Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

spiegeling

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

NARCISSUS OF WATER-SPIEGELING IN AMSTERDAM

Waar water is, wordt alles opgetild.
0 zie die waatren eens rechtlijnig schieten
De brug door tot zo welige verschieten
Dat graft-laan lijken gaat een woud-laan mild
En midde' in stad als eenzame woud-stilt'.
Wat zo de leste wolkjes daarin lieten
Voor donkre diept' haar leste blos verschieten
Eer nog een huivring over 't licht vlak rift?
De hemel kijkt tot onder in de stad.
De hemel kijkt weer uit de diept' naar boven,
Alsof de stad haar fundamenten had
Ver in het diep der hemelse licht-hoven.
ZO strekk' mijn ziel der wereld tot een bad,
Welks waatren niet haar hemel-lichten doven!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

het woud

Een gedicht van Johan de Laet 1815-1891

Het woud

Schoon, majesteitvolle Woud,
Statige tempel der Godheid,
Wellekom is mij 't geheim,
't Somber geheim der gewelven
Die, met een wenk zijner hand,
Miek de Alvermogende Bouwheer.

Schoon, majesteitvolle Woud,
Rustig en vredig naar buiten,
Zegt ge wat binnen gebeurt
Slechts wie vertrouwd is met U.

Lachende omringen uw zoom
Kleurige, geurige bloemen
Die gulle en rijke natuur
Mild, ongeteld om u strooit;
't Dichte gebladert' beschut
Zingende, minnende vogels;
't Zorgende moederken broeit,
Rondom het nesteken heen
Vliegt de ongeduldige vader
Kozende en dartelende om.

Dat ziet de wandler; maar hij
Die meer vertrouwd is met u,
Weet dat het roofdier,
de slang Ook uwe diepten bewoont;

Weet dat de geurige bloem
Wel uwe gordel bekleurt,
Maar dat de distel, de braam
Dieper de bloeme vervangt.

Schoon majesteitvolle Woud,
Statige tempel der Godheid,
Soms slaakt uw boezem een zucht
Heimvol en schier ongehoord.
Waar komt die zucht toch vandaan,
Machtig en prachtige Woud?
Soms, als de noorderwind loeit,
Huilt gij en klaagt ge met hem;
IJslijk is dan uwe klacht,
IJslijk en roerend te gaar,
Waar komt dat klagen vandaan?
Waar gaat dat klagen naartoe?
'k Weet het. Gij leeft, arme Woud,
Lijdt ende klaagt — daar ge leeft.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:20 Reageer op dit bericht

dronkaard

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

De desperate dronkaard

Hij wil gelaten van dit leven scheiden
Voorgoed vertrekken uit dit somber oord,
Waar niets hem noch kan boeien noch verleiden,
Hij heeft te veel gezien, genoeg gehoord.

Maar als hij dan, bij wijze van vaarwel,
Ultieme plicht, een laatste glas wil heffen,
Als de avondlucht, die teder word en hel,
Hem wat hij gaat verliezen doet beseffen,

Als hij de lach bewondert van de meid,
Die hem het schuimend glas reikt, als de blanke
Huid van haar borst en arm een zaligheid
Belooft die groter is dan die der dranken,

Voelt hij zich weer verzoend met het bestaan,
En met de toekomst én met het verleden.
Hij heeft betaald, hij kan weer verder gaan:
Zo heeft het laatste glas altijd zijn reden.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:41 Reageer op dit bericht

feestdag

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Feestdag op het Land

Purperen stralen
Kleuren de dalen,
Heuvels en kimmen
Glinstren en glimmen;
Klokkengedommel op ruisende vlerk
Wekt ter betrachting en nodigt ter kerk.

Trekken we in vrede
Veldewaarts mede,
Zingen we en bidden;
God is in 't midden,
Scheppend alom, door het wonderheelal,
Liefde in de harten, en bloemen in 't dal.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:56 1 reactie Reageer op dit bericht

jij

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Jij bent

Ik ben de bruine, barre aard
jij bent de Lent, die er bloemen baart.

Ik ben bet bos, zo dicht en donker —
jij spat en speelt er als zongeflonker.

Ik ben de droeve, dromerige hei —
jij bent de purperen bloemekenssprei.

Ik ben de mosplant, zwart en treurig —
jij bent bet viooltje, fleurig, geurig.

Ik ben de kamer vensterloos,
waar duister heerst en kou altoos —

jij bent de luchter met gouden armen,
die 't al verlicht en 't al komt warmen!

Ik ben bet eindloze schotsenveld —
jij bent de zon die alles smelt!

Jij bent mij Al, hebt me al gegeven :
'k lag dood in 't graf, jij deed m'herleven !

Zomervlammen (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:09 Reageer op dit bericht

Den Haag

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

's-Gravenhage

Het hele land in 't klein, de weegschaal van de staat,
De schave van de jeugd, de schole van de daad,
Het dorp der dorpen geen, waar ieder' steeg een pad is,
Maar dorp der dorpen een, waar ieder' straat een stad is.
De rondom groene buurt, het rondom stenen Hout,
Des boers verwondering, al komt hij uit het woud,
Des steêmans steeds vermaak, al komt hij uit de muren,
Der vijanden ontzag, de vrijster van de buren,
Des werelds lekkernij, des hemels welgeval.
Is 't daarmee al gezegd, zo ben ik meer dan al.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:45 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.W. van Lovendaal 1847-1939

Liedje van de molenaar

Mijn molentje draait er lustig en wel,
Mijn schoorsteen rookt er neven,
Maar 'k ben nog altijd een vrijgezel,
Wat heb ik aan zo'n leven!
Och, trad er Marieke mijn molentje in,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn broodje win.

De hemel bezorgt mij gunstige wind,
Het boertje geld en koren.
De stenen ronken en 't werkend bint
Laat vrolijk zijn krikkrakken horen.
Doch klonk door de molen Marieke heur taal,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn koren maal.

De dis is bereid, de pot hangt te vuur,
Gevuld zijn kist en kasten,
Maar 't is geen leven zo op de duur,
Al heb ik meer lusten dan lasten.
Och, trouwd'er het blonde Marieke met mij,
Dan wist ik, waarvoor ik den dis berei.

Blaas, windeke, blaas, en molentje draai!
Vivat het mulders leven!
Maar ziet mijn molen nooit kind noch kraai,
Dan is het mij net om het even.
Och, kwam op de molen Marieke mijn schat,
Ik denk, dat ik spoedig zo'n dreumes had.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:35 Reageer op dit bericht

gevallen

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Het gevallen meisje

Gevallen, ja, gevallen,
Gevallen en veracht!
Doch weet ge, zonder mallen,
Wat de arme daartoe bracht?

Nu loopt ze langs de straten
En kent geen uur van vreugd,
Sinds ééns zij heeft verlaten
God en het pad der deugd.

Doch wilt haar nu niet smaden -
Wie bracht haar in verdriet?
Een man heeft haar verraden,
Toen hij haar snood verliet.

Zo wilt haar dan niet treffen
Met uwe eerste steen:
God kan en wil haar heffen
Uit zonden en geween!

----------------------------------------------
Grassprietjes (1885) door Cornelis Paradijs

schrijver

Geschreven door Dora om 12:10 Reageer op dit bericht

dit is

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

Dit is de dag, die God ons schenkt

Dit is de dag, die God ons schenkt,
waaraan thans ieder christen denkt;
hem viere, wat in 't groot heelal
door Jezus is en wezen zal.

Men had Hem eeuwen lang verwacht;
en toen Gods tijdperk was volbracht,
toen zond Hij van zijn hoge troon
het heil der wereld ons, zijn Zoon.

O Gij ons heil, ons hoogste goed,
Gij werd een mens van vlees en bloed,
werd onze broeder, en door U
zijn wij Gods eigen kind'ren nu.

Als ik dit wonder vatten wil,
dan wordt mijn geest van eerbied stil,
aanbidt het, maar doorgrondt het niet,
dat zo de liefde Gods geschiedt.

U, die voor ons geboren zijt,
U zij ons hart, ons lied gewijd.
Wij voegen juichend onze stem
bij 't englenheir van Bethlehem.

Geloofd die komt in 's Heren naam!
Wij christ'nen zeeg'nen U te zaam,
U, vredevorst, der vaadren wens,
U zaligmaker, God en mens!

Roem, hemel, die geboortedag,
de schoonste, die de wereld zag;
juich, aarde, nu ge uw koning ziet,
zing Hem een nooit gezongen lied.

Dit is de dag, die God ons schenkt,
waaraan eens heel de wereld denkt;
hem viere, wat in 't groot heelal
door Jezus is en wezen zal.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:50 Reageer op dit bericht

viooltjes

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Viooltjes

Staan ze daar niet als kindren, de gezichtjes
Hoog op in 't vrolijke zonlicht; zelve lichtjes
Van kleur, gevlamd, gebruind? Heel blij verluidt
Hun warme levenswil door 't kleuren-klateren...
- Straks gaan de mondjes open. 't Lachenschateren
Schittert al boven 't groene-aandachtige uit!

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:17 Reageer op dit bericht

mona

Mona

 

 

Ja...daar is Mona

Mona de Keijzer

We zijn inmiddels wat wijzer

Als je haar hoort spreken

Dan gaat er iets breken

Niet van liefde

Maar van narigheid

Want ook deze vrouw is de weg kwijt

Ze ziet zichzelf wel zitten

Ze is een arrogant geval

Ze is als een bloem in de knop

Komt ze ergens aan de top

Dan barst het geheel open

Niet als een mooie bloem

Maar iemand die verkeerd is aan het doen

Een beetje snel geïrriteerd

Soms willen mensen hoge ogen gooien

Maar ze vergeten goed om zich heen te kijken

Vooral willen ze zelf een goede persoonlijkheid lijken

Maar er komt meer voor kijken

Wil je zo’n vervallen anti-christelijk partij

Gewoon weer op de kaart weten te brengen

Van al deze mensen moet je het niet verwachten

Want in ons land regent het klachten

Niemand die het nog tot een goed einde brengt

Spreekt men haar aan over een partij

Dan haalt ze snel een andere erbij

Nee, dat christelijk gedoe

Dat maakte ons land nu zo moe!

Moe van alle dagelijks zorgen

Daarom hebben we onze buik er van vol

Want ze zijn daar echt op hol

Hoe kom je er bij om je zelf als

een goede lijsttrekker te presenteren

Op de teevee valt het allemaal wel mee

Dan houden ze zich gedwee

Maar hoor je toevallig een radioprogram

Waar ze als een koude kikker op me over kwam!

Wel hebben ze mooie woorden

Maar hiermee kun je veel mensen vermoorden

Daarom mannen opgepast

Die vrouwen zijn zo glad als een aal

En als me iets gaat vervelen

Dan is het dat ik al die vrouwen hoor kwelen!

 

 

Geschreven door Dora om 23:10 Reageer op dit bericht

het weer

Het weerweer

 

Sommigen zeggen

Ik kan er niet meer tegen

Ja, in het leven zit soms veel tegen

Crisis in de landen

En dan doet hier het weer

ook met veel zaken geen goed

Want de mens vindt dat het

weer er toe doet

Men gaat niet tuinen

De planten en bloemen leveranciers

komen nu tekort

En zo gaat het maar voort

Nergens komt er nog iets goeds van de grond

Toch is regen erg gezond

Voor het voedsel op het land

In ieder geval is er altijd wat te zeuren

Of mensen zitten te treuren

Omdat de zon maar niet wil komen

Soms kijkt hij even door de wolken

En moet je je snel naar buiten begeven

Om te genieten van de bloeiende lente

Ook al is het maar even

Ja, er komt nog niet al teveel goeds

Maar ja, misschien is het er nog onverhoeds

Reken je er niet meer op

Dan gaat de zon weer op!

En blijft de nattigheid achterwege

In ieder geval, regen is en blijft toch altijd een zegen

Want zonder nattigheid groeit er niets

Met veel regen ga je ook niet snel op de fiets

Je moet dan achter de geraniums blijven

Ja, misschien loopt er hier of

daar een man of vrouw te kijven

Daar moet je dan uit de buurt blijven

Zo vorderen we in de tijd

En straks schijnt misschien de zon met veel vlijt

Dan hoor je weer andere praatjes in die tijd

Dan is het weer te warm of te droog

Ja, het weer zit een mens eigenlijk altijd hoog!


weer

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

zielslied

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Dichters zielslied

Ewig war ich,
ewig bin ich,
ewig in süss
sehnender Wonne.

R. Wagner, Siegfried 3 Akt.



Veel maanden lang heb ik dit rein gezicht
Diep in mij zelf bewaard,
Nu groeit het tot een rijk en rijp gedicht,
Dat álles samengaart.

Nu weet ik, dat ik éénmaal heb geleefd
Op gouden troon in Hemels tent,
En dat mijn ziel Gods gloed gedronken heeft
En zuivre tocht gekend.

Daar waaiden zilvren winden om mij heen
En 't licht vloot rond in eeuwge dans,
Daar drupten paarlen geuren en 't geween
Van een juwelen glans.

En aan ivoren taaflen zat ik aan,
En at van Hemels blanke brood,
En droeg mijn handen zwaar en vol belaân
Met vruchten rijp en rood.

Daar klonk en zong de oneindige eeuwigheid
Uit keel die niemand zag,
Wij vonden elk ons heerlijk deel bereid
Van een geheime lach.

Maar ik verloor mijn wijdse deel en schat
En stortte naar deze aard',
En hunker nu, naar wat ik ééns bezat
En, zwak, niet heb bewaard.

Doch één herinnering, één kleine droom
Vond naar mijn hart zijn pad,
Nu hoed ik staag met bevend-hete schroom
Die vónk, van wat ik brándend had.

Die gloeit in luidloos, wijd-verstilde nacht
Diep in mijn oog gelijk een ster,
Die leidt mijn dromen vleiend-traag en zacht
Naar rijken hoog en stralend ver.

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:20 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

In de kamer

Naast de jonge moeder is het kleine
Kindje en het slaapt nu in de reine
Sfeer van lichtlijk-amber moesselien,
Waardoorheen gij nauwelijks kunt zien;
Kindje ligt daar in een schoonheidsdal,
Kindje ligt daar in een wit Heelal
Van donzen dekentjes en kussens puur,
Kindje ligt daar in het morgen-uur
Zijn's levens, als een nieuw ontdekte bloem ;
Uit de jonge moeder kwam die roem
En zij zelve ligt in zaligheid
Tot de gouden stilte heengespreid,
En zij lacht maar, alles in haar lacht,
Want zij heeft een wonder voortgebracht,
Een jong mensje is in haar ontstaan,
Een jong kindje is uit haar gegaan,
En het ligt daar, heldertjes gemaakt
In een hemels bedje, wit gedaakt,
In zijn lede-kantje fijn gelust,
Het zes-dagig kindje ligt gerust,
En het houdt met beide handjes vast
Zijn jong leven dat het heeft getast,
En er komen van zijn lippen uit
Kleine krakelingen van geluid,
En het rekt zich, geeft een hoge schreeuw,
Wil dan boven uit de wolken sneeuw
Van zijn witte bedje naar het licht,
En het roept met rimpelend gezicht
Dat het honger heeft en Een na Een
Komen tere handen, brengen heen
Zeer behoedzaam, kindje's kleine vracht,
Naar het wereldje, waar moeder wacht,
En met ogen iets tot kindje zegt;
Kindje voelt zich worden aangelegd
Aan iets teders, zachts, iets als satijn,
En het bijt daarin en doet het pijn, —
Maar niet spreekt de moeder, en zeer stil
Buigt zij tot het kindje, want zij wil
Dat het kindje bij haar borst verblijv',
Dat het ete, neme' van haar lijf,
Voedsel voor de honger, die het heeft,
En de moeder voelt, hoe zich begeeft
Uit haar, drop na drop en over-vloeit
Tot het kind, dat aan haar lichaam groeit,
Tot het kindje, dat voor haar bereidt,
Pijnen en de hoogste zaligheid.

Liederen van huisvlijt (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:39 Reageer op dit bericht

dorsers

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Het lied van de dorsers.

Klik klak klok
Tik tak tok
Klinken de
Vlegels;
Kloppen de
Dansende
Schoof in de
Schuur;
Zingt er het
Hout en weer-
Klinken de
Tegels;
Dorsen de
Boeren er
Uren aan
Uur.

Buiten rond-
Om de be-
Stoppelde
Landen;
Trillert geen
Lied en weer-
Galmt geen ge-
Luid;
Dáár in de
Schuur, op de
Kaatsende
Wanden,
Zingen de
Vlegels: ‘de
Zomer is
Uit’.

Dáár in de
Duister de
Zware ge-
Stalten;
Schemert de
Dag door het
Vensteroog
Heen.

Daar in de
Donkerte
Stadiglijk
Valt er
Niet dan de
Klank van dit
Ritme al-
Leen:

Klik klak klok
Tik tak tok
Dalen de vlegels;
Zingt er het
Hout op de
Trillende
Steen:

Eerst op het
Land stond de
Tarwe te
Wuiven
Voor dat de
Sikkel er
Doorsneed met
Lust.
Maar toen de
Zomerzon
De aren deed
Buigen,
Uit was het
Ruisen en
Uit was de
Rust.

Werd ze ge-
Sneden; in
Schoven ge-
Bonden;
Stond ze ge-
Bonden in
Garven goud-
Geel;
Werd ze ge-
Droogd op de
Zengende
Gronden;
Toen op de
Wagen ge-
Bracht naar de
Deel...

Klik klak klok
Tik tak tok
Klonk in de
Morgen,
Klik klak klok
Tik tak tok
Nóg in de
Noen,
Tot, met de
Avond, de
Vlegels ge-
Borgen
Worden her-
Vonden in
Ander sei-
Zoen.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:29 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

IN DE LENTE

Onze oude moeder heeft verheugd
Haar nieuwe mantel omgeslagen,
En is zo schoon als in de dagen,
De dagen van haar prilste jeugd.
De zoetste glimlach siert haar mond,
Haar ogen tuiten van nieuw leven,
En op haar voorhoofd, zacht en rond,
Zijn al de rimpels uitgewreven.
Ja, zegt zij, onder 't mild gezang
Der vogelen in de groene blaren,
Mijn winterkommer en bezwaren,
Mijn kinderen, vergat ik lang.
Doe gij als ik, vergeet uw smart
Staak voor een ogenblik uw zorgen
En laat, bij 't licht van deze morgen,
U drukken aan mijn vrolijk hart.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:09 Reageer op dit bericht

kerkhof

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Op 't kerkhof

In 't lover van der dode rustplaats,
bij 't zerkje van het arme wicht,
heeft zich een eenzaam vogelijn
het donzig liefdenest gesticht.

De zoele lentewinden,
ze koestren, onder feestgezuis,
de zanger in zijn groene woon,
het kindje, sluimrend onder 't kruis.

Zo brengt ze, de milde natuur,
vreugde nevens bittere nood ;
het schaterend nest bij 't zwijgend graf,
opbloeiend leven naast de dood.

Gedichten (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:45 Reageer op dit bericht

deze tijd

Een hartenkreet van Janjacobkrediet

COMMUNICATIE

Als je allemaal
hangt, ligt, loopt, zit
te...
bellen
chatten
emailen
faxen
internetten
skypen
sms'en
twitteren...
elkaar proberen te bereiken
bereik je
het bereikbare:
ONBEREIKBAARHEID!

--------------------------------------------------------
Deze hartenkreet draag ik op aan allen, die zo af en toe
nog traditioneel een kaartje en/of brief per post versturen
en aan alle postbezorgers.

Geschreven door Dora om 20:03 Reageer op dit bericht

lentekamer

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Lentekamer

Nu vullen tulpen, meidoorn en seringen
Met lentejeugd de zware kamerluchten.
Gordijnen zwellen, zoel van lentezuchten.
Ik hoor van verre een enkle merel zingen.

Op 't zondoorlaaide purper der gordijnen
Gloeit, triomfantelijke brand, de prachtig-
Goudgele vlammentuil der tulpen, krachtig
De hoek beheersend waar zij licht doen schijnen.

Uit rein kristal verrijzen, fier als pluimen,
Bleek duivegrijs en avondblauw, seringen.
Het sterk aroom van meidoorn wil verdringen
Hun geur subtiel, die wil het veld niet ruimen.

En romigblank, gevlekt met rode stipjes,
Bloeit, verentêer, aan knoestig-bruine twijgen,
Bedwelmend-zoet, de meidoorn, - zacht al zijgen
De bloemeblaadjes, geurge liefdelipjes.

Bezaaiend blank het donkerblauw-fluwelen
Zwaar tafelkleed met lichte lentevlokken,
Etherisch-fijne aromensneeuw. - Hoe lokken
Die fluitgeluiden, die 'k de merel hoor kwelen!

Weg wiekt de vogel. - Loom als bloemenzuchten,
Eentonig-dromig, vult nu hommelgonzen
De kamerstilte... O wáarom wil zó bonzen
Mijn hart en wil de kamer me uit doen vluchten?

Weg wiekt de bij. - En meidoorn en seringen
En gele tulpen geurende als violen,
Zij zingen alle als harpen en violen. -
O lied van lente! 'k wou dat 'k mee kon zingen!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

geest

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
AAN DE GEEST DER MUZIEK DER NIEUWE MENSHEID

Nu dan de nederlaag geleden is,
De Geest der Nieuwe Mensheid, die de hoge
Geest der Muziek is, zich ver heeft onttogen
Aan het Nu, vestig ik, dwars door de duisternis

Des daags, en door mijns eigen doods donkere duisternis,
Dwars door de tijd en ruimte heen, mijn ogen,
Die mij nog nimmer, neen, nimmer bedrogen,
Op hare verre, eenzame beeltenis.

'k Werp van mij af alle persoonlijkheid,
Licht en duister van tegenwoordigheid,
Laat zinken van mij de verleden tijd,

En zie in 't gulden licht dat om haar breidt,
Alleen de nu- en toekomst-werklijkheid,
Alleen haar stil gelaat, haar heerlijkheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:15 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten