op
Een gedicht van Petrus Kasteleijn 1746-1794
OP TWEE PAAR JONGGETROUWDEN
Wie zal mij verklaren,
Wie van dees twee paren
't Meest is in de nood?
't Rijke heeft geen liefde,
't Arme paar geen brood.
Oorspronkelijke digtwerken (1873)
opEen gedicht van Petrus Kasteleijn 1746-1794
Wie zal mij verklaren,
Wie van dees twee paren
't Meest is in de nood?
't Rijke heeft geen liefde,
't Arme paar geen brood.
Oorspronkelijke digtwerken (1873)
meizangEen gedicht van Jan van Droogenbroeck 1835-1902
Meizang
Daar komt de blijde lente weer,
Met jong en jeugdig kruid!
Geen ruwe vorst, geen koude meer
De nachtegaal reeds fluit.
De zonne schijnt, het beekje vliet,
De bloemen komen uit,
Het windje wiegelt in het riet
Met aangenaam geluid.
Een aangenaam en zoet geluid
Door gans de velde zwiert;
De leeuwrik spreidt zijn vlerkjes uit
En stijgt en tiereliert;
Het bieken zingt in 't rond en bromt
Dat het de lente viert;
De zwaluw, die van elders komt,
Hier weder ommezwiert.
Nu weer de zwaluw ommezwiert
Waar onze wonen zijn.
Nu weer de schepping hoogtijd viert
In helle zonneschijn.
Hoe blauwe verft de hemel schoon,
Zo blauw als blauw satijn!
Hoe rood de morgenzon haar woon,
Zo rood als karmozijn.
Bij dageraad, als karmozijn,
Druppelt de dauwe neer.
Daar plooit de grijze mistgordijn;
Ontwaakt is 't vooglenheer.
En als daarna het klokje luidt,
Dan kniel ik biddend neer,
En 'k juich: daar is met bloemenkruid
De blijde lente weer.
Makamen en Ghazelen (1866) onder het pseudoniem Jan Ferguut
vrij
Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876
Waar men Gode een tempel wrocht,
Sticht, (het is een vond der helle!)
Sticht de duivel een kapelle,
Of hij zieltjes vangen mocht:
Hier een Spaarbank... daar, Vrij Wijn!
Mannen! zeg: waar moet ge zijn?
Dáar is 't alles pret vandaag,
Hier is 't vreugd van daag en morgen; —
Hier heeft vrouw noch kind zorgen,
Dáar krijgt vrouw en kinderen slaag!
Hier een Spaarbank... dáar, Vrij Wijn!
Vrouwtjes! waar zou 't beste zijn?
Zeven centen borrelgeld,
Als gij 't dagelijks wilt sparen,
Maakt, in vijf en twintig jaren,
Duizend Gulden: wel geteld!
Hier een Spaarbank... daar, vrij Wijn!
Mensen! zeg: waar moet ge zijn?
Al de volksdichten (1865)

ontmoeting
Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936
Onder lichtend vonkgedierte
Komen algen tot bezinking.
Diep is 't stil; langs lange slierten
Wier trekt walm op van ontbinding.
Plots doortrekken van de polen
Alle kringen huiveringen;
Reeds gezonken drenkelingen
Drijven uit hun onderholen
Los en zij bewilligen
In een doodse farandole,
Tot het schip moet stilliggen
Op hun saamgedrongen scholen.
Daar schokt mij herinnrings schrik!
Gij, gehate, kunt hier dolen:
Voor een maand verging uw brik.
'n Kleine golf grijnslacht verholen
Waar uw gelaat verrees.
't Schip kreunt. Ik ril van afschuw.
De spaak waarmee ik afduw
Boort in 't vermolmde vlees,
En 't schip zinkt aan een schaduw
Naar verrotting onderzees.
Eldorado (1928)

schilderen
Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907
Zwart en wit, de tuben uitgeknepen,
Mengt de schilder op het bruin palet;
Voor de jeugd wat ongewone pret,
Nu ze toekijkt, de ogen half genepen!
Ach, dat schilderen heeft men ras begrepen ....
Hier een veegje en ginds een pik, een spet,
Hoedjes, die hij vlug op hoofdjes zet,
Boven boezelaars: witte kronkelstrepen.
Toch, de pink heeft, meent men, groene boorden,
Hij maakt grijze; dan in strik en lis
Hangen kabeltouwen: — hier zijn 't koorden.
Ook de kleur der starren vindt men mis...
Maar het blijven woorden, woorden, woorden
Voor de schilder, die een vreemdeling is!
Gedichten (1910)

het geld
Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915
Het geld is louter slijk
De leerspreuk zegt: het geld is louter slijk;
Maar de praktijk: 't brengt zoden aan de dijk.
De leerspreuk zegt: de wijze alleen is rijk;
De rijke alleen is wijs, zegt de praktijk.
Wie heeft gelijk?
Pepermuntjes (1888)

de haan
Een gedicht van Jan van Droogenbroeck 1835-1902
Ziet gij hem op den mesthoop staan
De fiere haan?
Zijn staart, - hij schittert als een vlam;
En rood als bloed, - zo is zijn kam.
De lange sporen
Zijn scherper dan een doren;
Zijne ogen branden in de kop,
Hij zet een krop,
Als wou hij zeggen: "Pas hier op,
Of: klop!"
Dit zijn zonnestralen (1873)

huisEen gedicht van Laurens van der Waals 1885-1968
Nu zou ik willen slapen in een stille,
Heel donkre kamer diep en dromeloos...
Hoe kan ik slapen, als de maan zo schijnt,
En heel mijn kamer vult met toverglans?
Hoe kan ik slapen in dit felle licht,
Terwijl mijn ziel, ook met de ogen dicht,
Het maanlicht voelt, dat buiten staat en wacht?
Hoe kan ik slapen in zo klaar een nacht,
Terwijl mijn ziel verlangt naar duisternis?
Wie heeft dit oude huis zo vreemd gebouwd,
Dat boven alle woonvertrekken zijn,
De slaapvertrekken in het onderhuis?
Laag zijn de vensters en de ramen slaan
Wijd open in de maanbeglansde nacht.
Waarom is niets gedaan tot veiligheid
Van wie dit huis bewonen? Waarom zijn
De vensters niet, als 't kelderraam, getralied?
De dwaze bouwer! Zo hij hier gestaan had
In zulk een nacht als deze, bij het raam,
Van waar men, 's nachts niet slapend, onbemerkt
Het slapend watertje bereiken kan,
Hij had het hoofd verborgen in de handen,
Hij had gebeden, vuriglijk gebeden,
Dat nooit een moede, nooit een slapeloze,
Die wonderbare vreugde aanschouwen mocht.
Nieuwe Verzen
liedje
Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936
Hij is in 't midden van de mei
Geboren en een dichter zei:
Dit is een kind dat zingen zal,
Dat de mensen 't horen óveral;
0, wat een zeldzaam mei-geval:
Hij is in 't midden van de mei
Geboren.
Hij mag een lelijk mosje zijn
Wie horen wil naar liedjes fijn,
Die zoekt de mooiste vogel niet:
Van de lelijkste vogel is 't mooiste lied;
De mensen horen maar zien hem niet:
Hij is in 't midden van de mei
Geboren.
De mei, dat is het zingenstij;
Mei-kindertjes zijn ik en jij;
En nu zing ik het eerste lied,
Maar zeker zing ik het mooiste niet:
Van Hansje komt bet mooiste lied.
Hij ook is midden in de mei
Geboren.
Verzamelde gedichten (1901)

ultra mare
Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936
Hier is de wereld niets dan waaiend schuim,
De laatste rotsen zijn bedolven
Na de verwekking uit de golven,
Die breken, stuivend in het ruim.
Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten,
Het zwerk is ingezonken en asgrauw.
Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten,
Verlost zijn van verlangen en berouw?
Een eerlijk zeemansgraf (1936)

wachten
Een gedicht van Helen Swarth 1859-1941
Héél die morgen stond ik blij te dromen,
Bij de gele roozlaar, op 't balkon.
Koele woudgeur woei van verre bomen,
't Gouden zandveld stuivelde in de zon.
'k Dronk mij zalig aan de zoele aromen.
't Blauw omvloeide me als een weeldebron.
Heden, stralend, zou de liefste komen!
't Ware leven sprookjesmooi begon.
Turend meisje met je azuren ogen,
't Blonde haar doorwoeld van zomerwind,
'k Zoek je alom — Waar ben je heengetogen?
'k Dool, vervreemd, door 't stratenlabyrint.
Wáár bleef 't huis — heeft de aarde 't ingezogen? —
't Huis van jeugd, waar 'k was dat dromenkind?
Morgenrood (1929)

wereld
Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907
Er liep een dierken op mijn hand,
Zo kleen, zo bitter kleen!
Hoe was het daar wel aangeland?
Waar wilde en mocht het heen!
't Liep onder, boven, hier en daar,
En 't stropte dikwijls aan een haar,
En 't weerde en 't woelde zich half dood;
Dan riep het eindlijk in zijn nood:
‘Och God! och God! wat is de wereld,
Wat is de wereld toch groot, toch groot!’
Uit het hart! (1874)

loverhout
Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840
DE ISRAËLITISCHE LOVERHOUT.
Wie smalend tot Uw Hutje kwam -
Niet ik, gij Kind van Abraham!
Ik schenk, uit een oprecht gemoed,
De drempel mijne vredegroet!
Gij viert uw Feest en zit getroost,
Te midden van uw talrijk kroost,
In schaduw van uw lovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.
Judea's wijnstok groent hier niet;
Olijf noch vijg teelt ons gebied;
Gij gaardet hier, in rauwer lucht,
Min weeldrig blad, min zoete vrucht;
En toch, gij zit, uw lot getroost,
Te midden van uw talrijk kroost;
Uw Feesthut staat bij ons geplant,
Als eens in 't Palestijnse Land.
Drieduizend malen kwam de zon
Terug, waar zij uw jaar begon,
En nog bouwt gij uw lovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.
Jeruzalem ligt diep verneêrd;
Des Tempels grondslag omgekeerd;
Verduisterd blijft die gloriedag,
Toen Isel beider grootheid zag;
Maar eeuwig jong herrijst uw t e n t,
Bij aller volken tal gekend;
Zo vaak de schaal, aan 's hemels boog,
Der dagen maat weer effen woog.
W i j - tasten rond, in 't ongewiss';
Op o n z e wieg ligt duisternis;
De stond, dat ons Gods wil hier bracht,
Bleef ongevierd; werd niet gedacht!
Maar U heugt, dertig eeuwen door,
Dat u Jehova uitverkoor;
Dat, als 't geweld u vluchten deed,
Een reddend spoor het diep doorsneed;
Dat, zonder huisdak, levenslang,
Uw schaar zwierf, op haar kronkelgang;
Waar Vuur- en Rookzuil voor haar toog,
En 't Man haar spijsde van omhoog.
G i j viert het, tot op deze tijd,
Dat zo Gods arm u heeft bevrijd.
Dies breng ik, met oprecht gemoed,
Uw Hutje mijne vredegroet.
Wie smalend tot de drempel kwam;
Niet ik, gij Kind van Abraham!

moederschap
Een gedicht van Barend Klijn 1774-1929
Aan mijn moeder
Wie toch is er op deze aarde die meer recht heeft op mijn dank?
Wie behoort mijn eerst gevoelen en mijn eerste citerklank?
Wie toch zal mij niet versmaden, noch de wrevel in zich voên,
schoon ik van ontelbre schatten
slechts een penning af kan doen?
Wie dan gij, mijn lieve moeder! heeft meer schuldbewijs op mij?
Maar wie is er meer inschikklijk en zo ras voldaan als gij?
Daarom wijd ik u deez' zangen - doch het kinderlijk gemoed
voelt wel dat dit nietig kleinood nooit de heilige schuld voldoet;
't voelt wel dat geen vloed van woorden
moederlijke trouw vergeldt;
maar het voelt toch dat uw liefde in deez' zangen waarde stelt.
Ja! die liefde was de bronwel waaruit al mijn vreugde vloot;
was de grond waaruit voor 't harte
menig eedle vrucht ontsproot;
was de groeikracht die mijn leven
met haar sappen heeft doorvoed
en het thans nog blijft verkwikken,
en niet werkloos kwijnen doet.
Dit herdenken, dit gevoelen is voor mij de schoonste plicht;
't lenigt mij des levens kwelling, 't maakt mij elke onspoed licht;
't strooit nog bloemen langs het voetpad
'twelk ik vaak met smart betree
en vertroost nog als mij 't lijden
kluistert aan mijn legerstee.
Neem dan met een hart vol liefde 't needrig kinderoffer aan!
Laat een oog van welgevallen over deze blaadren gaan!
Lees en vind daarin het goede 'twelk gij mij hebt ingeprent,
én duld dat mijn hart hier dankbaar,
openlijk uw liefde erkent!
Gedichten (1815 - 1819)

liefde
Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936
Het regende in de avond, zacht en tergend.
Overgebleven bloesems bezwijmden.
Wij gingen samen, verlangens verbergend
Nog niet beleden, niet meer geheim,
Los van elkander, toch gedurig
Toenaadring zoekend - uit de wijde
Onzekerheid ontstond geen vurige
Plotslinge ontroering die ons bevrijdde;
Ingenomen bij 't gaan in de nevel
Door een vege betovering
Die onvervuld bleef en overging
In een verzwegen, verbeten wrevel.
't Was of angstwekkend snel en schril
Liefde in onze zielen dorde.
Zij nam haastig afscheid, dacht: ‘Ik wil
Liever nog niet gelukkig worden.’
Nu is het te laat, waarom toen niet door
Onverhoeds aanrakende monden
En armen om bevende schouders gewonden
't Geluk ontbonden, nu voorgoed teloor?
Saturnus (1930)

liefde
Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936
Op de golven vindt de zon verstrooiing,
Langs basaltblokken en sloepen voor
Anker trekt de vloed een vage voor,
Zacht schuim spoelt tegen de stenen glooiing.
Achter moerbeiboomen ligt haar huis,
Een hardstenen, hoogbegroeide hoeve.
Door de moestuin naar de lage oever
Daalt een pad van blinkend schelpengruis.
In de gevelspits heeft zij haar kamer:
Schuins verloopt de zware bruine balk
Naar een muur van schilferende kalk.
Kamerrozen staan voor beide ramen.
'k Weet haar levenswijs: namiddags laat
Ligt zij stil in de omsloten zwoelte
En geniet zich in ontblote koelte,
Of verwisselt langzaam van gewaad.
Ik hoor tonen, ver, als door een kier;
Zit ze niet van Sylvia te zingen
Met die stem van herfst en schemeringen
Voor het langzaam en ontstemd klavier?
Wonder zou dit zijn: haar weer bezoeken,
'n Andre, of de vroegre weer te vinden:
Grillig droef of innig onverschillig.
Nam ze 't leven, wacht ze nog gewillig?
Ik zal het geluk maar liever zoeken
Achter de einder, in de verte, in den blinde.
Saturnus (1930)

liefde
Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936
Wij stonden gebogen over de vliet;
Daaronder leken onze gezichten
Ziende uit een toekomst, toen een lichte
Rimpeling ons glimlachen liet:
Ons spiegelend zoals wij niet
Meer konden zijn. Nooit meer? Ik vroeg haar:
‘Laat alles worden zoals vroeger.’
Zij gaf geen antwoord. Haar voetje stiet
Een steen in 't water en terstond
Verdwenen we. Zo was het altijd:
Verschijnen, verdwijnen, weerzien, afscheid,
Zoeken in elkaars ogen en mond.
Een zoen, niet bij machte kortstondige weelde
Te geven, die alleen het voorgevoel
Van het wellicht voor 't laatst te doen
Een zekere ernstige wellust verleende.
Saturnus (1930)

aan zee
Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

bruid
Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
Hoe wordt mijn lippe week
van honig-smaak?
– ’t Is of ‘k met tanden-reek
uw tanden raak...
Hoe zijn uw ogen klaar
van vreemde schijn!
‘k Zie er me lévens-waar
spíeglend in zijn...
‘k Hou mijne leden, als
ware ik beschaamd…
– Uw adem, om mijn hals,
die zoelig aêmt...
- Is het een lente-gloed
die door me gaat?
Hoe toch uw strak gelaat
me rillen doet...
…’k Voel me zo vreemd, – zo vreemd
bevángen zijn…
Uw stille stemme fleemt
als zoete wijn.
Stille zangen

redding
Een gedicht van Barend Klijn 1774-1829
Redding! zaligend verblijden!
Redding! zegen van het lijden,
die de borst van vreugd doet slaan;
door uw diepe zielontroering,
door uw zalig hartontsnoering
roepen wij met geestvervoering:
‘Wat God doet, is welgedaan!’
Redding! wellust na de smarte!
O hoe schokt gij thans ons harte,
en ontwringt ons traan bij traan!
Al dat eindloos zielverschrikken
schijnt thans 't leed van ogenblikken,
wordt de bron van 't hoogst verkwikken:
‘Wat God doet, is welgedaan!’
Ja, de gruwlen zijn gewroken;
de aard, niet meer in 't stof gedoken,
ziet verrukt de hemel aan;
hoort de jubeltonen schallen;
naast hun honderdduizendtallen
moest geweld en heerszucht vallen;
‘Wat God doet, is welgedaan!’
Plekje gronds ons allen heilig!
Plekje gronds waar eenmaal veilig
wieg en bakermat mocht staan!
Vaderland! uw gruweldagen,
al uw jammren, al uw plagen
zag gij van uw bodem vagen...
‘Wat God doet, is welgedaan!’
Vaders! Moeders! al uw wenen,
al uw zielangst is verdwenen,
dankend ziet ge uw kroost weer aan;
in uw tranen, angst en zorgen,
aangegroeid bij ieder morgen,
lag wat u thans streelt verborgen;
‘Wat God doet, is welgedaan!’
In de losgebarsten stormen,
in hun aarde en lucht misvormen
lacht ons nieuwe leefkracht aan;
't vruchtbaar veld eist moeilijk ploegen;
zielrust volgt het drukkend zwoegen;
uit de vrees ontkiemt genoegen;
‘Wat Goed doet, is welgedaan!’
Ja, mijn vrienden! wat in 't leven
ons doet hopen, ons doet beven,
of ons moedloos stil doet staan;
hoe gedrukt door 't naar ontberen,
of verblijd om 't lot verkeren,
altoos zal ons de uitkomst leren:
‘Wat God doet, is welgedaan!’
