Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Zij maaien stadig met gelijke slagen

Zij maaien stadig met gelijke slagen,
Drie mannen, de armen strekkend met de zeis,
De benen ver gespreid, naar vechterswijs,
In felste warmte van de zomerdagen.

Met ritmisch schomm'len gaan de bovenlijven
Al op en neer, als grof-massieve slingers,
En stoer omsluiten de geknookte vingers
De dikke stelen, die in één lijn blijven.

Zacht-snerpend gaan de zeisen door de halmen,
Die nedervallen in gebogen rijen
Met nauw'lijks hoorbaar sterven, en zij spreien
Hun door de zon ontlokte zoete walmen.

Verzamelde gedichten (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:55 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

slag

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

NA DE SLAG

De donkerende nacht betrok de wijd gesternde hemel,
      de rusteloze zee, de hoge duinen,
de bergen en de vlakte van het heilig Ilios.
      Van de ene zijde stonden d'hoge muren
der stede in 't flauwe schemeren der bevende hemellichten.
      Daarnevens legerden de kloeke Trooiers
de peerdentemmers. Van alom daar brandden rode vuren.
      Van tijd tot tijd daar zong een felle stemme
het krijgslied bij het ronken van het elpenbenen snaartuig,
      en stemmen bont en talrijk zongen achter
bij 't zegevierend klinken van de zware stalen wapens.
      Maar al de andre kant, ver aan de kimme,
daar brandde 't vuur in diepe stilte in 't donkre van de nacht.
Daar lag het kamp der goddelijke Achaiers.
Daar klonk geen blijde wapenklang, daar zong geen zegezang.
      Van tijd tot tijd slechts kloeg de droeve stemme
der meiden met hun gouden haar, bewenende de krijger
      die in de luide worsteling bezweek
door 't zweerd des grote Hektôrs met de glinsterende helm.
      Het bloedig veld doorliepen honden huilend
te midden peerdenlijken en gebroken snelle wagens
      en 't staal der wapensscherven dat alom
in 't nachtelijke dumster glom, daar waar de mannen vochten.
      Maar uit het kamp der strijdgezinde Achaiers
daar kwamen stil drie mannen en zij stapten stil en zwijgend
      door 't dumster en door 't bloedig slijk der weiden.
Doch in het nachtlijk donker glom het staal van hunne wapens,
en tegen nek en hiel sloeg beurtelings
der ronde schilden leedren rand, terwijl de mannen stapten.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:37 Reageer op dit bericht

dagdief

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

De zingende dagdief

Over de heide zeurde ik,
Zo zonder gedachte,
Een oud liedje neurde ik,
Het zonneke lachte.

Over de hei ging ik,
- Een luierend feestje -
Uit de hemel ontving ik
Een lievenheersbeestje.

Over de hei sloofde ik,
Om mij gonsde een bietje,
Voor 'n wijfje, geloof ik,
Zong een leeuw'rik zijn liedje.

Over de hei stapte ik,
Zocht een ouderwets wijsje -
Zo arg'loos betrapte ik
Het aldermooiste meisje!

Over de hei lachte ik,
- Hoe zou ik beginnen? -
Wat is dat mooi, dacht ik: -
Twee mensen, die minnen!

Van Zon en zomer

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

viool

Een gedicht van Frederik Schmidt-Degener 1881-1941

Vermoeide viool

Overbeladen door herinnering
torst ge, viool, langs ’t late levens-pad,
druk en geluk – heel de ervarings-schat:
hoe zwoegt ge - kreunend om vermindering!

Dat het vervlotene nog eens verzadigt,
dank zij uw klank: het lot gedoogt het niet.
Geen vol genot, of ’t weet van vol verdriet.
Geen levens-doen niet door berouw beschadigd.

Wees, snaren-klacht, ’t nijpend verleden kwijt.
Vrij zal het klinken  zonder binnen-strijd –
en o herboortenis van lente-tijd!

Dan kwaamt ge nader als verlegen kind;
of wel als dichter die toevallig vindt...
of als geruis, gedragen door de wind.

Scheppens-drang

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

meidag

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Meidag

De kerzelaar zijn trouwgewaad
        heeft aangedaan:
vandage moet hij, meidag is ‘t,
        ter bruiloft gaan.

Elk taksken is een priem nu, die,
        bewonden, wit,
tot tenden, in een witte schee
        van blommen zit.

Beruwrijmd, was hij schoon, wanneer
        de winter woei:
veel duizendmaal is schoonder nu
        zijn blomgebloei.

Te winter was zijn schoonheid als
        een beeltenis
des levens; koud en ijdel, zo
        de schaduwe is.

Geen schaduwbeeld en is hij nu,
        geen schijn, maar al
dat schoon is, al dat levende, en
        dat liefgetal.

‘t Is bruiloft, en ‘t is zonneweer:
        de zomermeid
de bruidegom verwacht, die haar
        was toegezeid.


1/5/1895

Rijmsnoer

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Cornelis Loots 1765-1813

Verlangen naar eeuwigheid

Zink neer, o grens, die nog ons scheidt
Van ’t Eeuwige, met smart verbeid!
o Tijd, versnel uw gangen,
Rol weg uw dicht, uw breed gordijn,
En laat ons oog de zonneschijn
Der Eeuwigheid ontvangen!
Wij stappen met versnelde voet
Op 't licht af van een hoger gloed.
’t Gebrekkige, dat ons omgeeft,
Zo lang wij zijn aan 't stof verkleefd,
Werpt onze vlucht ter neder;
Vernietigde onze adelstam,
En fnuikt en maakt de werkkracht stram
Van de uitgespannen veder;
zweven op, maar zinken weer,
Als drukte een loden last ons neer.
Het spoor des tijds met sprong en val
Draait meest door laag en slijkrig dal,
Op ruwe oneven gronden;
Daar volgen, in de droeve loop,
De smart de vreugd, ’t verdriet de hoop,
En ’t naberouw de zonden;
Daar tasten driften, woest van doel,
In neevlen rond, met blind gewoel.
Als niets ons verder uitzicht gaf,
Dan ’t vroeg of laat ontsloten graf,
Waartoe dan ons ontwaken
Uit stof, dat stil, bewustloos sliep?
Wat wrede stem dan, die ons riep,
Om luttel vreugd te smaken,
Gekocht voor moeite en bange strijd,
Beklemd in eng begrip van tijd?
o Eeuwigheid! gij zijt de ree,
Zo lang gezocht op ’s levens zee,
In zo veel wilde baren!
Ontsteek uw baken op de kust!
Gods lichtend Woord doe ons gerust
En juichend binnen varen!
Weg klip, weg branding die ons scheidt:
Ons land van rust is de Eeuwigheid.

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

landschap

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Landschap: bomen van licht

Landschap: bomen van licht, bij 't óp-stralende blaken
van zonne-vlakken, in schettren, scherp, op de daken;
en óm: de zware tocht van stromen, - wijde stromen
gekomen tot een meer als van glooiënd goud-laken.

Neer, door het goud-doorzegen blauw, geselen striemen
van schelle klaart die 't heil van open lichten lacht,
en de aureate horizon van brede pracht
schijnt in een purpren wrong de aarde óm te willen riemen.

Zie: vogels draaien gek door 't golpend zonne-zijn
dat giet zijn stralen-brand van woeste licht-orkanen.
En enkel déze vreê: de vreê der staat'ge zwanen
op 't peerlen-telend vlak van 't welig meer-gedein...

- o Lente, die daar tiert in 't vreugde-hijgend streven;
Lente, blij-flakkrend zijn van wijdse heerlijkheid;
Lente, die 't broeiend vuur van 't bremstig gloren zijt
dat ik, tot zang en daad, door hoofd en hand voel beven;

Lente, o Lente in de macht van gloed-zaaiende goden;
gierend uw wellust bij het zwoegen van uw willen:
ik, zat van nieuwe zon en vreugd-schaatrende gillen,
zinge u Hymnen van goud, gulzig-wassend als Oden!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

schepnet

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het schepnet.

'k Zal met ijver
Uit deez' vijver,
- Lieve Jet!
Naar verlangen
Visjes vangen
In dit net.

'k Zal naar snoeken
Wel niet zoeken,
Mij te sterk.
Spichtige alen
Op te halen
Is mijn werk.

'k Vang ook blijën,
En, bij tijën,
Zelfs een baars.
Vorens mede
Hier ter stede,
Zijn niet schaars.

Zie hen woelen
En krioelen
In de plas.
Maar hun dartlen
En hun spartlen
Stoor ik ras.

