duif

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
Zoals de duif
Zoals de duif
Zweeft door het licht,
Zo zweef ik door het licht
Der liefde.

duif
Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
Zoals de duif
Zweeft door het licht,
Zo zweef ik door het licht
Der liefde.

afscheid
Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922
Eén ogenblik van het voorbije leven
Als voor 't bewogen spiegelvlak te staan
Van rimplend water, dat met stadig beven,
Het beeld, eer het tot stand komt, doet vergaan.
De vorm te zien, die in het water drijft,
Onzuiver zo van kleuren als contouren,
Die, vluchtig bij het allerlichtst beroeren,
Geen wezen heeft, dat in zichzelf beklijft...
En heen te gaan - en niets dat achter blijft
Dan dingen, die wij meenden te bezitten,
En niet ons eigen waren, die als klitten
Nog hechten in de plooien van ons kleed,
Maar die wij van ons doen, zoals we leed
En bitterheid en zorgen van ons deden,
Als niet van ons, als dingen van 't verleden...
Een oogwenk voor het vlottend watervlak te staan
En naar 't verwarde spiegelbeeld te staren,
Dat nog de trekken draagt, die de onze waren,
En stil en eenzaam heen te gaan.

geboortedag
Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875
23 april 1564.
1
Geen poëzie als die van 't moederharte,
Wanneer ze bij de wieg haars eerstlings zit,
Niet zalig door vergetelheid van smarte,
Gelukkig wijl zij mijmrend dankt en bidt!
Hoe was ze uw deel voor lange reeks van jaren,
Aan Avon's boord, gij bleke jonge vrouw!
Die 't venster uit het landschap in mocht staren,
Die droomde wat uw Billy worden zou!
Het eerste groen zag wit van bloesemregen,
Een blij gegons zwierde om door geur'ge lucht :
Och! lache 't lot als 't jaargetij hem tegen!
Die zoete wens werd hoorbaar in uw zucht.
Wat vreesde gij dat hij uw wichtje wekte?
Wat gluurde gij om 't kleed een lange poos?
Zie, 't armpje rust, dat straks zich kozend strekte,
Zie, 't mondje zwijgt, aanvallig als een roos!

wolk
Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933
Liever dan mens te zijn, werd ik een wolk,
Te drijven tussen woeste vlammenzeeën;
Zij groeien aan het ochtendfirmament.
Liever dan wolk te zijn, werd ik een boom,
Hij staat hoog op in het heet licht te kijken,
Iedere gedachte is een blad.
Liever dan boom te zijn, werd ik een zee,
De zee wordt door oud gouden licht begoten,
Duizenden gestalten neemt zij aan.
Liever dan zee te zijn, werd ik een God,
God maakt zonnen, manen en de sterren,
Met zijn hand raakt hij den einder aan.
Liever dan God te zijn, werd ik een mens,
Ik zou de mensheid maken tot een God
Van alle goden, zonnen en planeten.
Nieuwe liederen der gemeenschap (1920)

sterren
Een gedicht van Albert Verwey1856-1936
De deizende sterren, zij tink'len
Hun vesper mij na, waar ik rijs,
Tot die tonen mijn voeten besprink'len
Op de trappen van 't zonnepaleis.
Verzamelde Gedichten (1891)

acaciabosje
Eengedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922
Klein, fris plekje
Groen gras in bronzen heide,
Teergroen bosje
Van lichte acacia's,
Omringd door donker dennenhout,
Hoe slaat mijn hart zo blijde!
Hoe slaat mijn hart zo lustigjes,
Zo jolig en zo dwaas!
Bén ik een kind?
Mijn jeugd moest lang voorbij zijn,
Mat ik mijn ouderdom
Naar mijner jaren tal.
Bij grijzend haar,
Hoe kan het hart zo blij zijn
Met zulk een kleinigheid,
Een niets, een niemendal?
Lief, klein bosje
Van jong acacialover,
Lief, blij weitje,
Omringd door sombre hei!
Hoe wordt mijn hart zo stil, zo blij,
Zoo dwaas-gelukkig over
Een bosje groene acacia's,
Een kleine, groene wei!
Nieuwe Verzen

drank
Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660
De wijn is voor de mens en voor de rapste geesten,
Maar water uit de beek ten dienste van de beesten,
Al wat de wijngaard geeft dat is een schone vrucht,
Om al wat droefheid smaakt te drijven op de vlucht.
Wijn dient van goede reuk en goede smaak te wezen,
Dan nog een klare glans die wordt er in geprezen,
Ook dient hij niet verschraald, maar vers getapt te zijn,
En vocht aldus gesteld dat noem ik goede wijn.
Maar wijn van rode verw dient niet te veel geschonken,
Want 't maakt de buiken hard in overmaat gedronken.
Ik moet in dit geval de vrienden doen gedinken,
Van al te nieuwe most niet al te veel te drinken,
Want dat en doet de blaas noch ook de mage goed,
Dus gaat niet tot de most met al te rasse spoed
't Is beter dat de wijn haar klaarheid mag bekomen,
Eer dat ze wat te veel dient in te zijn genomen,
Men heeft van oude tijd die luiden wijs geschat,
Die dronken klare wijn en uit het oudste vat.

wagen
Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Daar kwam er een wagen
vol nachten en dagen,
vol maanden en uren en stonden gereen,
fel trokken en weerden
hen' de edele peerden,
die zesmaal vier hoefijzers kletteren deen.
Al rijdend, al rotsend,
al bokkend
en botsend,
al piepend en krakend, zo vloog hij door stee;
en, als hij was henen
en verre verdwenen,
toen waren de dagen en maanden ook mee.
Het spreken en 't peinzen,
het gaan en het reizen,
en al wat wij deden, 't zij droef, het zij blij;
't mocht tijlijk
of laat zijn,
of goed zijn of kwaad zijn,
't was al op de wagen, 't was alles voorbij.
Toch nimmer vergaat het
en altijd bestaat het,
wat God door zijn heilige gratie ons geeft,
het deugdzame leven
dat is ons gebleven,
al 't ander, hoe zoet en hoe schoon, het begeeft.
Nooit zal ons de wagen
der tijden ontdragen
't sieraad en de rijkdom der edele ziel;
de deugd zal geduren,
schoon rotsen en muren
en torens en al wat maar vallen kan - viel.

schaduw
Een gedicht van Alica Nahon 1896-1933
Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.
Ik heb de zon te lief gehad
en beu van beedlen
aan de deuren van de dagen
ben ik geworden als een varenblad
dat liever in de lommer leeft
dan zon te dragen.
En daarom bouwt mijn kommer aan een huis
waar lamp- en zonnelicht
getemperd zijn voor de ogen
en waar de soobre lijn van een gelaat
en waar de vrede van een vriendschap staat
lijk schaduw van een boom
over mijn hoofd
gebogen.
Alice stierf in armoede aan TBC 37 jaar. Op haar graf staat: God ziet mij geerne.

knaap
Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861
Toen ik een knaap was in ’t zorgloze leven,
Gordde ik mij-zelve en liep naar mijn lust;
Vrij in mijn wandlen en zoeken en streven,
Vrij in mijn reizen, mijn dromen, mijn rust.
Straks ook voor mij is een ure gekomen,
Ure van roeping, van ernst, van genâ,
Dat in mijn boezem die stem werd vernomen
Hebt gij mij lief? – en mijn ziele sprak : Ja.
Sinds mij dat uur uit mijn dromen kwam wekken,
Leidt mij een ander, ook waar ik niet wil,
Leert mij de handen steeds williger strekken,
Volgen en dragen, ach, vrolijk of stil.
Toch, nu die Meerdre gebiedt in mijn leven,
Vinde ik, trots banden en zielstrijd en smart,
Wat ik eens vruchteloos zocht in mijn streven:
Vrijheid en vrede voor ’t rusteloos hart.
1854

liedje
Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933
Was niet je mond dan kussen mild
En bloeide niet je lijf in pracht,
Wanneer wij minden in de stilt’
Van de besternde nacht?
Jouw hart lag aan mijn hart, jouw oog
Staarde in mijn oog zo lang en diep,
Tot je gelaat glimlachend boog
En zwijgend in m’n armen sliep.
Dan zong mijn bloed zo sterk en blij,
Mijn arm omving je glanzend lijf;
Zo voegden wij ons leven beî
Tot één bedrijf.
Wij ‘schermden roerloos in de nacht,
Elkander: één geklonken beeld
Van schoonheid en bezonken kracht,
En soobr’re weeld’.
De hoge nacht schreed zwijgend voort,
Het licht verglom van ster en maan,
Totdat ons oog aan oosterpoort
De dag was opgegaan.
Nagelaten verzen (1918)

menselijk leven
Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824
Het Menselijk Leven
‘Helaas! helaas! hoe vlieden onze dagen,
Hoe spoedt zich ieder uur met onze luister heen!
Hoe flauwe vreugd, hoe bittre plagen,
Hoe min vermaak, hoe veel geween!
O dierbaar perk van drie tot zeven jaren,
Als ieder voorwerp 't oog bekoort, het harte streelt:
Och, of ze zonder einde waren,
Als alles lacht, als alles speelt!
Beminlijk kind, speel, nuttig u deez' dagen,
Want 's werelds grootheid schaft aan ons 't genoegen niet,
Dat u door uwe houten wagen
En door uw kaartenhuis geschied.
Haast zal men u door strenge meesters leren,
Wat taal Demosthenes verkondde in Pallas stad
En Cicero voor 's werelds heren,
Toen Rome nog de kroon op had.
O moeilijk werk, benauwde en pijnlijke uren
Ze is maar een schets, deez' roe, waarmee men u kastijdt,
Der slagen, die ge eens zult verduren
Van 't stuurse lot in later' tijd......
In zulk een strijd ziet gij de dagen klimmen,
Gelijk het fris gebloemt zich opheft in een' tuin,
En wordt een man. Maar, ach! wat schimmen
Omsingelen op nieuws uw kruin!
Nu vlucht de slaap reeds in de vroege morgen,
Ja, somtijds heeft de nacht geheel voor u geen rust.
Vermoeden, vrees, wantrouwen, zorgen
Verdoven kennis, ijver, lust.
Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen,
Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom,
En hoe de staat der stervelingen
Gelijk is aan een vlugge droom.
Terwijl de vreugde u bloemen schijnt te geven,
Ach, zieldoorgrievend nieuws! ontrukt u 't lot een' vrind,
Een vrouw, beminder dan het leven,
Of 't waardste pand, het liefste kind.
Vlucht dan, reis vrij naar afgelegen staten;
Zeil door de middellijn naar 't verre Zuiderland;
Hun denkbeeld zal u nooit verlaten,
Het staat, het wacht u reeds op strand.
De droefheid is gelijk aan wrede dieren,
Verwoeder dan een leeuw, in netten stijf verward,
Doorknagende, als een worm, de nieren,
Verscheurende als een gier het hart.....
Somwijlen rukt, voor 't eind van uwe dagen,
Fortuin uw staat ter neer, gelijk men in het woud
Een hoge eik, omverr' geslagen,
Na 't woeden van de wind aanschouwt.
Dan wordt een dwaas op uwe stoel verheven,
't Geweld verwoest uw erf; de laster verft uw kleed;
Geen vriend durft zich naar 't huis begeven,
Daar 't bleek gebrek de vloer betreedt.
Wat is de mens, hoe machtig, hoe vermetel?
Genaakt het uur, al staat een heir rondom het hof,
De Koning valt van zijne zetel
En wordt een handvol as en stof....’

bergmeer
Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907
Wie op de spiegel drijft weet niet, wat hij moet denken
Of onder boven is, nu boven onder schijnt,
Want heel de gladde wand, die in het meer verdwijnt,
Staat met zijn dennenlast in ’t zonnelicht te wenken.
En waar de wateren de groene kegels drenken,
Volgt ’t oog, diep in het nat, de duidelijke lijn
Van uitgestoken tak in water-zonneschijn,
Wiens onbewogen rust geen stormen kunnen krenken.
Geen kabling komt er in. De stralen, die zich deelden,
Weerkaatsen ’t bodembos tot in de volle dag.
Men ziet hoe rond de stam de groene mossen geelden.
Tot kussen van fluweel, alsof een lijkkleed lag
Op de verdronken boom. Zo zijn er spiegelbeelden,
Die boven schijnen, door wat men diep onder zag.
Gedichten (1910)

aggy
Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
De morgen droomt in de lichte tuin:
Een lichtfestijn
Midde' in bloemgeschijn,
En in die droom lichtkindje klein,
Grootogig, op voetjes fijn.
Geurenneurende zachte jasmijn,
En vrolijke roosjes, mondjes half open,
En gouden regen,
Neergezegen
Om haar te vertellen die aan komt lopen,
Hoe mooi een morgen kan zijn.
En paarse seringen die 't groen doen lachen,
En in het gras zóvele gele
Boterbloempjes op gouden stelen,
- Heel de tuin door!
En vlinders daartussen,
En grappige mussen,
't Kopje op de grond of zij grond willen kussen.
Zij - in àl kijken en wondren er vóór.
Heel hoog òp nu haar hoofdje klein;
Beweeg der voetjes..... Een àlverblij'n
Waarheen die gaan langs het licht gelover;
Gans haar slank gestaltetje over
Tover
Van lenteschijn.
De Gids (1897)

knollenland
Een gedicht van J.J.A Gouverneuer 1809-1898
In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland
In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland
Daar zaten twee haasjes heel parmant
En de één die blies de fluite-fluite-fluit
En de ander sloeg de trommel
Toen kwam opeens een jager-jager-man
En die heeft er één geschoten
En dat heeft naar men wel denken denken kan
De ander zeer verdroten
De zingende kinderwereld voor school en huisgezin (1866)

liedeken
Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923
Ik minde u zo teder, ik minde u
Zo teder met heel mijn ziel,
Wanneer door deze armen omwingerd
Uw hoofd mij ten boezem viel...
Ik aêmde op uw lippen mijn leven,
Ik smolt in een kus aan uw mond;
Ik smachtte om een hemel te geven...
Ai, ’k gaf maar mijzelve in die stond!
Er flikkerde een vlamme in uw blikken,
Waar de flonkrendste starre voor taan’...
Ik minde u zo teder, ik minde u...
Hoe ziet ge zo koud nu mij aan?

dichter
Een gedicht van Jan Prins 1876-1948
Dichter, van uw zachte woorden
waar gij omgaat begeleid,
aan de nooit betreden boorden
zwervend uwer eenzaamheid,
uit de weelderige wegen
van het leven tot de rots
van uw vast geluk gestegen
langs de paden van uw trots,
als de morgenzon gerezen
boven damp en duisternis,
Dichter, uit de streek der vrezen
in het rijk, waar vrijheid is,
breng ons bij de forse pijnen,
waar uw grote weemoed ruist,
bij de bochtige ravijnen,
waar uw diep verlangen bruist,
breng ons in de wijde hemel,
die uw snelle licht doorschiet,
waar men 't wereldse gewemel
ver-omneveld overziet,
en geleid ons, waar bewogen
ons uw sterke wijsheid noodt,
onverschrokken, voor de hoge
stille velden van de dood.
De Beweging (1909)

beeld
Een gedicht van van Edgar du Perron 1899-1940
‘Uw hart, mijn lief, en voelt het geen bewegen?’
zo vroeg eens Hooft, men weet, die vroegre Hooft,
die aan de min deed, aan de min-god heeft geloofd,
een dichter met een baard, wiens taal was ingeregen.
De vreemde vraag! en vreemd moet het verlegen
glimlachje zijn geweest de schone ontroofd.
De vraag is in mijn stem het boek ontstegen:
de schone lachte en schudde koel het hoofd.
Ik heb haar hand genomen toen; zij keek
of ik mijn nagels had geknipt; waar bleek
van niet, riep zij een roodverlakte doos te wapen.
Blinkende punten, wat gekriebel en een knap
bij iedre tel... Zij was zo wijs en knap!
Hoog boven ons was haar hart ingeslapen.
Parlando (1941)

sarlotteken
Een gedicht van René de Clercq 1877-1932
O, als ik u zacht in mijn armen neem,
lief zotteken,
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!
Uw oog is zo bruin en zo zoet als zeem,
van 't potteken.
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!
Van liefde de valheid, van valsheid geen zweem,
hertbotteken!
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!
Ach, kussen we elkander, gij lacht en ik schreem,
lief zotteken.
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!
Gedichten (1911)

antwoord
Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
Haar antwoord
Wanneer zal de ure zijn, dat gij als bruid
Met mij zult staan in wit-satijnen kleren?
"Wanneer de stromen naar hun bronnen keren,
De raaf het lied der nachtegalen fluit."
Had gij mij dan niet lief in vroeger tijd,
Was dan Uw hart niet naar mijn hart genegen?
"Mijn hart was vól van U, maar heeft verkregen
Tot loon alleen leed, leed in eeuwigheid."
Kan dan het eens verbleekte morgenuur,
Daar alles toch herleeft in de natuur,
Niet met een nieuwe dag de kimmen kleuren?
Wat eens gebeurd is kan nooit weer gebeuren,
Men kan maar ééns een blad aan stukken scheuren
En wat het vuur verkrijgt, verslindt het vuur."
Gedichten (1918)
