt, als de blanke
Huid van haar borst en arm een zaligheid
Belooft die groter is dan die der dranken,
Voelt hij zich weer verzoend met het bestaan,
En met de toekomst én met het verleden.
Hij heeft betaald, hij kan weer verder gaan:
Zo heeft het laatste glas altijd zijn reden.

feestdag
Purperen stralen
Kleuren de dalen,
Heuvels en kimmen
Glinstren en glimmen;
Klokkengedommel op ruisende vlerk
Wekt ter betrachting en nodigt ter kerk.
Trekken we in vrede
Veldewaarts mede,
Zingen we en bidden;
God is in 't midden,
Scheppend alom, door het wonderheelal,
Liefde in de harten, en bloemen in 't dal.

jij
Ik ben de bruine, barre aard
jij bent de Lent, die er bloemen baart.
Ik ben bet bos, zo dicht en donker —
jij spat en speelt er als zongeflonker.
Ik ben de droeve, dromerige hei —
jij bent de purperen bloemekenssprei.
Ik ben de mosplant, zwart en treurig —
jij bent bet viooltje, fleurig, geurig.
Ik ben de kamer vensterloos,
waar duister heerst en kou altoos —
jij bent de luchter met gouden armen,
die 't al verlicht en 't al komt warmen!
Ik ben bet eindloze schotsenveld —
jij bent de zon die alles smelt!
Jij bent mij Al, hebt me al gegeven :
'k lag dood in 't graf, jij deed m'herleven !
Zomervlammen (1922)

Den Haag
Het hele land in 't klein, de weegschaal van de staat,
De schave van de jeugd, de schole van de daad,
Het dorp der dorpen geen, waar ieder' steeg een pad is,
Maar dorp der dorpen een, waar ieder' straat een stad is.
De rondom groene buurt, het rondom stenen Hout,
Des boers verwondering, al komt hij uit het woud,
Des steêmans steeds vermaak, al komt hij uit de muren,
Der vijanden ontzag, de vrijster van de buren,
Des werelds lekkernij, des hemels welgeval.
Is 't daarmee al gezegd, zo ben ik meer dan al.

liedje
Mijn molentje draait er lustig en wel,
Mijn schoorsteen rookt er neven,
Maar 'k ben nog altijd een vrijgezel,
Wat heb ik aan zo'n leven!
Och, trad er Marieke mijn molentje in,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn broodje win.
De hemel bezorgt mij gunstige wind,
Het boertje geld en koren.
De stenen ronken en 't werkend bint
Laat vrolijk zijn krikkrakken horen.
Doch klonk door de molen Marieke heur taal,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn koren maal.
De dis is bereid, de pot hangt te vuur,
Gevuld zijn kist en kasten,
Maar 't is geen leven zo op de duur,
Al heb ik meer lusten dan lasten.
Och, trouwd'er het blonde Marieke met mij,
Dan wist ik, waarvoor ik den dis berei.
Blaas, windeke, blaas, en molentje draai!
Vivat het mulders leven!
Maar ziet mijn molen nooit kind noch kraai,
Dan is het mij net om het even.
Och, kwam op de molen Marieke mijn schat,
Ik denk, dat ik spoedig zo'n dreumes had.

gevallen
Gevallen, ja, gevallen,
Gevallen en veracht!
Doch weet ge, zonder mallen,
Wat de arme daartoe bracht?
Nu loopt ze langs de straten
En kent geen uur van vreugd,
Sinds ééns zij heeft verlaten
God en het pad der deugd.
Doch wilt haar nu niet smaden -
Wie bracht haar in verdriet?
Een man heeft haar verraden,
Toen hij haar snood verliet.
Zo wilt haar dan niet treffen
Met uwe eerste steen:
God kan en wil haar heffen
Uit zonden en geween!
----------------------------------------------
Grassprietjes (1885) door Cornelis Paradijs

1 reactie op dit bericht
Fijne vrijdag!
Nikki