Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

ik

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

IK BEN GEEN VADER EN IK HÈB GEEN ZOON

Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon.
Niets dan een sage is zijn zacht bestaan.
Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan
In grootte en glans en werd volwassen-schoon.

Nevens mij, glorieus en monotoon,
Verging de kringloop van zijn kort bestaan.
Mijn hand is strelend door zijn haar gegaan
En langs het kloppend halsje van mijn zoon.

Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel.
Ik ken alleen de klare periode
Van bloei die boven mijne schouder rees.
Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel.

God weet, wij hebben soms een droom van node,
Maar doodsbedroefd is die de droom ontrees.

-----------------------------------------------
eerste gedicht uit de cyclus: De gedroomde zoon

Geschreven door Dora om 16:58 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

muggendans

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenburg 1808-1869

De muggendans

Waar 't voetpad langs de heining vlucht
Door beemd en weide heen,
Daar zit ik soms in de avondlucht
Gans stillekens alleen.

De krekels zingen daar in 't gras
Hun allerschelste toon,
De muggen vinden wis de bas
Dier zangren wonderschoon.

Zij draaien, zwaaien blij vergaard
In 't dalend hemellicht,
Zij ruisen, kruisen dicht geschaard
Voor mijn verrukt gezicht.

En blijdschap hier, en vreugde daar,
Men ziet het iedre dag;
Des stem ik nimmer de eigen snaar
Op somber wee en ach.

En zingt en springt in 't zoel getij
De krekel en de mug,
Krioelt en woelt de schepping blij,
Dan blijf ik niet terug;

Dan vest ik buiten mijne woon
In 's hemels bloemenhal,
Dan zing ik ook mijn schelste toon
Door 't eenzaam vreugdedal.

Geschreven door Dora om 22:17 1 reactie Reageer op dit bericht

thuisreis

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Op de thuisreis

In het stergedoofde Zuiden,
In het vroeg ondiepe licht
Bleekt een grote wassen maan,
Als een droom niet meer te duiden,
Een verduisterd zielsgezicht
Door de dagen met ons gaan.

Naar het Oosten reikt mijn reizen,
Waar de diepe horizon
Achter donkre heuvlen brandt:
Van hun toppen zie ik rijzen
Straks de stille gouden zon
Over 't onbegrensde land.

Weinig lange weken straalden
Zon en maan voor oog en voet
Vreemde paden schoon en licht -
Nimmer week wat rees of daalde,
Aan de kimmen van 't gemoed
Weerglans van uw aangezicht.

Eer een tweede zon zal stijgen,
Nacht de komst der maan vermoedt,
De eerste ster door 't donker bloedt,
Zien mijn ogen weer ziels eigen
Vaste zon, uw oog doorgloed
Van het licht dat ebt noch vloedt!

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

sterkste

Een gedicht van J.J.A. Gouverneuer 1809-1898

 

Het sterkste

Sterk is-wie zal het tegenspreken?
De Steen; doch ’t IJzer kan hem breken.

Sterk is het Ijzer; maar het zwicht
Toch voor de laaie Vuurgloed licht.

Sterk is het Vuur; doch ’t moet bezwijken
En voor de kracht des Waters wijken.

Sterk is het Water; maar, hoe sterk,
De Wolken trekken ’t op in ’t zwerk.

Sterk zijn de Wolken; doch de vlagen
Des Stormwinds kunnen haar verjagen.

Sterk is de Storm; maar hoe hij woed’,
De Man spot met zijn overmoed.

Sterk is de Man; die wonderwerker;
Maar toch is vaak de Wijn nog sterker.

Sterk is de Wijn; maar, hoe vol kracht,
De Slaap verwint hem door zijn macht.

Dus moogt ge op Sterkte u niet verheffen;
Iets anders kan u overtreffen.

Geschreven door Dora om 23:20 Reageer op dit bericht

gevoel

Een gedicht van Isaac Da Costa 1798-1860

Gevoel

O! wie beschrijft mij 'tgeen gij zijt,
Gevoel van 't kloppend harte!
Wiens werking vaak de ziel verblijdt,
Maar meer nog klemt in smarte!

Gij, mijner dichtkunst ziel en doel!
Gij zijt de bron mijns levens!
Maar, overweldigend gevoel!
Die van mijn sterven tevens!

Gij zijt de onwederstaanbre gloed,
Die mij tot dichter maakte!
Die in mijn rusteloos gemoed
Sinds de eerste kindsheid blaakte!

Gij zijt die min, wier zaal'ge smart
Mijn eerste zuchten riepen,
Toen in 't nog pas ontluikend hart
Der driften stormen sliepen.

Gij zijt die zucht naar hoger lust
Dan van een nietige aarde,
Waardoor 'k mij-zelve ben bewust
Van een verheev'ner waarde!

Gij zijt, 'tgeen mij verbindt met Hem
Voor wie de Serafs knielen!
Gij zijt de weergalm van Zijn stem
In onze doffe zielen!

Gelijk de poging van het kind,
Dat zwikt bij iedre schrede,
En ieder stond zich hulploos vindt!
Zo is de kracht der Rede!

Maar als gij onze stappen leidt,
Gevoel, van God gegeven!
Zo snellen wij ter zaligheid,
Door 't stormen heen van 't leven!

'k Wil op mijn Rede, zwak en koel,
Mijns levens hoop niet bouwen!
Mijn krachtig, brandend zielsgevoel!
Op u wil ik vertrouwen!

Hetzij gij vreugde brengt of smart,
En sterven doet of leven,
Aan uwe invloed wil mijn hart
Zich eindloos overgeven!

'k Wil naar uw toverend gebod
Beminnen, zingen, loven!
En 't oovrig van mijn levenslot
Verblijve aan God hier boven!

Doordring het stof, dat mij omkleedt!
Dooradem en beziel het!
Of, is uw ademgloed te heet,
Ontzie niet, en verniel het!

Te sterven op het veld van eer
Is echte krijgsmansglorie!
De dood heeft niets verschriklijks meer
In de armen der victorie!

Maar ook de priester van het schoon
Laat zonder leed het leven,
Wanneer hij in zijn laatste toon
Zijn laatste zucht mag geven!

Geschreven door Dora om 19:54 Reageer op dit bericht

vinkske

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Een vinkske

Een vinkske! Een vinkske!
Daar zit het, zwijg, -
Een levend dingske,
Op een dode twijg.

Het borstje bibbert,
Het keelke zwelt.
Het bekske slibbert
Van 't klankgeweld.

't Zijn versjes, zere,
Onvatbaar kort,
In éne keer,
Der-uit gestort.

Tzit-tzit-tzit-dap-dapper,
Dewingihee!
Tzit-tzit-tzit-rap-rapper,
De hele ree!

Tzit-tzit-tzit, een ander!
Nog één, nog één.
Tzit-tzit-tzit, wie kan-der
De voeten scheên?!

Tzit-tzit-tzit, 't gesnebber
wordt dom en dol.
Tzit ... halt! Ik heb er
Mijn oren vol!

Geschreven door Dora om 22:48 Reageer op dit bericht

noordenwind

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

De Noordenwind

De wind waait hoog en kent de mensen niet.

Hoog wil ik stijgen met de Noordenwind,
boven 't gerucht der stemmen - boven 't licht
der volle straten. Weg! het warm gewoel,
de weke druk van mensen om mij heen!

Ik wil ééns vrij zijn, ééns oneindig vrij,
dat er geen liefde en lachen om mij is,
geen zoete stem, geen blik van vrienden-ogen
geen weekheid en geen weemoed en geen lust.

'k Wil eenzaam stijgen in de Noordenwind,
die in de kille nacht gestadig waait
groot en onwetend.

Stijgend wil ik neerzien
met koude blik en onbewogen mond
op wat voor eeuwig wegzinkt onder mij.

En als de passies, die 'k heb liefgehad,
zich aan mijn kleedren hechten en 't gelaat
met schreien heffen en mij angstig vragen,
hen niet alleen te laten in de nacht ...

dan zal ik zwijgend hun gekromde handen
losmaken van mijn kleed, - en als zij vallen
zal ik niet sidd'ren bij de doffe slag ...

maar zingend rijzen in de koude nacht.