Blijf maar kijken!
't Zal u blijken,
Wat ik doe.
Klaar is 't netje;
Kom nu, Jetje!
En zie toe.

Nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

arm

Een gedicht van Antoinette Kleijn-Ockerse 1762-1828

Mijn arm is jong; nog blank mijn Zwaard

Mijn arm is jong; nog blank mijn Zwaard;
Nooit zag mijn oog dit veld; -
'k Besteeg geen briesend oorlogspaard;
Mijn vuist doorsloeg geen Held.

Toch is mijn boezem fier en sterk,
Mijn hart als Batoos hart!
Vlug is mijn blik als 't morgenzwerk,
Ze vlammend als mijn hart -

Bathilde gorde mij ten slag!
Haar hand schonk mij dit paard,
'k Sla, haar ter eer, mijn eerste slag,
Dit zweer ik, bij mijn zwaard.

Mijn hart smacht, met verhitte dorst,
Naar het roemrijk oorlogsveld!
'k Omhelze nooit Bathildes borst
Dan als een Hollands Held! -

Neen nooit! vaarwel Bathilde! ik zweer
Dit zij mijn Huwlijkspand,
'k Omhelze u, als verwinnaar, weer;
Of sterf voor u en 't Land! –

Krygsliederen van Mr. J.F. Kleyn en Vrouwe A. Kleyn gebooren Ockerse

 

 

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

dodenherdenking

Stilstaan
 
We stonden stil
Bij een algemene wil
Om de gevallen doden
te herdenken
Het mocht en mag nimmer
meer gebeuren
Dat is wat je ziet
Als ze je zijn aan het verscheuren
De mens kent niet meer de ernst
De kinderen krijgen geen geschiedenis meer
En over gaat al het oude zeer
Maar als je een levenlang bent geconfronteerd
Met oorlogen in het klein en in het groot
Dan werp je veel huichelarij in de sloot
Want soms is het een gezellig samenzijn
Ook al zie je ernstige gezichten
Vele mensen zijn dagelijks de
samenleving aan het ontwrichten
Men is meer bezig met de driften
Van eigen denken
Dan een ander te gedenken!
Ja, wat zal dit alles schenken!
Waar oud en jong bij elkaar waren te gedenken
Ieder heeft zijn eigen verhaal
De één op kleine en de ander op grote schaal
Maar het is nimmer uit dat onmenselijk verhaal
Juist met speciale dagen
Voel je het weer…
De naweeën van die vreselijke dagen…
Bloemen plaatjes
 
Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

ontroering

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

 Tintelende ontroering

Tintelende ontroering
zich zelf genoeg,
en met de volontloken wangen
en met de forse wrong der haren
met het hoofd aangeleund
stond zij zwaar, zwart;
rijke rozenbottels
oranje en rood,
schat bij schat,
o de (weet je nog) barstten,
bloemenknoppen des harten,
het ongekreukte bloemenblad
lag in onze hand

Schetsen en fragmenten (Verzamelde verzen 1935)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

blijlied

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

BLIJLIED

Is mijn Vlaandren oud of jong?
Jong of oud?
Toen mijn hart dit blijlied zong
Hing de lucht vol goud.

Al de bomen sloegen groen,
Groen en blank,
En mijn hart, om mee te doen,
Gaf zijn beste klank.

Al de vogels schalden wild,
Wild en rein,
En mijn harte, zondoortrild,
Was een klaar fontein.

Is mijn Vlaandren jong of oud?
Allebei.
Zo wie daar aan twijflen zoud'
Twijfelt aan de Mei;

Twijfelt aan de dag die ruist,
Zwaar van licht,
Twijfelt aan de moed die bruist,
Twijfelt aan de plicht.

Vlaandren leeft, Vlaandren groeit,
Schoon door pijn;
En mijn hart, dat breekt en bloeit,
Moet in Vlaandren zijn.

De Noordhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:29 Reageer op dit bericht

le pont

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Le pont de Caulaincourt.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het vergaan verleden
stuwt en stijgt het hijgend heden,
boven het gefluisterd Amen,
vlamt de pakkende reclame,
boven 't somber R.I.P.
waarschuwt luid: ‘Si vous toussez....’

't Leven spreidt zijn vleugels wijd
boven dood en eeuwigheid,
spant in vergetrokken togen
zijn versteende brede bogen
tot een veld van koorts'ge strijd;
tussen plecht'ge marmerzerken
zuilen zwaar de zwarte werken,
die het volle leven dragen,
over doden heengeslagen.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het Memento Mori
juicht de dag in volle glorie,
tussen zware wagenvrachten
jagen mensen, joelen, jachten,
snorren taxis, toet'ren, tett'ren,
zoemen stemmen, schreeuwen, schett'ren,
logge camions dond'ren, bonken,
monden lachen, ogen lonken,
wielen went'len, knarsen, kreunen,
autobussen dav'ren, dreunen;
in één jacht, één drift gedreven
bruist en kookt het lillend leven;
in de branding opgenomen
van één stroom en tegenstromen
van een durend af en aan
blijft de drom van mensen gaan.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven weidse sepulturen
slaat de zweepslag van de uren,
boven vroom geknielde liên,
walmt de wierook - de benzien!

O, de dood is zoet in 't g'loven
aan 't bestaan van een: hierboven,
want een ‘boven’ is gegeven,
want hierboven is het leven
vol mysterie, heil en hoop
in 'de grootste' bioscoop,
die, als eind'lijk nacht gaat dekken,
nog de doden tracht te wekken
met zijn kleurdoorvonkte banen
van elektrische reclame,
vol van zon en duizend sterren:
‘Changement de Propriétaire!’

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven heil'ge eeuwigheid
lalt en bralt de nieuwe tijd,
strijdt en stuwt het kermend heden,
met zijn vloek en zijn gebeden,
met, als laatste elegie:
‘L'au-delà?’ - ‘Oui, mais Ribby....!’

Parijsche Verzen ((1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

apentroost

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Apentroost.

Een aap had met veel zorg en zwier
Als pronker zich gekleed;
‘Nu schijn ik,’ sprak hij, ‘toch geen aap
Voor iemand die 't niet weet.’

Hij pakt met moed het spiegelglas
Met beide poten op:
Maar hoe hij kijkt - hij ziet nog steeds
De oude apenkop.

Hij draait de spiegel links en rechts,
‘'k Ben netjes!’ sprak de knaap,
‘Mijn frak valt mooi, mijn broek zit strak,
Maar 'k ben en blijf - een aap.’

Hij 's dol, hoe hij zich keert of wendt,
Toch ziet hij d' apensnoet,
Hij rukt de spiegel van de muur
En trapt die met de voet.

Maar hij bezint zich dra en roept:
‘'t Kon erger, naar ik meen,
'k Zie mijn gelijken overal,
'k Ben nergens ooit alleen.’


Een Duitser nageaapt.

Gedichten (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

slapeloos

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Slapeloos

Hij komt met geruisloze vleugelslag aan,
De donkerlokkige knaap,
Hij staart met zijn peinzende ogen mij aan,
De dromen-brengende Slaap.

Hij vouwt om mijn peluw zijn wieken wijd
Met loom gebogene lijn
En over mijn voorhoofd zijn adem verglijdt
In schaduw van maneschijn.

Dan aan mijn legerstee zet hij zich neer,
Het hoofd in de handen geleund,
En nokkende preevlend zuchten teer,
Hebben zijn lippen gekreund:

‘Gedreven van wereld-tot-wereldkust
Door de ogen der dagende Dag,
Ik voer met mij mede verdoving en rust
In eindeloos zelfbeklag.

Ach, waarom liet ik mijn broeder alleen,
Mijn tweelingbroeder de Dood,
Sluimeren wilde ik gaan tot hem heen,
Sluimeren zoet in zijn schoot.’

Zo weent hij en hult met wanhopig gebaar,
Met angstig vertrokkene mond,
Het vochte gelaat zich in 't ravenzwart haar,
Dat om zijn handen zich rondt.

Tot plotseling hij rijst, als door furiën gejaagd
Zie ik hem omziende staan,
Wijl diep in het Oosten de morgen daagt,
De ochtend in 't kleed van saffraan.

Als iemand die schrik overmande, hij staat,
Rillend van vleugelen licht,
Doch eer hij verruist en verder weer gaat,
Drukt hij de oogleên mij dicht.



1884

Gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

optimisten

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Voor de optimisten

Gij weet het grote nieuws, en, hoe door ’t nieuwe licht
Van Theologen, Filosofen, Economen
En andre Omen,
Nu eerlang hier op aard de Hemel wordt gesticht? –
Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen!
’t Duurt nog een grote veertien dagen.

Leekedichtjes

schrijver

Geschreven door Dora om 13:33 Reageer op dit bericht

wingerd

Een gedicht van Willem de Merode 1997-1939

De wilde wingerd

Een krank en schamel hout,
Het minste van het woud,
Door iedre wind geslingerd,
Reikte ik mijn ranken uit,
Weerstaan, maar nooit gestuit,
Een dorre wilde wingerd.

Geen mens die naar mij zag.
Al waar ik kroop of lag,
Mijn groen ging alles dekken.
Tot in dit woest revier
De goede hovenier
Mij wijs kwam stekken!

Hij plantte me in zijn tuin,
Leidde, dan recht, dan schuin,
Mijn loot de muren over.
Nu siert zijn hoge huis
Rondom met zwaar geruis
Een vloed van bloedend lover.

Al ben 'k verminkt en krom,
Hij wist hoe onder 't mom
Van dorheid 't hart versmachtte.
Nu hij mij kwekend nam,
Verlicht ik met mijn vlam
De dagen en de nachten.

Het heilig licht (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

dorpsschoolmeester

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

DORPSSCHOOLMEESTER.

Needrig, Meester! is uw stand,
Pover is uw kleine woning;
Maar nog liever dan een Koning
Geef ik U mijn rechterhand;

Liever dan een Koningskind
Noem ik U mijn beste vrind!

's Morgens vroeg en 's avonds laat,
Nimmer, Meester! zijt ge moede,
Om de kinderkens ten goede
Op te kweken, naar hun staat;
Om ze in kennis, deugd en eer
Op te kweken, voor de Heer!

Worde op Aarde u karig loon...
De Oogst van wat gij hier mocht zaaien,
Zult gij in de Hemel maaien,
Als gij neerknielt voor Gods troon;
Als uw naam, met Englenschrift,
't Levensboek wordt ingegrift.

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

terug

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

TERUG

Scheef is de poorte, van
oudheid, geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
stro op de zwepingen
zit er gestreken;
vodden beveursten het
huis en de stal.

Boven die vodden zijn
blommen gesprongen;
onder die vodden zit
volk en gezin:
blommen van vrede, zo
ouden, zo jongen,
blommen van buiten en
blommen van bin.

Daar is 't, dat moeder zat;
daar is 't, dat vader
vond die hem arbeid en
herte bracht; daar
knielden wij, kinderen,
handen te gader,
baden wij, kleinen en
groten te gaâr.

Daar is de schippe nog,
daar is de tange;
't ovenbuur staat daar, zo
't vroeger daar stond;
't hondenkot staat daar, en...
- 't is al zo lange! -
Hoe is de naam van die
andere hond?

Ach, hoe verheugen mij,
ach, hoe verheffen
de oudere dagen mijn
diepste gemoed!
Is er wel iemand, die 't
ooit kon beseffen
wat gij, oud hof, mij nu
zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al
te argloze mensen,
weinig begeerde gij,
groot was uw hert!
- Kon het maar helpen, met
wenen en wensen,
weer at ik roggebrood,
naast u, aan 't berd!


28/1/1879

Rijmsnoer (Hooimaand)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:05 Reageer op dit bericht

pronk

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

  

Ik zag met pronk en kostbaarheden

IK zag met pronk en kostbaarheden
en een hooghartig oogopslaan
een pauwenveer in den koraan;
de groen en rosse strengen gleden
over de tekst, het wuft verguld
had al de bladzij opgevuld
en midden in de soeren lag
de blauwe spiegel en zijn lonken
de strakke verzen overblonken
lichtzinnig spelend met de dag
en bont juweel en wulps azuur
had op de letteren beslag
en overschaduwde de schriftuur.

En ik: dat op het heilig boek,
dat op de regels heet bewogen
om al wat zij behelzen mogen
van Gods belofte en Godes vloek,
de onbezonnen dartelheid
zijn loze tooi heeft uitgespreid,
dat het gebodwoord van de Heer
het bed is van een vogelveer!

En zij: laat af van aan te klagen.
Schoonheid is tiranniek gezind
en zelfgerecht en voert bewind
naar eigen wil en welbehagen!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten