Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

ontmoeting

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ontmoeting

Onder lichtend vonkgedierte
Komen algen tot bezinking.
Diep is 't stil; langs lange slierten
Wier trekt walm op van ontbinding.

Plots doortrekken van de polen
Alle kringen huiveringen;
Reeds gezonken drenkelingen
Drijven uit hun onderholen

Los en zij bewilligen
In een doodse farandole,
Tot het schip moet stilliggen
Op hun saamgedrongen scholen.

Daar schokt mij herinnrings schrik!
Gij, gehate, kunt hier dolen:
Voor een maand verging uw brik.
'n Kleine golf grijnslacht verholen

Waar uw gelaat verrees.
't Schip kreunt. Ik ril van afschuw.

De spaak waarmee ik afduw
Boort in 't vermolmde vlees,
En 't schip zinkt aan een schaduw
Naar verrotting onderzees.

Eldorado (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

schilderen

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907

SCHILDEREN AAN HET STRAND

Zwart en wit, de tuben uitgeknepen,
Mengt de schilder op het bruin palet;
Voor de jeugd wat ongewone pret,
Nu ze toekijkt, de ogen half genepen!

Ach, dat schilderen heeft men ras begrepen ....
Hier een veegje en ginds een pik, een spet,
Hoedjes, die hij vlug op hoofdjes zet,
Boven boezelaars: witte kronkelstrepen.

Toch, de pink heeft, meent men, groene boorden,
Hij maakt grijze; dan in strik en lis
Hangen kabeltouwen: — hier zijn 't koorden.

Ook de kleur der starren vindt men mis...
Maar het blijven woorden, woorden, woorden
Voor de schilder, die een vreemdeling is!

Gedichten (1910)

schrijver

  

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

het geld

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Het geld is louter slijk

De leerspreuk zegt: het geld is louter slijk;
Maar de praktijk: 't brengt zoden aan de dijk.
De leerspreuk zegt: de wijze alleen is rijk;
De rijke alleen is wijs, zegt de praktijk.
Wie heeft gelijk?

Pepermuntjes (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:03 Reageer op dit bericht

de haan

Een gedicht van Jan van Droogenbroeck  1835-1902

DE HAAN

Ziet gij hem op den mesthoop staan
De fiere haan? 
Zijn staart, - hij schittert als een vlam;
En rood als bloed, - zo is zijn kam.
De lange sporen 
Zijn scherper dan een doren;
Zijne ogen branden in de kop,
Hij zet een krop, 
Als wou hij zeggen: "Pas hier op,
Of: klop!"

Dit zijn zonnestralen (1873)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

huis

Een gedicht van Laurens van der Waals 1885-1968

Het oude huis

Nu zou ik willen slapen in een stille,
Heel donkre kamer diep en dromeloos...
Hoe kan ik slapen, als de maan zo schijnt,
En heel mijn kamer vult met toverglans?
Hoe kan ik slapen in dit felle licht,
Terwijl mijn ziel, ook met de ogen dicht,
Het maanlicht voelt, dat buiten staat en wacht?
Hoe kan ik slapen in zo klaar een nacht,
Terwijl mijn ziel verlangt naar duisternis?

Wie heeft dit oude huis zo vreemd gebouwd,
Dat boven alle woonvertrekken zijn,
De slaapvertrekken in het onderhuis?
Laag zijn de vensters en de ramen slaan
Wijd open in de maanbeglansde nacht.
Waarom is niets gedaan tot veiligheid
Van wie dit huis bewonen?  Waarom zijn
De vensters niet, als 't kelderraam, getralied?

De dwaze bouwer! Zo hij hier gestaan had
In zulk een nacht als deze, bij het raam,
Van waar men, 's nachts niet slapend, onbemerkt
Het slapend watertje bereiken kan,
Hij had het hoofd verborgen in de handen,
Hij had gebeden, vuriglijk gebeden,
Dat nooit een moede, nooit een slapeloze,
Die wonderbare vreugde aanschouwen mocht.

Nieuwe Verzen

 

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

 

EEN LIEDJE VOOR HANSJE

Hij is in 't midden van de mei
Geboren en een dichter zei:
Dit is een kind dat zingen zal,
Dat de mensen 't horen óveral;
0, wat een zeldzaam mei-geval:
Hij is in 't midden van de mei
Geboren.

Hij mag een lelijk mosje zijn
Wie horen wil naar liedjes fijn,
Die zoekt de mooiste vogel niet:
Van de lelijkste vogel is 't mooiste lied;
De mensen horen maar zien hem niet:
Hij is in 't midden van de mei
Geboren.

De mei, dat is het zingenstij;
Mei-kindertjes zijn ik en jij;
En nu zing ik het eerste lied,
Maar zeker zing ik het mooiste niet:
Van Hansje komt bet mooiste lied.
Hij ook is midden in de mei
Geboren.

Verzamelde gedichten (1901)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:07 Reageer op dit bericht

ultra mare

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ultra Mare

Hier is de wereld niets dan waaiend schuim,
De laatste rotsen zijn bedolven
Na de verwekking uit de golven,
Die breken, stuivend in het ruim.

Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten,
Het zwerk is ingezonken en asgrauw.
Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten,
Verlost zijn van verlangen en berouw?

Een eerlijk zeemansgraf (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

wachten

Een gedicht van Helen Swarth 1859-1941

WACHTEN

Héél die morgen stond ik blij te dromen,
Bij de gele roozlaar, op 't balkon.
Koele woudgeur woei van verre bomen,
't Gouden zandveld stuivelde in de zon.

'k Dronk mij zalig aan de zoele aromen.
't Blauw omvloeide me als een weeldebron.
Heden, stralend, zou de liefste komen!
't Ware leven sprookjesmooi begon.

Turend meisje met je azuren ogen,
't Blonde haar doorwoeld van zomerwind,
'k Zoek je alom — Waar ben je heengetogen?

'k Dool, vervreemd, door 't stratenlabyrint.
Wáár bleef 't huis — heeft de aarde 't ingezogen? —
't Huis van jeugd, waar 'k was dat dromenkind?

Morgenrood (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:47 1 reactie Reageer op dit bericht

wereld

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

 

Wat is de Wereld

Er liep een dierken op mijn hand,
Zo kleen, zo bitter kleen!
Hoe was het daar wel aangeland?
Waar wilde en mocht het heen!
't Liep onder, boven, hier en daar,
En 't stropte dikwijls aan een haar,
En 't weerde en 't woelde zich half dood;
Dan riep het eindlijk in zijn nood:
‘Och God! och God! wat is de wereld,
Wat is de wereld toch groot, toch groot!’

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

loverhout

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

DE ISRAËLITISCHE LOVERHOUT.

Wie smalend tot Uw Hutje kwam -
Niet ik, gij Kind van Abraham!
Ik schenk, uit een oprecht gemoed,
De drempel mijne vredegroet!

Gij viert uw Feest en zit getroost,
Te midden van uw talrijk kroost,
In schaduw van uw lovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.
Judea's wijnstok groent hier niet;
Olijf noch vijg teelt ons gebied;
Gij gaardet hier, in rauwer lucht,
Min weeldrig blad, min zoete vrucht;
En toch, gij zit, uw lot getroost,
Te midden van uw talrijk kroost;
Uw Feesthut staat bij ons geplant,
Als eens in 't Palestijnse Land.

Drieduizend malen kwam de zon
Terug, waar zij uw jaar begon,
En nog bouwt gij uw lovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.

Jeruzalem ligt diep verneêrd;
Des Tempels grondslag omgekeerd;
Verduisterd blijft die gloriedag,
Toen Isel beider grootheid zag;
Maar eeuwig jong herrijst uw t e n t,
Bij aller volken tal gekend;
Zo vaak de schaal, aan 's hemels boog,
Der dagen maat weer effen woog.

W i  j - tasten rond, in 't ongewiss';
Op o n z e  wieg ligt duisternis;
De stond, dat ons Gods wil hier bracht,
Bleef ongevierd; werd niet gedacht!

Maar U heugt, dertig eeuwen door,
Dat u Jehova uitverkoor;
Dat, als 't geweld u vluchten deed,
Een reddend spoor het diep doorsneed;
Dat, zonder huisdak, levenslang,
Uw schaar zwierf, op haar kronkelgang;
Waar Vuur- en Rookzuil voor haar toog,
En 't Man haar spijsde van omhoog.
G i j viert het, tot op deze tijd,
Dat zo Gods arm u heeft bevrijd.

Dies breng ik, met oprecht gemoed,
Uw Hutje mijne vredegroet.
Wie smalend tot de drempel kwam;
Niet ik, gij Kind van Abraham!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

moederschap

Een gedicht van Barend Klijn 1774-1929

Moederschap

Aan mijn moeder

Wie toch is er op deze aarde die meer recht heeft op mijn dank?
Wie behoort mijn eerst gevoelen en mijn eerste citerklank?
Wie toch zal mij niet versmaden, noch de wrevel in zich voên,
schoon ik van ontelbre schatten
slechts een penning af kan doen?

Wie dan gij, mijn lieve moeder! heeft meer schuldbewijs op mij?
Maar wie is er meer inschikklijk en zo ras voldaan als gij?
Daarom wijd ik u deez' zangen - doch het kinderlijk gemoed
voelt wel dat dit nietig kleinood nooit de heilige schuld voldoet;
't voelt wel dat geen vloed van woorden
moederlijke trouw vergeldt;
maar het voelt toch dat uw liefde in deez' zangen waarde stelt.

Ja! die liefde was de bronwel waaruit al mijn vreugde vloot;
was de grond waaruit voor 't harte
menig eedle vrucht ontsproot;
was de groeikracht die mijn leven
met haar sappen heeft doorvoed
en het thans nog blijft verkwikken,
en niet werkloos kwijnen doet.

Dit herdenken, dit gevoelen is voor mij de schoonste plicht;
't lenigt mij des levens kwelling, 't maakt mij elke onspoed licht;
't strooit nog bloemen langs het voetpad
'twelk ik vaak met smart betree
en vertroost nog als mij 't lijden
kluistert aan mijn legerstee.

Neem dan met een hart vol liefde 't needrig kinderoffer aan!
Laat een oog van welgevallen over deze blaadren gaan!
Lees en vind daarin het goede 'twelk gij mij hebt ingeprent,
én duld dat mijn hart hier dankbaar,
openlijk uw liefde erkent!

Gedichten (1815 - 1819)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Landelijke liefde III

Het regende in de avond, zacht en tergend.
Overgebleven bloesems bezwijmden.
Wij gingen samen, verlangens verbergend
Nog niet beleden, niet meer geheim,

Los van elkander, toch gedurig
Toenaadring zoekend - uit de wijde
Onzekerheid ontstond geen vurige
Plotslinge ontroering die ons bevrijdde;

Ingenomen bij 't gaan in de nevel
Door een vege betovering
Die onvervuld bleef en overging
In een verzwegen, verbeten wrevel.

't Was of angstwekkend snel en schril
Liefde in onze zielen dorde.
Zij nam haastig afscheid, dacht: ‘Ik wil
Liever nog niet gelukkig worden.’

Nu is het te laat, waarom toen niet door
Onverhoeds aanrakende monden
En armen om bevende schouders gewonden
't Geluk ontbonden, nu voorgoed teloor?

Saturnus (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Landelijke liefde II

Op de golven vindt de zon verstrooiing,
Langs basaltblokken en sloepen voor
Anker trekt de vloed een vage voor,
Zacht schuim spoelt tegen de stenen glooiing.

Achter moerbeiboomen ligt haar huis,
Een hardstenen, hoogbegroeide hoeve.
Door de moestuin naar de lage oever
Daalt een pad van blinkend schelpengruis.

In de gevelspits heeft zij haar kamer:
Schuins verloopt de zware bruine balk
Naar een muur van schilferende kalk.
Kamerrozen staan voor beide ramen.

'k Weet haar levenswijs: namiddags laat
Ligt zij stil in de omsloten zwoelte
En geniet zich in ontblote koelte,
Of verwisselt langzaam van gewaad.

Ik hoor tonen, ver, als door een kier;
Zit ze niet van Sylvia te zingen
Met die stem van herfst en schemeringen
Voor het langzaam en ontstemd klavier?

Wonder zou dit zijn: haar weer bezoeken,
'n Andre, of de vroegre weer te vinden:
Grillig droef of innig onverschillig.
Nam ze 't leven, wacht ze nog gewillig?
Ik zal het geluk maar liever zoeken
Achter de einder, in de verte, in den blinde.

Saturnus (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Landelijke Liefde I

Wij stonden gebogen over de vliet;
Daaronder leken onze gezichten
Ziende uit een toekomst, toen een lichte
Rimpeling ons glimlachen liet:

Ons spiegelend zoals wij niet
Meer konden zijn. Nooit meer? Ik vroeg haar:
‘Laat alles worden zoals vroeger.’
Zij gaf geen antwoord. Haar voetje stiet

Een steen in 't water en terstond
Verdwenen we. Zo was het altijd:
Verschijnen, verdwijnen, weerzien, afscheid,
Zoeken in elkaars ogen en mond.

Een zoen, niet bij machte kortstondige weelde
Te geven, die alleen het voorgevoel
Van het wellicht voor 't laatst te doen
Een zekere ernstige wellust verleende.

Saturnus (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

aan zee

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

AAN ZEE

0 voorjaarszee, de hyacinthe,
Dit strand, het zuidlijk warm getinte, 
Hier moesten Griekse vrouwen gaan, 
Diepzingende op de cimbels slaan, 
En roepen of het kindje kwam,
Druifpurper op een brandingskam, 
Herboren Dionysos,
Die lente brengt naar Argos.

Zij wisten, wachtend voor het water,
Haar vreugd van nu, haar dorst naar later,       
Haar smachten naar bevrediging
Een vorm te geven, lieveling
En god, die aan haar moederhanden
Naakt in zijn wiegje wilde stranden. 
Ik kan het beeld niet vinden,
Om mijn verlangst te binden.

Leeg strek ik de armen - dampen dekken, 
Blozend en dicht als rozenhekken, 
De poorten van de horizon; 
Daarachter welt wellicht de bron, 
Waaruit de wonderen ontspringen, 
Die aan mijn kloppend hartedringen 
De klare vrede geven
Van hun ontraadseld leven.

Is het een vrucht, zijn 't vreemde bloemen, 
Een zucht waarin de bijen zoemen? 
Of, van Cythera losgewoeld,
Een eiland, dat naar hier gespoeld, 
Het gloeien zijner lustpriëlen
In weerschijn op de zee doet spelen, 
En vol van vogelstemmen
Groen naar de kust komt zwemmen?

Of roeien uit de mist meerminnen 
Haar peerlend lijf op koele vinnen?
Of blijft mijn wens gestalteloos,        
Iets zilts, jets zonnigs, mateloos
In alle ruimten uitgegoten,
En hoef ik enkel mij te ontbloten,        
Mijn borst en mijn verlangen,
Om deze schat te ontvangen?

Herscheppingen (1911 - 1916)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:13 1 reactie Reageer op dit bericht

bruid

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

De bruid zegt:

Hoe wordt mijn lippe week
van honig-smaak?
– ’t Is of ‘k met tanden-reek
uw tanden raak...

Hoe zijn uw ogen klaar
van vreemde schijn!
‘k Zie er me lévens-waar
spíeglend in zijn...

‘k Hou mijne leden, als
ware ik beschaamd…
– Uw adem, om mijn hals,
die zoelig aêmt...

- Is het een lente-gloed
die door me gaat?
Hoe toch uw strak gelaat
me rillen doet...

…’k Voel me zo vreemd, – zo vreemd
bevángen zijn…
Uw stille stemme fleemt
als zoete wijn.

Stille zangen

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

redding

Een gedicht van Barend Klijn 1774-1829

Redding

Redding! zaligend verblijden!
Redding! zegen van het lijden,
die de borst van vreugd doet slaan;
door uw diepe zielontroering,
door uw zalig hartontsnoering
roepen wij met geestvervoering:
‘Wat God doet, is welgedaan!’

Redding! wellust na de smarte!
O hoe schokt gij thans ons harte,
en ontwringt ons traan bij traan!
Al dat eindloos zielverschrikken
schijnt thans 't leed van ogenblikken,
wordt de bron van 't hoogst verkwikken:
‘Wat God doet, is welgedaan!’

Ja, de gruwlen zijn gewroken;
de aard, niet meer in 't stof gedoken,
ziet verrukt de hemel aan;
hoort de jubeltonen schallen;
naast hun honderdduizendtallen
moest geweld en heerszucht vallen;
‘Wat God doet, is welgedaan!’

Plekje gronds ons allen heilig!
Plekje gronds waar eenmaal veilig
wieg en bakermat mocht staan!
Vaderland! uw gruweldagen,
al uw jammren, al uw plagen
zag gij van uw bodem vagen...
‘Wat God doet, is welgedaan!’

Vaders! Moeders! al uw wenen,
al uw zielangst is verdwenen,
dankend ziet ge uw kroost weer aan;
in uw tranen, angst en zorgen,
aangegroeid bij ieder morgen,
lag wat u thans streelt verborgen;
‘Wat God doet, is welgedaan!’

In de losgebarsten stormen,
in hun aarde en lucht misvormen
lacht ons nieuwe leefkracht aan;
't vruchtbaar veld eist moeilijk ploegen;
zielrust volgt het drukkend zwoegen;
uit de vrees ontkiemt genoegen;
‘Wat Goed doet, is welgedaan!’

Ja, mijn vrienden! wat in 't leven
ons doet hopen, ons doet beven,
of ons moedloos stil doet staan;
hoe gedrukt door 't naar ontberen,
of verblijd om 't lot verkeren,
altoos zal ons de uitkomst leren:
‘Wat God doet, is welgedaan!’

schrijver

Geschreven door Dora om 22:11 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Jan Luyken 1649-1712

Op 't hoogste van de nacht

Op 't hoogste van de nacht, na 't zinken en voor 't krieken
Des dageraads, wanneer de slaap die 't al verblindt,
Met Mankop om de kruin drijft op zijn vale wieken,
En d' ijdle dromen, door een fluisterende wind
Ten olm-boom uitgejaagd,
Door al de wereld vliegen,
Om al wat hersens draagt,
Met schaduw te bedriegen,
Met list te domplen in een treur- of vreugde-stroom,
Toen viel mijn geest te beurt deze allerschoonste droom.

Mijn Laura, die ik min, kwam in mijn slaapzaal treden,
Met liefelijk gelaat en moedernaakte leên,
Een kleedje alleen bedekte haar heupen naar beneden,
't Hing al van melk en bloed en maagdenwas aaneen:
Een windje op haar verliefd,
Ten venster ingeslopen,
Bedreef een stoute dieft
En spreidde 't kleedje open,
Daar zag men dat een mens, hoe koud, zette in een vlam:
Men zegt, dat Venus zo weleer ten oordeel kwam.

Zij naderde mijn koets; wat hart was niet bewogen
Geworden, door zo schone en goddelijk een zwier?
De liefde bliksemde uit haar bruine en draaiende ogen
En zette al de zaal in lichte vlam en vier;
Zij lachte en greep mijn hand,
Mijn boezem sloeg aan 't beven;
't Hart zwoegde door de brand;
Ik zwijmde en blies het leven
Op rozenlippen uit; maar och! hoe onverwacht,
Vond ik mij toen gewaakt in ene donkre nacht!

Duytse lier (1671)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

kom

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Kom, lieve mei.

Kom lieve lente, tover
de bomen weder groen,
dan kan ik, onder 't lover,
een wandelingske doen.

Laat weer aan 't beekje groeien
de kleine violet,
ik zie zo geerne bloeien
wat zedig is en net.

't Is waar, de winterdagen
verschaffen ook plezier,
men kan door 't ijs dan jagen
in tomeloze zwier.

Maar de arme mensen strijden
zo fel met hongerpijn,
waar mijne broeders lijden
kan ik niet lustig zijn.

Doch 't geen mij meest doet treuren
is Liza's droefenis,
ze smacht naar 't bloemengeuren
gelijk de snoek naar vis.

Nu zit zij op haar bankske
als 't hoentje op zijn ei;
ik kus haar blozend wangske
en spreek haar van de mei.

De mei, die bloem en lover,
verspreidt door 't kale land,
die als een vogelrover
zijn wondernetten spant,

die lokt met gulle zangen
en streelt met zoele wind,
om 't jonge hert te vangen,
dat hij vol liefde vindt.

O, schone mei wil komen,
wil komen, schone mei!
dan kan mijn Liza dromen
zo zalig in de wei.

En breng ook met u mede
het honigzoet jolijt,
geluk, en spijs en vrede
voor al wie hier nog lijdt.

Gedichten 1861-62 (1863)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Kind met het bleek gelaat

Kind met het bleek gelaat, dat van uw wijde blikken
geen liefde in mat gebaar noch in lede ogen ziet,
maar in uw zedig kleed uw knieën weet te schikken
zó, dat me te elken male een laaie drift doorschiet:

gij zult het nimmer aan mijn vrome woorden weten
hoe mijn begeren om uw kleren dolen dorst;
maar ìk draag in me-zelf de wonde, zelf gereten,
waarvan de koortse rilt en davert door mijn borst.

Want 'k heb de straffe zélf in 't lillend vlees geslagen;
ik heb een spijt'ge spot gehamerd in mijn brein...
- Gij echter, ga voorbij, arm kind, en zónder vragen:
ik haat u om dees geert', die 'k minne om deze pijn...

De modderen man (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:20 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten