grafschrift

Grafschriften voor Thorbecke
CII.
Nageslacht, ik waarschuw je! Alles saamgenomen,
Hoort er 'n brutale courage toe, na mij ter wereld te komen.

grafschrift
CII.
Nageslacht, ik waarschuw je! Alles saamgenomen,
Hoort er 'n brutale courage toe, na mij ter wereld te komen.

strand
mijmering
Mijn leven is een molen,
En ik ben 't molenpaard.
Mijn wapen is het scheermes,
Mijn glorie is de baard.
't Is iedre dag het zelfde:
Vroeg op is 't oud parool;
Ik bak vaak zoete broodjes
En ik verkoop veel kool.
Ik kal met oude heren
En scherts met jonge lui;
Ik critiseer de preken
En sla ook menig ui.
Ik jaag op alle nieuwtjes
En vent ze willig rond;
'k Ben rekbaar van conscientie
En dapper met de mond.
'k Streel honderden van kinnen,
Mijn mes is als een zij;
'k Zie honderden karakters
Zich openen voor mij.
Ik schik me naar de opinies
En neem er 't mijne van,
'k Ben ultra of gematigd:
Ik ken zeer gauw mijn man.
Ik weet van alle zaken
Zo wat het hoofdrefrein;
't Gemengde nieuws der kranten
Verwerk ik in mijn brein.
Ik spreek van Japanezen,
Van Holland op zijn smalst;
De paus en Garribaldi
Vind ik om beurte 't malst;
'k Roem ieder Ministerie,
Als 't op het kussen zit.
'k Herkauw het oude zuurdeeg,
En ben een Jan de Wit.
Ik gruw van oude zondaars,
Maar werk hen in de hand;
'k Ben zalvend en lankmoedig,
En toch een stokebrand.
'k Rijt oude wondjes open
En leg er pleisters op;
Hier voel ik jicht en jammer,
Daar dans ik mijn galop.
Ik houd wel veel van schuimpjes
En 'k viesneus van het schuim;
'k Zou graag het land regeren,
Maar 'k draai naar iedre luim.
't Vernuft heeft scherping nodig,
Nog meer soms dan mijn mes;
Ik hoor naar vele namen,
Maar 't meeste naar Jan Kles.
Ach, zepen om de centen,
Daar zit de hele kneep:
Laat ik de klantjes zitten,
Dan ga 'k voor goed om zeep.
De dichtwerken (1886)

herinneringen
Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland
gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
aan de einder staan;
en in de
geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte
torens,
kerken en olmen
in een groots verband
de lucht hangt er laag
en de zon
wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met
zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.
H .
Marsman
--------------------------------------------------------------------
zwaard-lelies
Een gedicht Jacobus van Looy 1855-1930
In de oude, bekende vertrekken
Zij pronken en stralen en strekken
Hun vuur-prachtig rood;
Zij staan voor de ramen te gloeden
Als van kardinalen de hoeden,
Van machtigen, groot;
En staan in de hoeken te vlammen
Als pluimen in hellem-kammen
En vanen in oorlogs-nood;
En schaatren diep en schreeuwen
De kreet stil die ging door de eeuwen
Om Vrijheid en brood;
En sieren door hunne verschijning
Heel 't huis met die donkere schrijning
Van de wieg tot de dood .
Gedichten (1932)
Illustratie: Zwaardlelies of gladiolen

Oranje
Vlecht Oranje om de hoed!
Holland rijst met nieuwe moed
Uit de schoot der waat'ren!
Huppel vrolijk in het rond!
Daver Hollands vruchtbre grond!
Laat de vreugde schaat'ren!
Holland grijpt de wapens aan,
Om de vijand af te slaan;
Plant de leger vanen,
En het uitgetogen zwaard
Zal de fiere Leeuwstandaard
't Spoor der zege banen.
Holland blinkt in 't krijgsgeweer;
Holland vlamt op krijgsmans eer;
't Zal zijn haard bevrijden.
En de God, die wond'ren doet,
Zegent aller brave moed:
Hij zal met ons strijden.

zonnebloem
Ik ken een plant, niet fraai van loof
niet schoon, niet rank gesteeld.
Haar vorm is lomp, haar bloem is grof,
Geen dichter zingt er ooit zijn lof
of nam haar tot zijn beeld.
Toch heeft zij iets wat mij behaagt.
Zij keert zich naar het licht,
van af het eerste morgen-uur
wendt zij naar 't vrolijk zonnevuur
haar groot en geel gezicht.
Ik wilde dat ik als die bloem
naar 't licht mij wenden kon.
Zij draagt de kleur der vrolijkheid
en richt haar kelk ten allen tijd
naar 't helder licht der zon.
Jeugd-verzen (1926)

smalle ring
De smalle ring, de gouden band
Schendt niet de naaktheid van uw hand,
Gelijk uw stralend lijf niet weet
De schaduw van zijn donkre kleed:
Uw stralend lichaam lijdt noch weet
De schaduw van zijn donker kleed,
Zoals geen lijf of stof bezwaart
De ziel die door uw ogen klaart:
Geen aardse lijf, geen stof bezwaart
De ziel die door uw ogen klaart,
Als smalle ring, als gouden band
Niet schendt de naaktheid van uw hand.
Vergeten liedjes (1909)

lente
de dood
De dood, dat is, niet meer de zon zien, is
Niet meer de sterren zien, aan hoge nachten,
De dood, dat is het niet meer mogen wachten,
De ochtendschemering, de duisternis.
De dood, dat is, het niet meer mogen zijn,
De dood, dat is, het niet meer mogen denken,
De dood, dat is, niet meer bewust U schenken
Weg, te worden tot een ander zijn.
De dood, dat is, in stilten liggen, waar
Het ruisen leeft der levens-overgangen,
De dood, dat is, het henenzinken naar
De Chaos, die U eertijds hield omvangen.
De dood, hij is een scheidende, hij giet
Alle gestalten om tot nieuwe vormen,
Hij is de onaandoenlijke, hij ziet
Voorkeureloos de mensen en de wormen.
De dood, met vreemde lach, heeft leven lief,
De dood, hij komt het goede leven halen
En kust het weg; geruiseloze dief,
Sluipt hij de poorten langs en de portalen.
De dood, gij wildet zijn gelaat niet zien,
Maar nu gij hem gezien hebt, werd gij stille,
En legt U heen, en lacht tot hem misschien,
En zijt geworden, tot een zonder wille.
Een lafenis is hij, een goede daad,
Maar een, bij wiens nabij komen wij wenen,
Wanneer zijn hand iets wat ons lief is slaat,
En niet neemt ons, maar wel dit lieve henen.
O dood, neem mij tot U, fluister mij aan
De diepe zin uwer veranderingen,
En laat mij niet uw stilte binnengaan
Voor ik van uwe fluistering mocht zingen.
Van God en van de natuur (1921)

bij mezelf
Ik denk niet rechts en ook niet links
ik ben niet open, noch ben ik slinks
ik vlieg niet hoog, maar ook niet laag
ik ga niet snel, ik ben ook niet traag
Ik denk niet zwart, ik denk ook niet wit
ik ben niet koud, noch ben ik verhit
ik denk niet groot, niet klein
ik ben niet grof maar ook niet fijn
Ik ben niet arm, ik ben ook niet rijk
en op het vlakke land ben ik zeker geen dijk
ik ben geen ster en ook niet de maan
en de zon moet ik maar al te vaak ondergaan
Ik ben noch het water, noch het vuur, ik blijf
mezelf maar, ook al ziet men mij niet staan.

ooievaar
Oievaar, lepelaar!
Waar heb-je zo lang gezeten?
Dreef-je de grote Nijlstroom af?
Heb-je gewandeld om Faraos graf?
En ben-je mij niet vergeten?
Oievaar, lepelaar!
Wie of er je rokje knipte?
Zijn er je kousen nog altijd rood?
En waarom mis ik-je rechterpoot?
Of liet-je die in Egypte?
Oievaar, lepelaar!
Och, kon ik je spreken leren!
Olijkert, draag-je wat nieuws hier heen?
Berg-je dat met jouw ene been
Zo stillekes onder je veren?
Oievaar, lepelaar!
Zeg, heb-je wat voor mamaatje?
Breng jij een Zusje? Dan is het goed:
Maar liefst een Broertje van melk en bloed -
Dan heb ik een kameraadje !
De dichtwerken (1872)

dichterschap
Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954Vaak denk ik, moe van arbeid-in-gemis,
(Daar geen uit eigen kunnen dichter is)
Dat somtijds in een zeldzame enkeling
Door onvoorzienbare begunstiging
De geest wel plots de sterke vleugels rept
En in zijn feilloze opvlucht schoonheid schept, -
Zodat, visioen waar de ademtocht voor faalt!
God zichtbaar uit dat menslijk zingen straalt;
Maar dat hij meestal, slechts indien hij, stil,
(Kleine eigen-wil gëordend naar Gods wil)
Zijn dichten als ondelgbre schuld erkent,
En dan, van al wat hindert afgewend,
In strenge, blindelings aanvaarde plicht
Zijn leven opdraagt aan 't volmaakt gedicht, -
Eindlijk, als hij verzaakt heeft noch gemord,
Eén korte, diepe stonde dichter wordt.
Doch oók die worstling met het stugge woord,
(Waarachter 't hart de hoge zang al hoort)
Als 't licht ons, toch nog, flitsend binnendringt
En, daar 't uit God is dat het straalt en zingt,
Zíjn liefde ons zingende opheft tot een staat,
Die al ons leed in vreugd te boven gaat, -
Ze is, korte delging van de óndelgbre schuld,
Om dat geluk een gave die vervult.
Dan, neigt mijn peinzen naar die liedren heen,
(Want alle schoonheid is uit God alleen)
Waarin door de aarde omgrensde vreugde en pijn
Zó innig aan zich zelf ontzongen zijn,
Dat van de rhythmus die door de aether ruist,
Ook in hún stem een ijle erinnring suist, -
Hoe zou 'k, wat zij tot stem der ziel verwijdt,
Niet eren in ontroerde dankbaarheid?
Zo - wetend, door vervulling en gemis,
Dat geen uit eigen kunnen dichter is,
Maar 't al gegeven krijgt, zelfs als hij, stil,
Zijn eigen wil staag ordent naar Gods wil,
En moeizaam worstelt tot hij, in zijn woord,
De heldre toon van 't hoge zingen hoort, -
Dank ik eerbiedig voor mijn dichterlot,
Want alle schoonheid is, alleen, uit God.
Verzen 1940
maan
„Ik ben de maan, ik ben de maan,
het liefje van Pierrot,
ik zie hem aan het venster staan,
tot wenen klaar
met zijn gietaar:
Pierrot, Pierrot, mijn minnaar blo
lid van de Firma Smart & Co.....
ahi -- ahi — aho!
,,Pierrot, Pierrot, heb je verdriet?
Neem je gietaar en speel een lied;
ik sta te ver voor kus of zoen
en, kan het met een lied wel doen!
Ik ben gevoelig, zacht en week,
gegarandeerd het wasecht bleek.
Ik ben het hart voor 't lijdend hart,
de hemelspiegel van de smart,
ik ben 't asiel der hysterie,
bibliotheek der elegie,
ik ben de vrouw der verre min,
traditioneel als hartsvriendin;
ik speel al eeuwen hier mijn rol
mijn hart hangt hoog, lijkt boordevol,
want elke straal is lange brief
ad libitum voor elke lief:
Pierrot, Pierrot, heb je verdriet ?
Ik ben, ik ben wie jij niet ziet!
,,Pierrot, Pierrot, mijn bleke held,
Zeg, mis je liefde, mis je geld,
aanbid je daarom nu maar mij,
zeg vond je niemand dichterbij?
Heb je wel goed zes hoog gezien ?
Was nergens meer een Colombien,
was hier of daar in een Salon
geen dame, die je boeien kon?
Raakt dan die aarde op zijn end,
als geen mevrouw verveling kent?
Of zocht je heil'ge min en trouw, -
die vind je bij geen maagd of vrouw!
,,Pierrot, Pierrot, ben je bedrogen?
Ik zou het zeggen aan je ogen !
Brak zij je hart, of brak ze meer
en was het heus de eerste keer ?
Of werd dit al alleen verricht
ter ere van een nieuw gedicht?
Want zonder de verstoten min
heeft poezie toch weinig zin!
O, 'k hoor het aan de toon der luit,
jij bent verstoten door je bruid;
zij zwoer je heel een nageslacht
(daar had je zelf niet aan gedacht)
doch d'allereerste huwelijksnacht
heeft zij een ander toegedacht,
en waar zij weergekomen,
je hadt haar opgenomen.
„Mijn dichter, minnaar, mijn Pierrot,
ik ben de maan, ik ben de maan;
al gaan mijn stralen door de straat
ik leef hier toch in kuise staat.
Kom, trek je mooiste pakje aan
want aardse liefde is een waan!
Grijp nu je vriend, grijp je gietaar,
en zing je schoonste hymne nu
(geweigerd door een Kunstrevue.)
Denk niet aan honoraria!
Ik ben je Pia Anima!
Ik ben de heilige, bleek en rein,
die voor de dichter slechts wil zijn.
Pierrot, Pierrot, mijn dichter blo
de min is zus, de min is zo,
ahi — ahi — aho!”
---------------------------------------------------
ad libidum: naar believen
colombien, columbine:liefje van Pierrot
pia anima: vrome ziel
Parijsche Verzen (1923)



Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920Ik heb weer, tuk op de oude mijmeringen,
't bevallig kronkelende dal doorlopen,
waar eens mijn kinderlijke stappen gingen
in dartle levenslust en dwepend hopen;
bij d'ommezwaai der heimelijke paden,
weer eensklaps de onverwachte vergezichten
zien scheemren, die in blauwe dampen baden,
en eens, zó lokkend, voor mijn treden zwichtten.
Het goud des avonds vloeide van de delling,
waarboven 't geel azuur des hemels trilde;
geen droom meer, die me, stijgend langs de helling,
in rusteloze gang naar hoger tilde!
'k Ontwaarde, van de rug der heuvelketen,
weer 't oude kalm gehucht, welks lage daken
zo vreedzaam hurkten, grillig rondgesmeten,
en rood en ros van 't schuine zomerblaken.
Nog kon mijn blik langs wond're lijnen zweven...
Geen bloem van liefde is in mijn borst ontsproten.
Geen traan van weemoed deed mijn wimpers beven:
mijn ijskil harte en heeft niet meegenoten.
'k Zag, onverschillig, veld en bomen glijden:
geen frisheid! ook geen lust tot verder streven.
O wrangheid! half maar voelen, half maar lijden,
verdorde schakel van 't oneindig leven!
1892
groenteman
Een hartenkreet van J. QuekelJan Boeren verkoopt spruitjes
Het liefst aan vegetarische luitjes.
Helaas heeft Jan
Geen marketingplan,
Hij doet het op zijn janboerenfluitjes.
droomIk ontwaakte uit een droom,
Nu zing ik mijn liedeke weer.
Het klinkt zacht en schoon,
Het klinkt lief en teer,
Mijn lied dat ik nu zing.
Voor U mijn lief, mijn lieveling
Mijn droom, mijn lied, en gij!
Gij zijt mijn licht, mijn leven.
Toe, hoor alleen naar mij!
En laat ik U mijn liefde geven,
Neem wat ik U bied!
Toe neem maak mij blij,
Neem mijn droom, neem mijn lied,
Neem, neem alles van mij!
twijfel
Een gedicht van Iris Roorda voor mij een onbekende maar het gedichtKan het nog steeds niet achter me laten.
Ik word er elke keer aan herinnerd.
Twijfel. Wie kan ik vertrouwen?
Het gevoel dat ik er niet bij hoor.
Altijd apart zit, en niet mee doe.
Twijfel. Is er iets mis met mij?
Soms doen ze aardig.
Maar is dat geen schijn?
Twijfel. Is het wel echt?
Ik weet het niet.
liedje
Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930Ik hoor een stap daarbuiten
daar in de avondwind,
moet ik mijn deur ontsluiten
ben jij het, lief, mijn kind?
Ik hoor een stapje ritsen
en langs de blaren gaan
en puin en kiezel gritsen,
kom jij,mijn liefste, aan?
Ik hoor de deuren rillen
en kirren in het slot.
Zou jij naar binnen willen
en houdt het slot zich slot?
Ik hoor een stemme spreken
en lispend mij omdansen ...
----------------------------------
De lamp en 't kokend water
in schoorsteen wat wind, —
is wat met spotgeschater
mijn speurendst zinnen vindt.
Wat zang en melody (1910)
zeilen
Een gedicht van Jan Prins 1876-1948Ver over de zonnige heide
stond tot den golvende rand,
die 't lichte van 't donkere scheidde,
de dag, - stond de morgen in brand,
en dralend en drijvend tegen
het blauw, met elkander mee,
zag men zich de wolken bewegen,
als zeilen over de zee.
Wij lagen onder de hemel,
onder de machtige dom
van wisseling en gewemel,
van peilloze stilte rondom.
Wij lagen er, en wij zagen
naar einders heimlijke ree
het langzaam gaan onzer dagen, -
als zeilen over de zee.
Maar in uw liefde geborgen,
was ik als een weerloos kind
in de ontzaglijke morgen
van licht en van ruimte en van wind, -
en voor mij uit, - in de zachte,
in den onvatbare vree
van ons geluk, - mijn gedachten,
als zeilen over de zee.
Verschijningen III Liefdes Hof