Geschreven door Dora om 16:16 Reageer op dit bericht

stem

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1940

IK HOORDE UW STEM

Stemmen spraken tot mij,
ik hoorde ze niet,
ik hoorde uw stem
als 'n lied, als 'n lied!

Zoals 's avonds laat
wen de wereld zwijgt
over wateren, stil,
'n boot ver tijgt.

De wereld is stil
de wereld is donker,
alleen leeft de maan
en wat stargeflonker 

Haar stem is muziek
in de stille oren,
zo kan ik maar niet
uw stemme horen.

Mijn land ligt zo ver
en uw stem is zo zacht,
en geen enkele ster
schijnt mij in mijn nacht.

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

broodje

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Ik ging eens om een broodje

Ik ging eens om een broodje,
De bakker was niet thuis,
en toen de bakker niet thuis was,
ging ik weer naar huis.

Ik ging eens  naar de mensen
en sprak ze allen aan,  
al ken ik vele talen,  
geen mens heeft mij verstaan.

Ik ging naar alle deuren,  
waar ’t venster was verlicht,
zo hard kon ik niet kloppen, 
of elke deur bleef dicht.

Ik ging eens naar  een kamer,
waar ik me welkom wist, 
de deur bleef afgesloten, 
ik had me dus vergist.

Ik ging naar alle boeken   
en vroeg ze alle raad,  
maar geen dat mij kon zeggen,  
wat niet geschreven staat.

Ik ben toch eens geboren  
en ga dus ook eens dood,  
zolang ik nog moet leven, 
ga ik maar steeds om brood.

Is de poort open?

Geschreven door Dora om 09:42 1 reactie Reageer op dit bericht

de reiziger

Een gedicht van Jopie Breemer 1875-1957

De Reiziger

De reiziger reist heen en weer
Van Amsterdam naar Wormerveer
En ook wel eens naar Krommenie
Naar Beetsterzwaag en Middellie.
Hij leest zijn krant in de coupé
En neemt altijd zijn koffer mee
Hij draagt een witte hoge boord
En als hij zit zegt hij geen woord
Hij praat nooit met een ander heer
De reiziger reist heen en weer.

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van J.W.F Werumeus Buning 1891-1959

 

LIED

Eens heb ik rouw gedragen
Om die ik had bemind;
Toen waren al mijn dagen
Tot droevigheid gezind.

Daarna werd mij in dromen
Een helderheid bekend,
En mij werd afgenomen
Al zorgen en ellend.

Al na een duistere avond,
Ter helle middernacht.
Mocht ik een lied vernemen
Dat gaf mij nieuwe kracht.

Ik hoorde een engel blazen
Op zijn kleine trompet;
Ik zag een engel blazen
Op een kleine trompet.

Al in een groenen morgen
Ontwaakte ik, mijn bed
Was tussen bloem en palmen
In helder licht gezet.

En was het wel de morgen?
Ik sluimerde weer in,
Dit slapen zonder zorgen
Was mij een nieuw begin.

En toen ik dan ontwaakte
Vond ik een nieuw gebed
De klank was in mijn oren
Dier hemelse trompet.

Al wat ik u kan zingen,
Het is maar een klein lied.
Wie kleine engelen horen,
Kennen een ander niet.

Ik weet, God zal nog spreken
Met grotere trompet.
De engelen des hemels
Zijn daartoe neergezet.

Maar ik, die de grote trompet niet ken,
Zing met een zalig oor
Naar de kleine trompet wier vreugd ik ken,
En waaraan ik mijn leed verloor.

1926

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

voor

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

VOOR U ALLEEN

't Is zoet te schrijven, als het licht
      Des zomers op mijn handen daalt
      En 't rijm zijn blijde plicht verricht
      En wat mijn hart voelt U verhaalt.

      Mijn handen beven van genot;
      Zij dragen de gewijde schat,
      Die 'k diep in mijne ziele tot
      Nu toe voor elk verborgen had.

      Zij zetten bevend woorden neer
      Tot de avond-late zon verbleekt,
      En woorden glanzen rein en teer
      Als paarlemoer, waar 't licht in breekt.

      En toch, hoe mooi die woorden zijn,
      Die vingen 't licht aan alle kant,
      Zij hebben slechts een zwakke schijn
Van 't licht dat in mijn binnenst brandt,

      Omdat er altijd in het woord
      Iets is, dat is van iedereen,
      En ik wou geven iets dat hoort
      Aan U, voor wie ik leef, alleen.

      Maar toch is 't zoet, wanneer het licht
      Des zomers op mijn handen daalt
      En 't rijm zijn blijde plicht verricht
      En wat het kan vertaalt.

Geschreven door Dora om 19:05 Reageer op dit bericht

heimelijk

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Heimelijk verlangen

Die man lijkt mij godengelijk te wezen,
Die van tegenover gezeten toehoort
Hoe gij vlak nabij in uw zoete stemval
Over en weer praat

En verlangenstekelend lacht, wat noodschiks
In mijn borst het hart mij in angsten opjaagt;
Immers amper zie ik U aan - geen woord meer
Laat zich verklanken,

Maar mijn tong blijft star en gebroken; aanstonds
Onderloopt een sijpelend vuur mijn leden,
Niet meer kan ik zien uit mijn ogen, gonzend
Suizen mijn oren;

't Vocht breekt me alzijds uit, en van top tot tenen
Vangt mij beving, valer dan gras verbleek ik;
Nog een ogenblik, en in alverbijstring
Voel ik mij sterven.

Geschreven door Dora om 22:22 Reageer op dit bericht

starting

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Starting all over again

Niet om de dromen, die ook ik vergeefs heb moeten dromen
en om de woorden niet door mij daaraan verdaan,
noch om de herfst, die over deze landen is gekomen
met slaande regens, nevel, werveling van blaên,
maar om het overnieuw en allengsaan meeslepend stromen
des bloeds, waartegen hier geen weerstand kan bestaan,
ben ik bevreesd om nog eenmaal te worden opgenomen
in deze staat, die harten in evenmaat laat slaan.

Maar 't bonzen van het bloed kent hier geen mededogen
en ook haar handen niet, vervuld van tederheid,
noch hare mond, begeerlijk, warm, bereid,
en onweerstaanbaar als de helle brand der ogen,
die stervelingen noopt tot duurzaam onvermogen
èn hen schatplichtig maakt in alle eeuwigheid.

 

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Lente

Had ik uw adem, Nachtegalen!
Uw zilvertoon,
Langs alle heuvlen, alle dalen,
Zou ik uw smeltend lied herhalen,
Zo vol, zo schoon!

Ik prees die God in mijn gezangen,
Die veld en woud
Weer 't groene kleed heeft omgehangen
Na zoveel maanden van verlangen
Zo blijde aanschouwd.

Ik zou die grote Schepper loven,
Die, ongezien,
Zijn troon gevestigd heeft daar boven,
En wie de bloempjes onzer hoven
Hunne offers biên.

Mijn zangtoon zou des morgens stijgen,
En 's avonds laat.
Met u, zoude ik des nachts niet zwijgen,
Daar 't maantje, glurend door de twijgen
Ons gadeslaat,

En ’t oog dat nimmer wordt gesloten
Dat alles ziet,
De kleine zanger en de grote,
Wier lofgezangen samenvloten,
In gunst bespiedt.

Mijn lied zou vrome zielen treffen,
Daar ’t woorden gaf
Aan wat zij kennen en beseffen,
En logge geesten opwaart heffen
Uit stof en draf.

Ik ware een priester in die tempel,
Die thans alom
Van liefde en almacht toont de stempel —
Nu zink ik zwijgende op de drempel
Van ’t heiligdom.

Dichtwerken III (1876)

Geschreven door Dora om 22:41 1 reactie Reageer op dit bericht

wit

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

Wit hing en stil...

Wit hing en stil de dauw over de weiden. –
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,
Stond, hoog, in ’t west wit licht boven de kim. –
Niets werk’lijks was er meer, niets dan wij beiden.

En op die heuvel, op die bank van ons,
Boven de dauw, zaten we als op een eiland;
En ’t wit doorschijnend licht, het witte weiland
Leek stilte; en de stilte was als dons.

Boven de wereld zaten we; en we schrokken,
Als om ons in besliste vaart een tor
Een kromme draad trok van donker gesnor,
Wegbuigend in dempende nevelvlokken.

Jouw haar, rood in de schem’ring, aaide ik glad:
Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,
En deed mijn handen en mijn lippen branden
Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

laat me

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Laat me, vijver, waar ge ontwaakt

Laat me, vijver, waar ge ontwaakt,
- daar, ten dagerade aan 't rozen,
naar uw nacht de morgen naakt, -
laat mijn aanzicht, week en naakt,
eigen bleekheid tegen blozen.

o, 't En is een scheemlen maar;
maar, in 't stijgend morgen-scheemlen,
zie 'k ten vijver, minder klaar
maar te dieper naar ik staar,
schoonre hemel dan ten heemle...

- Nog van nachtlijk aarzlen bleek,
maar gerézen uit de nachten;
blozend naar 'k me schóner bleek,
- vóor de glore om zelf-betrachten:
laat me staren thans, gedachte,
waar ten vijver, naakt en week,
diepre schoonheids-weelden wachten...

II De gloeiende asch (Boschvoorde 1907 - 1908)

Geschreven door Dora om 22:33 Reageer op dit bericht

huis

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Het verlaten huis

Als in een huis in de onderwereld, waar
De stille vader en het stomme kind
Elkander aanzien - zó zit ik gebukt
Over mijn boeken in dit donk're huis.
En tegenover me aan de tafel zit
Dat stomme kind der sombere gedachte,
Mijn stille weemoed met het bleek gelaat,
Mijn stomme weemoed met het donker oog,
Die niemand ziet dan ik, - maar áls ik opzie,
Dan voel ik dat zij mij heeft aangezien,
Maar 't niet wil weten om die grote smart; -
En als verschrikt buig ik dan weer het hoofd
Achter mijn boeken en ik durf niet spreken
Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg're vreugd.
En als gevoelloos, werk ik al de dag
En zie niet op noch om, omdat ik vrees
De grote smart, die 'k zien zal in dat oog.
Want zij was éens zo schoon, mijn jonge weemoed,
Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden
En vogels spotten met ons jeugdig leed.
Maar weggedoken zit de laatste vogel
Thans in de takken en door de enge spleet
Der halfgesloten blinden valt het licht
Op ons, die treuren in 't verlaten huis. –

Persephone en andere gedichten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

meizang

Een gedicht van Jan van Droogenbroeck 1835-1902

Meizang

Daar komt de blijde lente weer,
Met jong en jeugdig kruid!
Geen ruwe vorst, geen koude meer
De nachtegaal reeds fluit.
De zonne schijnt, het beekje vliet,
De bloemen komen uit,
Het windje wiegelt in het riet
Met aangenaam geluid.

Een aangenaam en zoet geluid
Door gans de velde zwiert;
De leeuwrik spreidt zijn vlerkjes uit
En stijgt en tiereliert;
Het bieken zingt in 't rond en bromt
Dat het de lente viert;
De zwaluw, die van elders komt,
Hier weder ommezwiert.

Nu weer de zwaluw ommezwiert
Waar onze wonen zijn.
Nu weer de schepping hoogtijd viert
In helle zonneschijn.
Hoe blauwe verft de hemel schoon,
Zo blauw als blauw satijn!
Hoe rood de morgenzon haar woon,
Zo rood als karmozijn.

Bij dageraad, als karmozijn,
Druppelt de dauwe neer.
Daar plooit de grijze mistgordijn;
Ontwaakt is 't vooglenheer.
En als daarna het klokje luidt,
Dan kniel ik biddend neer,
En 'k juich: daar is met bloemenkruid
De blijde lente weer.

Makamen en Ghazelen (1866) onder het pseudoniem Jan Ferguut

 

 

Geschreven door Dora om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten