twijfel
Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
Twijfel
Wat wacht ik in dit avonduur,
De Stad beslopen door de slaap,
Gezeten bij de Tempelmuur;
God of de Marokkaanse Knaap?
Kwatrijnen
twijfelEen gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
Wat wacht ik in dit avonduur,
De Stad beslopen door de slaap,
Gezeten bij de Tempelmuur;
God of de Marokkaanse Knaap?
Kwatrijnen
de scheidingEen gedicht van Rosalie Loveling 1834-1875
Zij stonden rechtover elkander.
Zij zagen elkander aan
De ene had in haar ogen een glimlach,
En de andere een stille traan.
Deze was een verouderde vrouwe,
Die steun zocht aan de wand.
En gene een jeugdige beeltnis,
Geschilderd door meesterhand.
Hoe spraken die zoete trekken
Nog tot haar zusterhert!
"'t Is heden zestig jaren,
Dat zij begraven werd!”
Zij wreef de hand aan ‘t voorhoofd,
Zij sloeg de ogen neer,
En als in toverkleuren
Rees heel ‘t verleden weer!
Doch vluchtig als het weerlicht
Was haar begoochling heen…
Het beeld wordt weggedragen
De koopman wacht beneên.
Zo namen de tweelingzusters
Daar afscheid van elkaar:
Een oude gebogen vrouwe
En een meisje van zestien jaar.
Gedichten, 2e vermeerderde uitgave (1877
inmakenEen gedicht van Adriaan van der Hoop 1802-1841
Keulse potten, vaatjes, touwtjes,
Vleeskuip naar de eis gepikt;
Nu is 't hoogtijd voor de vrouwtjes,
't Rookt in huis, dat je er van stikt!
Zuurkool naar de eis gesneden,
Molenstenen in de ton,
Stank van boven tot beneden;
Vrouw steeds in haar nachtjapon.-
Zuinig Aaltje is catechismus:
Wie zag immer zuinigheid,
('k Ben niet voor het pessimismus)
Lezers, bij een keukenmeid?-
Duizenden Princessebonen,
Groene bonen bij 't miljoen,
Tonnen, waar men in kan wonen,
Als Diogenes mocht doen.
Kelderflessen, blazen, kurken,
Uitjes, sambal, peultjes, peen,
Bloemkool, erwtjes, biet, augurken,
Canteloupen, fijn gesneên!
Venkel, foelie, lauwerblaren,
Thijm, Cardemon, Marjolijn,
Spaanse peper niet te sparen!
Ankers wijn-en bier-azijn,
Boterpekel voor de kroppen,
Kies vooral de slapste niet!
't Zelfde voor de spersie-koppen,
Eer men er d'azijn op giet.
Appels schillen, boren, drogen,
Kindren aan de diarree.
Bruine suiker afgewogen:
Ach, 't wordt in je beurs zo wee!
Reine-claudes, mirabellen,
Brandewijn, kaneel, kandij,
Perzik, abrikoos, morellen,
Naaglen, naar de smaak er bij!
't Geurig sap van d'alebessen,
Wél gerist, gekookt, geschuimd,
't Spoelen, 't zwaavlen van de flessen:
Was de boel maar opgeruimd!
Al die vruchten en geleien,
Al dat zoet en al dat zuur,
Al die vreemde lekkernijen
Maken juist de inmaak duur.
Vrouwtjes, zo gij ons wilt tonen,
Dat gij d'inmaak goed bevat,
Zie niet op een duizend bonen,
En een witte kool of wat!
Wil voor de overmaat niet schromen,
Deel daarvan met wijs bestel,
Weet gij er niet dóór te komen,
De arme luidjes weten 't wel!
eeuwelingenEen gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Gedaagde, bodemvaste bosgenoten,
bomen, die ‘k, wel vijftig jaren lang,
boom wete; en zo hoge als nu geschoten,
gezien hebbe, op zo menig wandelgang;
wat ben ik, arme miere, u bijgeleken,
die sta en u aanschouwe, o hoge bomenreken!
Mijn handen, uitgestrekt, en konnen, eiken,
beuken, op wel twee drie vamen naar,
vamende u om ‘t lijf, malkaar bereiken,
noch meten uwe stam, die, machtig zwaar,
die machtig diepe staat, de grond beneden,
in de onuitroeibaarheid van uwe wortelsteden.
Gij grijpt mij, grote bomen, vast; en ‘k voele
vreze mij het hert des herten slaan,
hore ik, al met eens, omhoge, ‘t koele
gedaver van de winden dóór u gaan!...
Gij spreekt dan tegen hen zo'n zware sprake,
dat, angstig en ontsteld ik worde, en koud gerake!
9/2/1897
Rijmsnoer (VI Zomermaand)
mysterieEen gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954
Soms luister ik lang naar het zwijgen
Van die donkre viool, mijn hart,
En scheemring na schemering zijgen
Door een stilte die sluimert en mart.
Doch eindlijk begint het te trillen,
Of een zucht langs de snaren streelt,
Of een enkel met liedren te stillen
Verlangen er droomt vóór het speelt.
En een mijmring van tonen zingt éven
Uit de stilte, als de huivrende geest
Eener geur die schaduws deed beven...
Maar mijn ziel is vervúld geweest.
En hetgeen in haar duister blijft hangen,
Een levende smart schoon ze zwijgt,
Is de snik van een eindloos verlangen
Uit een droefheid die woordenloos hijgt.
Gedichten - Het ronde perk(1917)
avondromanceEen gedicht van Adiraan van der Hoop 1802-1841
Het laatste geflonker
Der zonne ging ter rust;
De beek is door ’t donker
In sluimring gekust;
Maar ’t zwijgende duister
Toont lieflijke pracht:
Want de aard groet uw luister,
Vorstinne der nacht!
Geen nevelen betrekken
Uw Goddelijk schoon;
Geen schaduwen dekken
’t Azuur van uw troon.
Vol glans zijn de blikken,
Waarmee ge op ons staart,
En ’t oog komt verkwikken,
Vriendinne der aard!
Doe lichtstralen wieglen,
o Zilvren Planeet!
Doe ’t stroomvocht weerspieglen
De glans van uw kleed.
Blink vrolijk: want de ogen
Van haar, die ik min,
Begroeten bewogen
U, Nachtkoningin!
Lente en Herfst (1842)
wenenEen gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Wenen
Ha! beklaag hem, die gevangen
Onder 't wegen van de pijn,
Niet en kan een trane ontvangen,
Wenen en gelukkig zijn!
Arme schaap! hoe moet het lijden
Door en door zijn herte snijden
Daar het blijft in barensnood
Van de bittre vrucht ontbloot!
Tranen, bittre vrucht des lijdens,
Drank die 't smachtend herte laaft,
Zaad der vreugde en des verblijdens,
Die God zelf verlichting gaaft,
Toen, nog wandlende op de wereld,
Menige uur, Zijne oog, bepereld
En met droefheid overlaên,
Stortte aanbiddelijk getraan.
Tranen, als bij noenestonde
't Blussend reegnen op het kruid,
Als de perel die de wonde
Van 't gekwetste pijnhout sluit,
Als de frisse navondkoelte
Na de hete zomerzoelte,
Zoeter, ja, veel zoeter nog,
Zijt gij, bittre tranen, toch!
Dank o Heer, die mij ontsloten
Hebt de bronne van 't getraan,
Die 'k zo dikwijls heb genoten,
Dikwijls er naar toe gegaan:
Moet het krimpend alsemdrinken
Vriend of vijand mij nog schinken,
Geef mij, anders niet, o neen!
Geef mij dat ik tranen ween.
Stroom van droefheid, eedle tranen;
Bittre beken des geweens,
Hoe kunt gij de wegel banen
Tot vertroosting, wat gemeens
Hebt gij, dreuplen van de smerte,
Met de honingdauw des herten?
Waarom, als ik lijden moet,
Zijt gij, tranen, toch zo zoet?
God-zijn wegen zijn verholen,
Als Hij zalfkruid wassen doet
Waar de slange zit verscholen
Die de wandlaar bijten moet:
Dank aan Hem, aan Wie 't bekend is
Of er mate in onze ellende is.
Dank aan die 't geween daar van
Met het wenen troosten kan!
moordEen gedicht van Edgar du Perron 1899-1940
Men had de man vermoord, hij was
bezitter van een hoeve.
En toen zijn jonge vrouw vermoord,
die hulp had willen roepen.
En toen hun dochtertje vermoord,
van even zeven jaren.
Haar bedje was doorweekt van bloed,
haar peluwtje vol scheuren.
Ten slotte nog de hond vermoord,
de hond had scherpe tanden.
Een groot portret van de andere drie
stond schrap in alle kranten.
De vrouw was ietwat krom, de man
besnord, kaal, bruut van poten.
Het meisje had de fronsblik van
beginnende idioten.
ikEen gedicht van Willem de Merode 1887-1939
Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon.
Niets dan een sage is zijn zacht bestaan.
Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan
In grootte en glans en werd volwassen-schoon.
Nevens mij, glorieus en monotoon,
Verging de kringloop van zijn kort bestaan.
Mijn hand is strelend door zijn haar gegaan
En langs het kloppend halsje van mijn zoon.
Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel.
Ik ken alleen de klare periode
Van bloei die boven mijne schouder rees.
Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel.
God weet, wij hebben soms een droom van node,
Maar doodsbedroefd is die de droom ontrees.
-----------------------------------------------
eerste gedicht uit de cyclus: De gedroomde zoon
muggendansEen gedicht van Johan Michiel Dautzenburg 1808-1869
Waar 't voetpad langs de heining vlucht
Door beemd en weide heen,
Daar zit ik soms in de avondlucht
Gans stillekens alleen.
De krekels zingen daar in 't gras
Hun allerschelste toon,
De muggen vinden wis de bas
Dier zangren wonderschoon.
Zij draaien, zwaaien blij vergaard
In 't dalend hemellicht,
Zij ruisen, kruisen dicht geschaard
Voor mijn verrukt gezicht.
En blijdschap hier, en vreugde daar,
Men ziet het iedre dag;
Des stem ik nimmer de eigen snaar
Op somber wee en ach.
En zingt en springt in 't zoel getij
De krekel en de mug,
Krioelt en woelt de schepping blij,
Dan blijf ik niet terug;
Dan vest ik buiten mijne woon
In 's hemels bloemenhal,
Dan zing ik ook mijn schelste toon
Door 't eenzaam vreugdedal.
thuisreisEen gedicht van P.C. Boutens 1870-1943
In het stergedoofde Zuiden,
In het vroeg ondiepe licht
Bleekt een grote wassen maan,
Als een droom niet meer te duiden,
Een verduisterd zielsgezicht
Door de dagen met ons gaan.
Naar het Oosten reikt mijn reizen,
Waar de diepe horizon
Achter donkre heuvlen brandt:
Van hun toppen zie ik rijzen
Straks de stille gouden zon
Over 't onbegrensde land.
Weinig lange weken straalden
Zon en maan voor oog en voet
Vreemde paden schoon en licht -
Nimmer week wat rees of daalde,
Aan de kimmen van 't gemoed
Weerglans van uw aangezicht.
Eer een tweede zon zal stijgen,
Nacht de komst der maan vermoedt,
De eerste ster door 't donker bloedt,
Zien mijn ogen weer ziels eigen
Vaste zon, uw oog doorgloed
Van het licht dat ebt noch vloedt!
sterksteEen gedicht van J.J.A. Gouverneuer 1809-1898
Sterk is-wie zal het tegenspreken?
De Steen; doch ’t IJzer kan hem breken.
Sterk is het Ijzer; maar het zwicht
Toch voor de laaie Vuurgloed licht.
Sterk is het Vuur; doch ’t moet bezwijken
En voor de kracht des Waters wijken.
Sterk is het Water; maar, hoe sterk,
De Wolken trekken ’t op in ’t zwerk.
Sterk zijn de Wolken; doch de vlagen
Des Stormwinds kunnen haar verjagen.
Sterk is de Storm; maar hoe hij woed’,
De Man spot met zijn overmoed.
Sterk is de Man; die wonderwerker;
Maar toch is vaak de Wijn nog sterker.
Sterk is de Wijn; maar, hoe vol kracht,
De Slaap verwint hem door zijn macht.
Dus moogt ge op Sterkte u niet verheffen;
Iets anders kan u overtreffen.
gevoelEen gedicht van Isaac Da Costa 1798-1860
O! wie beschrijft mij 'tgeen gij zijt,
Gevoel van 't kloppend harte!
Wiens werking vaak de ziel verblijdt,
Maar meer nog klemt in smarte!
Gij, mijner dichtkunst ziel en doel!
Gij zijt de bron mijns levens!
Maar, overweldigend gevoel!
Die van mijn sterven tevens!
Gij zijt de onwederstaanbre gloed,
Die mij tot dichter maakte!
Die in mijn rusteloos gemoed
Sinds de eerste kindsheid blaakte!
Gij zijt die min, wier zaal'ge smart
Mijn eerste zuchten riepen,
Toen in 't nog pas ontluikend hart
Der driften stormen sliepen.
Gij zijt die zucht naar hoger lust
Dan van een nietige aarde,
Waardoor 'k mij-zelve ben bewust
Van een verheev'ner waarde!
Gij zijt, 'tgeen mij verbindt met Hem
Voor wie de Serafs knielen!
Gij zijt de weergalm van Zijn stem
In onze doffe zielen!
Gelijk de poging van het kind,
Dat zwikt bij iedre schrede,
En ieder stond zich hulploos vindt!
Zo is de kracht der Rede!
Maar als gij onze stappen leidt,
Gevoel, van God gegeven!
Zo snellen wij ter zaligheid,
Door 't stormen heen van 't leven!
'k Wil op mijn Rede, zwak en koel,
Mijns levens hoop niet bouwen!
Mijn krachtig, brandend zielsgevoel!
Op u wil ik vertrouwen!
Hetzij gij vreugde brengt of smart,
En sterven doet of leven,
Aan uwe invloed wil mijn hart
Zich eindloos overgeven!
'k Wil naar uw toverend gebod
Beminnen, zingen, loven!
En 't oovrig van mijn levenslot
Verblijve aan God hier boven!
Doordring het stof, dat mij omkleedt!
Dooradem en beziel het!
Of, is uw ademgloed te heet,
Ontzie niet, en verniel het!
Te sterven op het veld van eer
Is echte krijgsmansglorie!
De dood heeft niets verschriklijks meer
In de armen der victorie!
Maar ook de priester van het schoon
Laat zonder leed het leven,
Wanneer hij in zijn laatste toon
Zijn laatste zucht mag geven!
vinkskeEen gedicht van René de Clercq 1877-1932
Een vinkske! Een vinkske!
Daar zit het, zwijg, -
Een levend dingske,
Op een dode twijg.
Het borstje bibbert,
Het keelke zwelt.
Het bekske slibbert
Van 't klankgeweld.
't Zijn versjes, zere,
Onvatbaar kort,
In éne keer,
Der-uit gestort.
Tzit-tzit-tzit-dap-dapper,
Dewingihee!
Tzit-tzit-tzit-rap-rapper,
De hele ree!
Tzit-tzit-tzit, een ander!
Nog één, nog één.
Tzit-tzit-tzit, wie kan-der
De voeten scheên?!
Tzit-tzit-tzit, 't gesnebber
wordt dom en dol.
Tzit ... halt! Ik heb er
Mijn oren vol!
noordenwindEen gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932
De wind waait hoog en kent de mensen niet.
Hoog wil ik stijgen met de Noordenwind,
boven 't gerucht der stemmen - boven 't licht
der volle straten. Weg! het warm gewoel,
de weke druk van mensen om mij heen!
Ik wil ééns vrij zijn, ééns oneindig vrij,
dat er geen liefde en lachen om mij is,
geen zoete stem, geen blik van vrienden-ogen
geen weekheid en geen weemoed en geen lust.
'k Wil eenzaam stijgen in de Noordenwind,
die in de kille nacht gestadig waait
groot en onwetend.
Stijgend wil ik neerzien
met koude blik en onbewogen mond
op wat voor eeuwig wegzinkt onder mij.
En als de passies, die 'k heb liefgehad,
zich aan mijn kleedren hechten en 't gelaat
met schreien heffen en mij angstig vragen,
hen niet alleen te laten in de nacht ...
dan zal ik zwijgend hun gekromde handen
losmaken van mijn kleed, - en als zij vallen
zal ik niet sidd'ren bij de doffe slag ...
maar zingend rijzen in de koude nacht.
stemEen gedicht van Salomon Bonn 1881-1940
Stemmen spraken tot mij,
ik hoorde ze niet,
ik hoorde uw stem
als 'n lied, als 'n lied!
Zoals 's avonds laat
wen de wereld zwijgt
over wateren, stil,
'n boot ver tijgt.
De wereld is stil
de wereld is donker,
alleen leeft de maan
en wat stargeflonker
Haar stem is muziek
in de stille oren,
zo kan ik maar niet
uw stemme horen.
Mijn land ligt zo ver
en uw stem is zo zacht,
en geen enkele ster
schijnt mij in mijn nacht.
broodjeEen gedicht van Dop Bles 1883-1940
Ik ging eens om een broodje,
De bakker was niet thuis,
en toen de bakker niet thuis was,
ging ik weer naar huis.
Ik ging eens naar de mensen
en sprak ze allen aan,
al ken ik vele talen,
geen mens heeft mij verstaan.
Ik ging naar alle deuren,
waar ’t venster was verlicht,
zo hard kon ik niet kloppen,
of elke deur bleef dicht.
Ik ging eens naar een kamer,
waar ik me welkom wist,
de deur bleef afgesloten,
ik had me dus vergist.
Ik ging naar alle boeken
en vroeg ze alle raad,
maar geen dat mij kon zeggen,
wat niet geschreven staat.
Ik ben toch eens geboren
en ga dus ook eens dood,
zolang ik nog moet leven,
ga ik maar steeds om brood.
Is de poort open?
de reizigerEen gedicht van Jopie Breemer 1875-1957
De reiziger reist heen en weer
Van Amsterdam naar Wormerveer
En ook wel eens naar Krommenie
Naar Beetsterzwaag en Middellie.
Hij leest zijn krant in de coupé
En neemt altijd zijn koffer mee
Hij draagt een witte hoge boord
En als hij zit zegt hij geen woord
Hij praat nooit met een ander heer
De reiziger reist heen en weer.
liedEen gedicht van J.W.F Werumeus Buning 1891-1959
Eens heb ik rouw gedragen
Om die ik had bemind;
Toen waren al mijn dagen
Tot droevigheid gezind.
Daarna werd mij in dromen
Een helderheid bekend,
En mij werd afgenomen
Al zorgen en ellend.
Al na een duistere avond,
Ter helle middernacht.
Mocht ik een lied vernemen
Dat gaf mij nieuwe kracht.
Ik hoorde een engel blazen
Op zijn kleine trompet;
Ik zag een engel blazen
Op een kleine trompet.
Al in een groenen morgen
Ontwaakte ik, mijn bed
Was tussen bloem en palmen
In helder licht gezet.
En was het wel de morgen?
Ik sluimerde weer in,
Dit slapen zonder zorgen
Was mij een nieuw begin.
En toen ik dan ontwaakte
Vond ik een nieuw gebed
De klank was in mijn oren
Dier hemelse trompet.
Al wat ik u kan zingen,
Het is maar een klein lied.
Wie kleine engelen horen,
Kennen een ander niet.
Ik weet, God zal nog spreken
Met grotere trompet.
De engelen des hemels
Zijn daartoe neergezet.
Maar ik, die de grote trompet niet ken,
Zing met een zalig oor
Naar de kleine trompet wier vreugd ik ken,
En waaraan ik mijn leed verloor.
1926
voorEen gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
't Is zoet te schrijven, als het licht
Des zomers op mijn handen daalt
En 't rijm zijn blijde plicht verricht
En wat mijn hart voelt U verhaalt.
Mijn handen beven van genot;
Zij dragen de gewijde schat,
Die 'k diep in mijne ziele tot
Nu toe voor elk verborgen had.
Zij zetten bevend woorden neer
Tot de avond-late zon verbleekt,
En woorden glanzen rein en teer
Als paarlemoer, waar 't licht in breekt.
En toch, hoe mooi die woorden zijn,
Die vingen 't licht aan alle kant,
Zij hebben slechts een zwakke schijn
Van 't licht dat in mijn binnenst brandt,
Omdat er altijd in het woord
Iets is, dat is van iedereen,
En ik wou geven iets dat hoort
Aan U, voor wie ik leef, alleen.
Maar toch is 't zoet, wanneer het licht
Des zomers op mijn handen daalt
En 't rijm zijn blijde plicht verricht
En wat het kan vertaalt.