lente

Een gedichtje van Herman de Gorter 1864-1927Een nieuwe lente en een nieuw geluidIk wil dat dit lied klinkt als het gefluitDat ik vaak hoorde voor een zomernacht,In een oud stadje, langs de watergracht
lente
Een gedichtje van Herman de Gorter 1864-1927
de dood
De dood, dat is, niet meer de zon zien, is
Niet meer de sterren zien, aan hoge nachten,
De dood, dat is het niet meer mogen wachten,
De ochtendschemering, de duisternis.
De dood, dat is, het niet meer mogen zijn,
De dood, dat is, het niet meer mogen denken,
De dood, dat is, niet meer bewust U schenken
Weg, te worden tot een ander zijn.
De dood, dat is, in stilten liggen, waar
Het ruisen leeft der levens-overgangen,
De dood, dat is, het henenzinken naar
De Chaos, die U eertijds hield omvangen.
De dood, hij is een scheidende, hij giet
Alle gestalten om tot nieuwe vormen,
Hij is de onaandoenlijke, hij ziet
Voorkeureloos de mensen en de wormen.
De dood, met vreemde lach, heeft leven lief,
De dood, hij komt het goede leven halen
En kust het weg; geruiseloze dief,
Sluipt hij de poorten langs en de portalen.
De dood, gij wildet zijn gelaat niet zien,
Maar nu gij hem gezien hebt, werd gij stille,
En legt U heen, en lacht tot hem misschien,
En zijt geworden, tot een zonder wille.
Een lafenis is hij, een goede daad,
Maar een, bij wiens nabij komen wij wenen,
Wanneer zijn hand iets wat ons lief is slaat,
En niet neemt ons, maar wel dit lieve henen.
O dood, neem mij tot U, fluister mij aan
De diepe zin uwer veranderingen,
En laat mij niet uw stilte binnengaan
Voor ik van uwe fluistering mocht zingen.
Van God en van de natuur (1921)

bij mezelf
Ik denk niet rechts en ook niet links
ik ben niet open, noch ben ik slinks
ik vlieg niet hoog, maar ook niet laag
ik ga niet snel, ik ben ook niet traag
Ik denk niet zwart, ik denk ook niet wit
ik ben niet koud, noch ben ik verhit
ik denk niet groot, niet klein
ik ben niet grof maar ook niet fijn
Ik ben niet arm, ik ben ook niet rijk
en op het vlakke land ben ik zeker geen dijk
ik ben geen ster en ook niet de maan
en de zon moet ik maar al te vaak ondergaan
Ik ben noch het water, noch het vuur, ik blijf
mezelf maar, ook al ziet men mij niet staan.

ooievaar
Oievaar, lepelaar!
Waar heb-je zo lang gezeten?
Dreef-je de grote Nijlstroom af?
Heb-je gewandeld om Faraos graf?
En ben-je mij niet vergeten?
Oievaar, lepelaar!
Wie of er je rokje knipte?
Zijn er je kousen nog altijd rood?
En waarom mis ik-je rechterpoot?
Of liet-je die in Egypte?
Oievaar, lepelaar!
Och, kon ik je spreken leren!
Olijkert, draag-je wat nieuws hier heen?
Berg-je dat met jouw ene been
Zo stillekes onder je veren?
Oievaar, lepelaar!
Zeg, heb-je wat voor mamaatje?
Breng jij een Zusje? Dan is het goed:
Maar liefst een Broertje van melk en bloed -
Dan heb ik een kameraadje !
De dichtwerken (1872)

dichterschap
Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954Vaak denk ik, moe van arbeid-in-gemis,
(Daar geen uit eigen kunnen dichter is)
Dat somtijds in een zeldzame enkeling
Door onvoorzienbare begunstiging
De geest wel plots de sterke vleugels rept
En in zijn feilloze opvlucht schoonheid schept, -
Zodat, visioen waar de ademtocht voor faalt!
God zichtbaar uit dat menslijk zingen straalt;
Maar dat hij meestal, slechts indien hij, stil,
(Kleine eigen-wil gëordend naar Gods wil)
Zijn dichten als ondelgbre schuld erkent,
En dan, van al wat hindert afgewend,
In strenge, blindelings aanvaarde plicht
Zijn leven opdraagt aan 't volmaakt gedicht, -
Eindlijk, als hij verzaakt heeft noch gemord,
Eén korte, diepe stonde dichter wordt.
Doch oók die worstling met het stugge woord,
(Waarachter 't hart de hoge zang al hoort)
Als 't licht ons, toch nog, flitsend binnendringt
En, daar 't uit God is dat het straalt en zingt,
Zíjn liefde ons zingende opheft tot een staat,
Die al ons leed in vreugd te boven gaat, -
Ze is, korte delging van de óndelgbre schuld,
Om dat geluk een gave die vervult.
Dan, neigt mijn peinzen naar die liedren heen,
(Want alle schoonheid is uit God alleen)
Waarin door de aarde omgrensde vreugde en pijn
Zó innig aan zich zelf ontzongen zijn,
Dat van de rhythmus die door de aether ruist,
Ook in hún stem een ijle erinnring suist, -
Hoe zou 'k, wat zij tot stem der ziel verwijdt,
Niet eren in ontroerde dankbaarheid?
Zo - wetend, door vervulling en gemis,
Dat geen uit eigen kunnen dichter is,
Maar 't al gegeven krijgt, zelfs als hij, stil,
Zijn eigen wil staag ordent naar Gods wil,
En moeizaam worstelt tot hij, in zijn woord,
De heldre toon van 't hoge zingen hoort, -
Dank ik eerbiedig voor mijn dichterlot,
Want alle schoonheid is, alleen, uit God.
Verzen 1940
maan
„Ik ben de maan, ik ben de maan,
het liefje van Pierrot,
ik zie hem aan het venster staan,
tot wenen klaar
met zijn gietaar:
Pierrot, Pierrot, mijn minnaar blo
lid van de Firma Smart & Co.....
ahi -- ahi — aho!
,,Pierrot, Pierrot, heb je verdriet?
Neem je gietaar en speel een lied;
ik sta te ver voor kus of zoen
en, kan het met een lied wel doen!
Ik ben gevoelig, zacht en week,
gegarandeerd het wasecht bleek.
Ik ben het hart voor 't lijdend hart,
de hemelspiegel van de smart,
ik ben 't asiel der hysterie,
bibliotheek der elegie,
ik ben de vrouw der verre min,
traditioneel als hartsvriendin;
ik speel al eeuwen hier mijn rol
mijn hart hangt hoog, lijkt boordevol,
want elke straal is lange brief
ad libitum voor elke lief:
Pierrot, Pierrot, heb je verdriet ?
Ik ben, ik ben wie jij niet ziet!
,,Pierrot, Pierrot, mijn bleke held,
Zeg, mis je liefde, mis je geld,
aanbid je daarom nu maar mij,
zeg vond je niemand dichterbij?
Heb je wel goed zes hoog gezien ?
Was nergens meer een Colombien,
was hier of daar in een Salon
geen dame, die je boeien kon?
Raakt dan die aarde op zijn end,
als geen mevrouw verveling kent?
Of zocht je heil'ge min en trouw, -
die vind je bij geen maagd of vrouw!
,,Pierrot, Pierrot, ben je bedrogen?
Ik zou het zeggen aan je ogen !
Brak zij je hart, of brak ze meer
en was het heus de eerste keer ?
Of werd dit al alleen verricht
ter ere van een nieuw gedicht?
Want zonder de verstoten min
heeft poezie toch weinig zin!
O, 'k hoor het aan de toon der luit,
jij bent verstoten door je bruid;
zij zwoer je heel een nageslacht
(daar had je zelf niet aan gedacht)
doch d'allereerste huwelijksnacht
heeft zij een ander toegedacht,
en waar zij weergekomen,
je hadt haar opgenomen.
„Mijn dichter, minnaar, mijn Pierrot,
ik ben de maan, ik ben de maan;
al gaan mijn stralen door de straat
ik leef hier toch in kuise staat.
Kom, trek je mooiste pakje aan
want aardse liefde is een waan!
Grijp nu je vriend, grijp je gietaar,
en zing je schoonste hymne nu
(geweigerd door een Kunstrevue.)
Denk niet aan honoraria!
Ik ben je Pia Anima!
Ik ben de heilige, bleek en rein,
die voor de dichter slechts wil zijn.
Pierrot, Pierrot, mijn dichter blo
de min is zus, de min is zo,
ahi — ahi — aho!”
---------------------------------------------------
ad libidum: naar believen
colombien, columbine:liefje van Pierrot
pia anima: vrome ziel
Parijsche Verzen (1923)



Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920Ik heb weer, tuk op de oude mijmeringen,
't bevallig kronkelende dal doorlopen,
waar eens mijn kinderlijke stappen gingen
in dartle levenslust en dwepend hopen;
bij d'ommezwaai der heimelijke paden,
weer eensklaps de onverwachte vergezichten
zien scheemren, die in blauwe dampen baden,
en eens, zó lokkend, voor mijn treden zwichtten.
Het goud des avonds vloeide van de delling,
waarboven 't geel azuur des hemels trilde;
geen droom meer, die me, stijgend langs de helling,
in rusteloze gang naar hoger tilde!
'k Ontwaarde, van de rug der heuvelketen,
weer 't oude kalm gehucht, welks lage daken
zo vreedzaam hurkten, grillig rondgesmeten,
en rood en ros van 't schuine zomerblaken.
Nog kon mijn blik langs wond're lijnen zweven...
Geen bloem van liefde is in mijn borst ontsproten.
Geen traan van weemoed deed mijn wimpers beven:
mijn ijskil harte en heeft niet meegenoten.
'k Zag, onverschillig, veld en bomen glijden:
geen frisheid! ook geen lust tot verder streven.
O wrangheid! half maar voelen, half maar lijden,
verdorde schakel van 't oneindig leven!
1892
groenteman
Een hartenkreet van J. QuekelJan Boeren verkoopt spruitjes
Het liefst aan vegetarische luitjes.
Helaas heeft Jan
Geen marketingplan,
Hij doet het op zijn janboerenfluitjes.
droomIk ontwaakte uit een droom,
Nu zing ik mijn liedeke weer.
Het klinkt zacht en schoon,
Het klinkt lief en teer,
Mijn lied dat ik nu zing.
Voor U mijn lief, mijn lieveling
Mijn droom, mijn lied, en gij!
Gij zijt mijn licht, mijn leven.
Toe, hoor alleen naar mij!
En laat ik U mijn liefde geven,
Neem wat ik U bied!
Toe neem maak mij blij,
Neem mijn droom, neem mijn lied,
Neem, neem alles van mij!
twijfel
Een gedicht van Iris Roorda voor mij een onbekende maar het gedichtKan het nog steeds niet achter me laten.
Ik word er elke keer aan herinnerd.
Twijfel. Wie kan ik vertrouwen?
Het gevoel dat ik er niet bij hoor.
Altijd apart zit, en niet mee doe.
Twijfel. Is er iets mis met mij?
Soms doen ze aardig.
Maar is dat geen schijn?
Twijfel. Is het wel echt?
Ik weet het niet.
liedje
Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930Ik hoor een stap daarbuiten
daar in de avondwind,
moet ik mijn deur ontsluiten
ben jij het, lief, mijn kind?
Ik hoor een stapje ritsen
en langs de blaren gaan
en puin en kiezel gritsen,
kom jij,mijn liefste, aan?
Ik hoor de deuren rillen
en kirren in het slot.
Zou jij naar binnen willen
en houdt het slot zich slot?
Ik hoor een stemme spreken
en lispend mij omdansen ...
----------------------------------
De lamp en 't kokend water
in schoorsteen wat wind, —
is wat met spotgeschater
mijn speurendst zinnen vindt.
Wat zang en melody (1910)
zeilen
Een gedicht van Jan Prins 1876-1948Ver over de zonnige heide
stond tot den golvende rand,
die 't lichte van 't donkere scheidde,
de dag, - stond de morgen in brand,
en dralend en drijvend tegen
het blauw, met elkander mee,
zag men zich de wolken bewegen,
als zeilen over de zee.
Wij lagen onder de hemel,
onder de machtige dom
van wisseling en gewemel,
van peilloze stilte rondom.
Wij lagen er, en wij zagen
naar einders heimlijke ree
het langzaam gaan onzer dagen, -
als zeilen over de zee.
Maar in uw liefde geborgen,
was ik als een weerloos kind
in de ontzaglijke morgen
van licht en van ruimte en van wind, -
en voor mij uit, - in de zachte,
in den onvatbare vree
van ons geluk, - mijn gedachten,
als zeilen over de zee.
Verschijningen III Liefdes Hof
avond
Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.
Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armlijk loof dat om de zerken groeit.
Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zo zeggend: ‘Ook de grootste liefde kan niet tegen
De dood die niets ontziet en alles slecht.’
Verzamelde gedichten (1947)


Een gedicht van Jan Prins 1876-1948Amangkoe Rat heeft meer dan dertig jaren
in 't oude rijk Mataram geregeerd,
en meer dan onder Soeltan Agent waren
in list en lust zijn Machtigen volleerd.
Meer nog dan in zijn vaders wrede tijden
lag zwart gebrek in 't leeggeroofde veld.
Dood en verwoesting, vuur en zwaard verspreidden
zijn trotse naam in daden van geweld.
Totdat hij zat van zinnen, in het slijten
van ledige uren zijn voldoening vond:
Amangkoe Rat, de Keizer, dreef zijn geiten
over de pleinen van de Kraton rond.
Toen, in zijn ouderdom, kwamen de dagen
van tegenspoed, de dagen van gevaar:
zijn Huis verdeeld, zijn oversten verslagen,
van angst en afschuw zijn gedachten zwaar.
't Verraad sloop rond. De Madoerese benden
drongen tot in zijn open hofstad door.
Amangkoe Rat, de Keizer der Ellende,
Werd als het wild, de jagers op zijn spoor.
Hij vluchtte, maar 't vermoeide leven kwijnde
in 't lijf, waarvoor hij zwervend toevlucht zocht.
Toen vroeg de vorst alleen, dat na zijn einde
een geurig veld zijn lijk ontvangen mocht.
Hij stierf en door zijn enkele getrouwen
werd aan de uitgesproken wens voldaan.
Nu brengen op zijn graf bedroefde vrouwen
haar wierook en haar wilde bloemen aan.
Kinderen spelen er, bejaarde wijzen
zoeken de boom, die van de heuvel helt
en schaduw schenkt, en vrome pelgrims reizen
eerbiedig naar het zoet geurende veld.
-------------------------------------------------------
Amangkoe: Javaanse titel van de sultans van Djokjakarta.
Tochten (L.J. C. Boucher, Den Haag.)
MoederdagMoederdag
Moederdag is een ingestelde dag
Toch is het een speciale dag
Je moeder is de vrouw waardoor
je het levenslicht zag
Zij keek met liefde naar je pasgeboren gezicht
Tegenwoordig wordt het gezicht al van tevoren belicht
Door een echo kun je je ongeboren kind aanschouwen
Ja, misschien heb ik wel weer wat te mauwen
Aan de ene kant is het bijzonder
Als je het ziet dat kleine wonder
Daar in de moederschoot
Maar anderzijds er blijft niets meer verborgen
Totdat het kind is geboren
Je weet inmiddels wat het wordt
Je kunt het ook zo laten
Maar vaak wint de nieuwsgierigheid
het van in de te wachten tijd
Maar dan eindelijk wordt de moeder verblijdt
En zij kijkt met tederheid
Naar haar boreling
Een moeder heeft ten aanzien van haar
kinderen een teder gevoelen
De meeste moeders weten wat ik hiermee kan bedoelen
Ze moeten niet aan je kroost komen
Want dan zal een moeder altijd voor ze opkomen
Hoewel er zijn ook gevallen
Die net buiten de pul vallen
Dat zijn dan zo uitzonderingen
Maar hoe zit het nu met de kinderen
Die vinden het zo gewoon dat de moeder
haar kinderen verzorgde en heeft opgevoed
Dat het ze soms weinig doet
Het is de gewoonste zaak van de wereld
Maar als je naar de uitzonderingen kijkt
Dan is het toch geweldig als je een moeder hebt
Die er niet alleen was voor toen
Maar ook nu en verder voor altijd
Misschien krijgen sommigen kinderen wel spijt
Dat ze hun moeder tekort hebben gedaan
Dan begin je bij deze Moederdag weer van vooraf aan
Het is nooit te laat om het weer goed te maken
Behalve als zij in het leven al hebben moeten afhaken
Zodat zij neergedaald zijn in het graf
Dan kun je er niets meer aan doen
Dan blijft het zoals toen
Toen de verhoudingen slecht waren
Kwaad zijn is menselijk
Maar kwaad blijven is duivels
Een vader en moeder moet men eren
Ook al kun je er niet mee door één deur
En was er misschien wel veel gezeur
Beter een keer laag afgedaald
Dan later te worden achterhaald
Door die vreselijke gedachten
Dat men het had goed moeten maken
Terwijl ze nog in leven waren
Ja, want eens zijn ze er niet meer
En dat gaat door keer op keer
Cadeautjes zijn overbodig
Maar de juiste relatie die is nodig
Die geeft vreugde in het leven
Want het leven is maar even!
En als dat met liefde is verweven
Dan kan een mens er elke dag weer tegen
Tegen alle omstandigheden van het leven!
Niet is mooier dan een ouder waar je op terug kan vallen!
Ook al zijn ze wel eens tegengevallen
En zo vieren we nu Moederdag tweeduizend elf
Ik had even praats maar niet voor elf!
klank
Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952De klank van mijn oude vleugel
wordt zwak en schril:
er is iets versleten
in hem, diep van binnen.
Er valt niets te herstellen,
er valt niets te beginnen:
tegen een doodlijk euvel
kan men niets beginnen.
De arme zwakke klanken
zullen ijler stijgen,
(waar bleef de sterke, volle
klank van hun jeugd?)
tot ten leste komt
het verlossende zwijgen,
voor het kreunen der smart en
de jubel der vreugd.
Tussen tijd en eeuwigheid (1934)
blauwBLAUW
Als 't zonnetje speelt door het knoppende hout,
Het koeltje zo zacht langs de wetering strijkt,
De merel haar nest in de meidoren bouwt,
En de aard wel een bruidskleed van bloemen gelijkt,
Begeven zich trouwe gelieven naar 't bos
En zoeken er maartse viooltjes in 't mos.
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!
Dan schikt hij de bloemjes met zorg bij elkaar
En vlecht ze te zaâm tot een geurigen krans;
Die windt hij zijn liefste om het golvende haar,
Als tooi voor de avond bij spel en bij dans.
Wat kleurt bij het blond die violenkrans goed!
Zij hecht hem een tuiltje van blauw aan de hoed.
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!
En neemt bij de linde het dansen een eind,
Dan schikt hij de krans van violen terecht
In 't maanlicht, dat zacht op de bloemekens schijnt,
En kust er zijn liefste, die fluisterend zegt:
"Mijn beste, bedenk toch, dat moeder mij wacht;
Een laatste goênachtkus, voor 't laatst nu goênacht!"
Wie het aanschouw'
Wete, dat blauw
Altoos in Holland de kleur was van trouw!
De Banier(1870)
vrouw

Een gedicht van Hendrik Marsman 1889-1940
De onrust en de lichtbewogen
ontvanklijkheid van hare trekken
zijn weggewist en overtogen
door maanlicht, dat in zachte plekken
gestort ligt over kruin en peluw —
en dekens die haar slaap bedekken
welven het maanlicht tot een landschap,
een keten die zijn tere bekkens
van zilverglans doet overstromen —
hoe lieflijk droomt het hoofd daarboven:
de mond, die vlinders niet zou wekken
is vaag geopend en de ogen
die overdag het leven vingen
liggen behoedzaam nu geloken
tussen de ijle zwarte veren
van wimpers en van wenkbrauwbogen.
Porta Nigra (1934)
sonnet

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942
En Mozes heeft de top des bergs betreden,
Hij ziet nu liggen het Beloofde Land
Met al zijn akkers, weiden, gaarden, steden,
Waarheen hem voerde 's Heeren milde hand.
De Leider denkt terug aan het verleden,
De veertig jaren, noden allerhand,
Door heel het volk van Israël geleden,
In een te fel gebied van zon en zand.
Doch Mozes sterft, het hoogste was bereikt,
Aldus zal het geschieden met ons allen,
Als over ons de dood zijn schaduw strijkt.
Want hier staan wij slechts op om weer te vallen,
Zijn pas gelukkig als het leven wijkt
En vinden elders hoger welgevallen.



Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947
In de lommerte der bomen,
uitgestrekt in 't hoge gras,
lag een herder bij zijn kudde
schapen, die aan 't grazen was.
D'hete zonne, die heur stralen
deur de dichte takken stak,
blekte grilge gouden rondkens
op zijn oud soldatenfrak.
Nevens hem zwaar asemhijgend
zat zijn zwerte schepershond,
met de oren recht omhoog en
neerstig kijkend om en rond.
De oude herder sloot zijn ogen,
sliep en snorkte lijk een paard
en het zweet in vette lekken
viel in d'haren van zijn baard.
Aan zijn kop van onder de aarde
kroop de snuit uit van een mol,
en de hond die 't merkte sprong er
op met een verwoed gegrol.
In zijn witte tanden hield hij
't beestje, schudde 't ovrentweer,
en langs 't glanzend pelske drupte
't bloed in dunne streepkens neer.
Lier 1906
-------------------------------------------
lommerte: schaduw
blekte, blekken: blinken, duidelijk zichtbaar zijn
neerstig: naarstig
ovrentweer: heen en weer
1 reactie op dit bericht
Lieve groetjes Nikki
Nikki