Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

stem

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1940

IK HOORDE UW STEM

Stemmen spraken tot mij,
ik hoorde ze niet,
ik hoorde uw stem
als 'n lied, als 'n lied!

Zoals 's avonds laat
wen de wereld zwijgt
over wateren, stil,
'n boot ver tijgt.

De wereld is stil
de wereld is donker,
alleen leeft de maan
en wat stargeflonker 

Haar stem is muziek
in de stille oren,
zo kan ik maar niet
uw stemme horen.

Mijn land ligt zo ver
en uw stem is zo zacht,
en geen enkele ster
schijnt mij in mijn nacht.

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

broodje

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Ik ging eens om een broodje

Ik ging eens om een broodje,
De bakker was niet thuis,
en toen de bakker niet thuis was,
ging ik weer naar huis.

Ik ging eens  naar de mensen
en sprak ze allen aan,  
al ken ik vele talen,  
geen mens heeft mij verstaan.

Ik ging naar alle deuren,  
waar ’t venster was verlicht,
zo hard kon ik niet kloppen, 
of elke deur bleef dicht.

Ik ging eens naar  een kamer,
waar ik me welkom wist, 
de deur bleef afgesloten, 
ik had me dus vergist.

Ik ging naar alle boeken   
en vroeg ze alle raad,  
maar geen dat mij kon zeggen,  
wat niet geschreven staat.

Ik ben toch eens geboren  
en ga dus ook eens dood,  
zolang ik nog moet leven, 
ga ik maar steeds om brood.

Is de poort open?

Geschreven door Dora om 09:42 1 reactie Reageer op dit bericht

de reiziger

Een gedicht van Jopie Breemer 1875-1957

De Reiziger

De reiziger reist heen en weer
Van Amsterdam naar Wormerveer
En ook wel eens naar Krommenie
Naar Beetsterzwaag en Middellie.
Hij leest zijn krant in de coupé
En neemt altijd zijn koffer mee
Hij draagt een witte hoge boord
En als hij zit zegt hij geen woord
Hij praat nooit met een ander heer
De reiziger reist heen en weer.

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van J.W.F Werumeus Buning 1891-1959

 

LIED

Eens heb ik rouw gedragen
Om die ik had bemind;
Toen waren al mijn dagen
Tot droevigheid gezind.

Daarna werd mij in dromen
Een helderheid bekend,
En mij werd afgenomen
Al zorgen en ellend.

Al na een duistere avond,
Ter helle middernacht.
Mocht ik een lied vernemen
Dat gaf mij nieuwe kracht.

Ik hoorde een engel blazen
Op zijn kleine trompet;
Ik zag een engel blazen
Op een kleine trompet.

Al in een groenen morgen
Ontwaakte ik, mijn bed
Was tussen bloem en palmen
In helder licht gezet.

En was het wel de morgen?
Ik sluimerde weer in,
Dit slapen zonder zorgen
Was mij een nieuw begin.

En toen ik dan ontwaakte
Vond ik een nieuw gebed
De klank was in mijn oren
Dier hemelse trompet.

Al wat ik u kan zingen,
Het is maar een klein lied.
Wie kleine engelen horen,
Kennen een ander niet.

Ik weet, God zal nog spreken
Met grotere trompet.
De engelen des hemels
Zijn daartoe neergezet.

Maar ik, die de grote trompet niet ken,
Zing met een zalig oor
Naar de kleine trompet wier vreugd ik ken,
En waaraan ik mijn leed verloor.

1926

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

voor

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

VOOR U ALLEEN

't Is zoet te schrijven, als het licht
      Des zomers op mijn handen daalt
      En 't rijm zijn blijde plicht verricht
      En wat mijn hart voelt U verhaalt.

      Mijn handen beven van genot;
      Zij dragen de gewijde schat,
      Die 'k diep in mijne ziele tot
      Nu toe voor elk verborgen had.

      Zij zetten bevend woorden neer
      Tot de avond-late zon verbleekt,
      En woorden glanzen rein en teer
      Als paarlemoer, waar 't licht in breekt.

      En toch, hoe mooi die woorden zijn,
      Die vingen 't licht aan alle kant,
      Zij hebben slechts een zwakke schijn
Van 't licht dat in mijn binnenst brandt,

      Omdat er altijd in het woord
      Iets is, dat is van iedereen,
      En ik wou geven iets dat hoort
      Aan U, voor wie ik leef, alleen.

      Maar toch is 't zoet, wanneer het licht
      Des zomers op mijn handen daalt
      En 't rijm zijn blijde plicht verricht
      En wat het kan vertaalt.

Geschreven door Dora om 19:05 Reageer op dit bericht

heimelijk

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Heimelijk verlangen

Die man lijkt mij godengelijk te wezen,
Die van tegenover gezeten toehoort
Hoe gij vlak nabij in uw zoete stemval
Over en weer praat

En verlangenstekelend lacht, wat noodschiks
In mijn borst het hart mij in angsten opjaagt;
Immers amper zie ik U aan - geen woord meer
Laat zich verklanken,

Maar mijn tong blijft star en gebroken; aanstonds
Onderloopt een sijpelend vuur mijn leden,
Niet meer kan ik zien uit mijn ogen, gonzend
Suizen mijn oren;

't Vocht breekt me alzijds uit, en van top tot tenen
Vangt mij beving, valer dan gras verbleek ik;
Nog een ogenblik, en in alverbijstring
Voel ik mij sterven.

Geschreven door Dora om 22:22 Reageer op dit bericht

starting

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Starting all over again

Niet om de dromen, die ook ik vergeefs heb moeten dromen
en om de woorden niet door mij daaraan verdaan,
noch om de herfst, die over deze landen is gekomen
met slaande regens, nevel, werveling van blaên,
maar om het overnieuw en allengsaan meeslepend stromen
des bloeds, waartegen hier geen weerstand kan bestaan,
ben ik bevreesd om nog eenmaal te worden opgenomen
in deze staat, die harten in evenmaat laat slaan.

Maar 't bonzen van het bloed kent hier geen mededogen
en ook haar handen niet, vervuld van tederheid,
noch hare mond, begeerlijk, warm, bereid,
en onweerstaanbaar als de helle brand der ogen,
die stervelingen noopt tot duurzaam onvermogen
èn hen schatplichtig maakt in alle eeuwigheid.

 

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Lente

Had ik uw adem, Nachtegalen!
Uw zilvertoon,
Langs alle heuvlen, alle dalen,
Zou ik uw smeltend lied herhalen,
Zo vol, zo schoon!

Ik prees die God in mijn gezangen,
Die veld en woud
Weer 't groene kleed heeft omgehangen
Na zoveel maanden van verlangen
Zo blijde aanschouwd.

Ik zou die grote Schepper loven,
Die, ongezien,
Zijn troon gevestigd heeft daar boven,
En wie de bloempjes onzer hoven
Hunne offers biên.

Mijn zangtoon zou des morgens stijgen,
En 's avonds laat.
Met u, zoude ik des nachts niet zwijgen,
Daar 't maantje, glurend door de twijgen
Ons gadeslaat,

En ’t oog dat nimmer wordt gesloten
Dat alles ziet,
De kleine zanger en de grote,
Wier lofgezangen samenvloten,
In gunst bespiedt.

Mijn lied zou vrome zielen treffen,
Daar ’t woorden gaf
Aan wat zij kennen en beseffen,
En logge geesten opwaart heffen
Uit stof en draf.

Ik ware een priester in die tempel,
Die thans alom
Van liefde en almacht toont de stempel —
Nu zink ik zwijgende op de drempel
Van ’t heiligdom.

Dichtwerken III (1876)

Geschreven door Dora om 22:41 1 reactie Reageer op dit bericht

wit

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

Wit hing en stil...

Wit hing en stil de dauw over de weiden. –
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,
Stond, hoog, in ’t west wit licht boven de kim. –
Niets werk’lijks was er meer, niets dan wij beiden.

En op die heuvel, op die bank van ons,
Boven de dauw, zaten we als op een eiland;
En ’t wit doorschijnend licht, het witte weiland
Leek stilte; en de stilte was als dons.

Boven de wereld zaten we; en we schrokken,
Als om ons in besliste vaart een tor
Een kromme draad trok van donker gesnor,
Wegbuigend in dempende nevelvlokken.

Jouw haar, rood in de schem’ring, aaide ik glad:
Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,
En deed mijn handen en mijn lippen branden
Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

laat me

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Laat me, vijver, waar ge ontwaakt

Laat me, vijver, waar ge ontwaakt,
- daar, ten dagerade aan 't rozen,
naar uw nacht de morgen naakt, -
laat mijn aanzicht, week en naakt,
eigen bleekheid tegen blozen.

o, 't En is een scheemlen maar;
maar, in 't stijgend morgen-scheemlen,
zie 'k ten vijver, minder klaar
maar te dieper naar ik staar,
schoonre hemel dan ten heemle...

- Nog van nachtlijk aarzlen bleek,
maar gerézen uit de nachten;
blozend naar 'k me schóner bleek,
- vóor de glore om zelf-betrachten:
laat me staren thans, gedachte,
waar ten vijver, naakt en week,
diepre schoonheids-weelden wachten...

II De gloeiende asch (Boschvoorde 1907 - 1908)

Geschreven door Dora om 22:33 Reageer op dit bericht

huis

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Het verlaten huis

Als in een huis in de onderwereld, waar
De stille vader en het stomme kind
Elkander aanzien - zó zit ik gebukt
Over mijn boeken in dit donk're huis.
En tegenover me aan de tafel zit
Dat stomme kind der sombere gedachte,
Mijn stille weemoed met het bleek gelaat,
Mijn stomme weemoed met het donker oog,
Die niemand ziet dan ik, - maar áls ik opzie,
Dan voel ik dat zij mij heeft aangezien,
Maar 't niet wil weten om die grote smart; -
En als verschrikt buig ik dan weer het hoofd
Achter mijn boeken en ik durf niet spreken
Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg're vreugd.
En als gevoelloos, werk ik al de dag
En zie niet op noch om, omdat ik vrees
De grote smart, die 'k zien zal in dat oog.
Want zij was éens zo schoon, mijn jonge weemoed,
Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden
En vogels spotten met ons jeugdig leed.
Maar weggedoken zit de laatste vogel
Thans in de takken en door de enge spleet
Der halfgesloten blinden valt het licht
Op ons, die treuren in 't verlaten huis. –

Persephone en andere gedichten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

meizang

Een gedicht van Jan van Droogenbroeck 1835-1902

Meizang

Daar komt de blijde lente weer,
Met jong en jeugdig kruid!
Geen ruwe vorst, geen koude meer
De nachtegaal reeds fluit.
De zonne schijnt, het beekje vliet,
De bloemen komen uit,
Het windje wiegelt in het riet
Met aangenaam geluid.

Een aangenaam en zoet geluid
Door gans de velde zwiert;
De leeuwrik spreidt zijn vlerkjes uit
En stijgt en tiereliert;
Het bieken zingt in 't rond en bromt
Dat het de lente viert;
De zwaluw, die van elders komt,
Hier weder ommezwiert.

Nu weer de zwaluw ommezwiert
Waar onze wonen zijn.
Nu weer de schepping hoogtijd viert
In helle zonneschijn.
Hoe blauwe verft de hemel schoon,
Zo blauw als blauw satijn!
Hoe rood de morgenzon haar woon,
Zo rood als karmozijn.

Bij dageraad, als karmozijn,
Druppelt de dauwe neer.
Daar plooit de grijze mistgordijn;
Ontwaakt is 't vooglenheer.
En als daarna het klokje luidt,
Dan kniel ik biddend neer,
En 'k juich: daar is met bloemenkruid
De blijde lente weer.

Makamen en Ghazelen (1866) onder het pseudoniem Jan Ferguut

 

 

Geschreven door Dora om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

vrij

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

SPAARBANK: VRIJ WIJN.

Waar men Gode een tempel wrocht,
Sticht, (het is een vond der helle!)
Sticht de duivel een kapelle,
Of hij zieltjes vangen mocht:
Hier een Spaarbank... daar, Vrij Wijn!
Mannen! zeg: waar moet ge zijn?

Dáar is 't alles pret vandaag,
Hier is 't vreugd van daag en morgen; —
Hier heeft vrouw noch kind zorgen,
Dáar krijgt vrouw en kinderen slaag!
Hier een Spaarbank... dáar, Vrij Wijn!
Vrouwtjes! waar zou 't beste zijn?

Zeven centen borrelgeld,
Als gij 't dagelijks wilt sparen,
Maakt, in vijf en twintig jaren,
Duizend Gulden: wel geteld!
Hier een Spaarbank... daar, vrij Wijn!
Mensen! zeg: waar moet ge zijn?

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:23 Reageer op dit bericht

ontmoeting

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ontmoeting

Onder lichtend vonkgedierte
Komen algen tot bezinking.
Diep is 't stil; langs lange slierten
Wier trekt walm op van ontbinding.

Plots doortrekken van de polen
Alle kringen huiveringen;
Reeds gezonken drenkelingen
Drijven uit hun onderholen

Los en zij bewilligen
In een doodse farandole,
Tot het schip moet stilliggen
Op hun saamgedrongen scholen.

Daar schokt mij herinnrings schrik!
Gij, gehate, kunt hier dolen:
Voor een maand verging uw brik.
'n Kleine golf grijnslacht verholen

Waar uw gelaat verrees.
't Schip kreunt. Ik ril van afschuw.

De spaak waarmee ik afduw
Boort in 't vermolmde vlees,
En 't schip zinkt aan een schaduw
Naar verrotting onderzees.

Eldorado (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

schilderen

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907

SCHILDEREN AAN HET STRAND

Zwart en wit, de tuben uitgeknepen,
Mengt de schilder op het bruin palet;
Voor de jeugd wat ongewone pret,
Nu ze toekijkt, de ogen half genepen!

Ach, dat schilderen heeft men ras begrepen ....
Hier een veegje en ginds een pik, een spet,
Hoedjes, die hij vlug op hoofdjes zet,
Boven boezelaars: witte kronkelstrepen.

Toch, de pink heeft, meent men, groene boorden,
Hij maakt grijze; dan in strik en lis
Hangen kabeltouwen: — hier zijn 't koorden.

Ook de kleur der starren vindt men mis...
Maar het blijven woorden, woorden, woorden
Voor de schilder, die een vreemdeling is!

Gedichten (1910)

schrijver

  

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

het geld

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Het geld is louter slijk

De leerspreuk zegt: het geld is louter slijk;
Maar de praktijk: 't brengt zoden aan de dijk.
De leerspreuk zegt: de wijze alleen is rijk;
De rijke alleen is wijs, zegt de praktijk.
Wie heeft gelijk?

Pepermuntjes (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:03 Reageer op dit bericht

de haan

Een gedicht van Jan van Droogenbroeck  1835-1902

DE HAAN

Ziet gij hem op den mesthoop staan
De fiere haan? 
Zijn staart, - hij schittert als een vlam;
En rood als bloed, - zo is zijn kam.
De lange sporen 
Zijn scherper dan een doren;
Zijne ogen branden in de kop,
Hij zet een krop, 
Als wou hij zeggen: "Pas hier op,
Of: klop!"

Dit zijn zonnestralen (1873)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

huis

Een gedicht van Laurens van der Waals 1885-1968

Het oude huis

Nu zou ik willen slapen in een stille,
Heel donkre kamer diep en dromeloos...
Hoe kan ik slapen, als de maan zo schijnt,
En heel mijn kamer vult met toverglans?
Hoe kan ik slapen in dit felle licht,
Terwijl mijn ziel, ook met de ogen dicht,
Het maanlicht voelt, dat buiten staat en wacht?
Hoe kan ik slapen in zo klaar een nacht,
Terwijl mijn ziel verlangt naar duisternis?

Wie heeft dit oude huis zo vreemd gebouwd,
Dat boven alle woonvertrekken zijn,
De slaapvertrekken in het onderhuis?
Laag zijn de vensters en de ramen slaan
Wijd open in de maanbeglansde nacht.
Waarom is niets gedaan tot veiligheid
Van wie dit huis bewonen?  Waarom zijn
De vensters niet, als 't kelderraam, getralied?

De dwaze bouwer! Zo hij hier gestaan had
In zulk een nacht als deze, bij het raam,
Van waar men, 's nachts niet slapend, onbemerkt
Het slapend watertje bereiken kan,
Hij had het hoofd verborgen in de handen,
Hij had gebeden, vuriglijk gebeden,
Dat nooit een moede, nooit een slapeloze,
Die wonderbare vreugde aanschouwen mocht.

Nieuwe Verzen

 

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

 

EEN LIEDJE VOOR HANSJE

Hij is in 't midden van de mei
Geboren en een dichter zei:
Dit is een kind dat zingen zal,
Dat de mensen 't horen óveral;
0, wat een zeldzaam mei-geval:
Hij is in 't midden van de mei
Geboren.

Hij mag een lelijk mosje zijn
Wie horen wil naar liedjes fijn,
Die zoekt de mooiste vogel niet:
Van de lelijkste vogel is 't mooiste lied;
De mensen horen maar zien hem niet:
Hij is in 't midden van de mei
Geboren.

De mei, dat is het zingenstij;
Mei-kindertjes zijn ik en jij;
En nu zing ik het eerste lied,
Maar zeker zing ik het mooiste niet:
Van Hansje komt bet mooiste lied.
Hij ook is midden in de mei
Geboren.

Verzamelde gedichten (1901)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:07 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten