Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

ballade

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ballade

Villon, Rimbaud, Verlaine, Du Plessys,
Verstooten, rein van roem, alleen behorend
In 't heilloos gilde der Poètes Maudits,
Sinds uitgeroeid, verstrooid, welhaast verloren -
Vergeef dat een, door rampspoed achterhaald,
Om hulp roept, radeloos uw naam doet horen,
Terwijl zijn leven zinkt, zijn zingen faalt,
Tot troost uw groter lijden heeft bezworen.

Villon, clerc, vagebond, in stage vete
Met 't burgerdom, benard door zijn gebod,
Met boeven, lichtekooien saamgerot,
Alleen op 't punt van rijmen vol geweten,
Hij stierf van dorst bij klaatrende fonteinen,
Vond voor liefde ontucht, voor paleis een krot.
Zijn leven kende uitdagende refreinen:
Hij keerde de aard de rug toe van 't schavot.

Verlaine sleepte voort zijn lijdensketen
Van zonde aan straf geschakeld zonder slot,
Heeft den hem toegewezen tijd gesleten
In beurtgezang van lust en zucht naar God.
In de gevangenis, bij 't stomp verkwijnen
In 't dranklokaal, of op een kil terras,
Voelde hij als wroeging vol verwondring schrijnen
Waarom voor hem geen plaats op aarde was.

Rimbaud, op allen, ook zichzelf gebeten
Als op de aartsvijand, strijdend tegen 't lot
Van de met spot gekroonden, smaad gesmeten,
Tussen de mensen wild verdwaalde God,
Liep storm door steppen, steden en woestijnen,
Gevloekt, geschuwd door 't rechtgeaarde ras,
Leerde in verlatenheid en helse pijnen
Dat er voor hem geen plaats op aarde was.

Du Plessys, door zijn oud verbond vergeten,
Verzwegen, onderdrukt door 't plomp complot
Van intriganten, door de hunkring tot
Luidruchtge en lucratieve roem bezeten,
Ontbeerde stoïsch en verteerde in 't reine
Heimwee naar 't onbereikbare Hellas.
Hij wist op hoge ritmen weg te deinen
Vanwaar geen plaats voor hem op aarde was.

Weet, gij die in hun geest nog moet verschijnen,
Voor ramp te zijn geboren. Neem dit lot
Niet op u! Breek de lier! Weet te verdwijnen.
Maak uw bestaan dat nergens hoort, weer vlot,
Stroomafwaarts drijvend met de goede Lethe.
Geen lied meer. Geef gehoor aan haar refrein.
Over uw leven spoelt de vloed. Vergeten
Zult ge eer dan echo's van nachtregens zijn.

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

het verdriet

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Het verdriet

Ik heb gewerkt, ik heb geleden,
Ik heb geworsteld met 't  verdriet,
Ik heb gebogen als het riet,
en soms heb ik 't met laffe vlucht gemeden.

Nu stelt 't  zich ondoordringbaar voor mijn staren
Als van de nacht het nevelig begin.
Maar als een lichtende lantaren
Hef ik U op en volg U 't  duister in.

Geschreven door Dora om 16:13 Reageer op dit bericht

roodborstje

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Roodborstje

Roodborstje, roodborstje, geestige dief!
Heb je wel ooit te pronken gezeten?
't Kooitje van koper en 't bakje vol eten:
Aardige springer! wat heb ik je lief!
Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,
Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,
Dat ge de veertjes zo slapjes laat hangen,
Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?

- Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,
Was er mijn eten ook lekker en keurig,
Buiten in 't bos is het eens nog zo fleurig:
Vrij te zijn, lieverd! is beter dan mooi!
Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,
Ginds op die boom, waar geen tralie mij stoort;
Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen
Zoals ge nimmer of nooit hebt gehoord! -

Kinderliederen (1870)

Geschreven door Dora om 22:37 Reageer op dit bericht

dieven

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

 Zag dieven uit mijn huis...

'k Zag dieven uit mijn huis met zak en pakken gaan.
Ik volgde ze wat ras en sprak ze zoetjes aan.
'k Zei, mannen, met verlof, wilt gij mij wel eens tonen,
dewijl ge mij verhuist, waar ik omtrent ga wonen?

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

boerendochter

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

 

DE BOERENDOCHTER

Zie, hoe zij met haar rokken zwaait,
De brede handen staan naar grijpen.
Reeds voor zij duidelijk gaat rijpen,
Weet zij waarom de wereld draait.

En daarom is zij zo onhandig
Met haar gebaren; en haar woord,
Ofschoon haar frisse mond bekoort,
Maakt knapen roekeloos losbandig.

Maar voor haar blik wordt ieder stil.
Plotseling is ze, uit steen gehouwen,
Een veldgodin met groot gezag.

Ze weet best wie ze hebben wil,
Maar neemt, als alle boerenvrouwen,
De jongen die ze hebben mag.

Kaleidoscoop (1927/1931-1936)

Geschreven door Dora om 12:25 Reageer op dit bericht

Alarmisten

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Alarmisten

Och bevende alarmisten,
Och pruiken, podagristen,
  Och ouwe–wijven–kliek,
Och nare leuterkousen,
Och bankroetiers en smousen,
  Je malen maakt me ziek.

Je duffe konversatie
Is ééne lamentatie,
  En nergens zie je licht;
Je snatert en je stottert,
Je steunt en stikt en snottert....
’t Is wat een vies gezicht!

Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
  D’ effektenhoek vol vrees;
De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel,
  De wereld op de sjees!

Het mensdom op zijn endje,
Veel kinderen en – geen centje
  Verdiensten op ’t kantoor:
De hele boel in ’t honderd,
En half Euroop geplonderd –
Dat ’s alles wat ik hoor!

Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
  Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
  Of stuurt ze recht – in ’t riet!

Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
  Uit zuinigheid alleen;
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren,
  Die spotten op hem heen!

Die ziet, owaai! de Fransen
Al in zijn keuken dansen,
  De meid tot déjeuné;
Die ’s nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
  In ’t lied van Isabé!

Die ziet in al zijn zonen
Al tijger–aardjes wonen
  En kleine Louis Blanc’s:
Die ’s bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
  Maar kijkt er rillend langs!

Met al die bange wezels,
Die kwezels en die ezels,
  Wie drommel, weet er raad?
Al trekken zich die Joppen
De haren uit hun koppen,
  Ik weet niet of het baat!

Maar handen uit de mouwen,
Couragie en vertrouwen
  En wat gezond verstand!
De mens leeft om te hopen....
En ’t zal zo’n vaart niet lopen:
’t Leit immers op zijn kant?

Ook ik beken het garen:
Wat onze tijden baren
  Is ver van amuzant,
’t Is vreeslijk en ’t is ijselijk,
’t Is schriklijk en afgrijselijk....
  En ik heb ook het land!

Maar ’t ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
  Die kennissen van Job!
Het zijn je die meneeren,
Die steeds jeremiëeren,
Die altijd lamenteren,
Die ’t weinigs goeds negeeren
En eeuwig redeneren
  Als kippen zonder kop!

1884

----------------------------------------------------

- alarmist: iemand die opschudding, onrust teweegbrengt
- podagrist: iemand die lijdt aan podagra (gewrichtsaandoening van voet- en teengewrichten)
- bankroetier: iemand die bankroet gaat m.n. wanneer daarbij bedrog gepleegd wordt
- smousen: bedriegers, sjacheraars
- metalliek: Oostenrijkse effecten waarvan de rente in muntgoud werd uitbetaald
- karikel: licht tweewielig rijtuig
- Louis Blanc: Frans politieker ten tijde van de Franse revolutie
- joppe: goed gekleed

 

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

vodderij

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Is mij een vodderij

Is mij een vodderij gevallen uit de pen
(weet, lezer, dat ik al mijn vodden daarvoor ken):
ik sluit ze van mij af en laat ze liggen rotten.
Lang, lang na haar geboorte onthaal ik ze de motten
en val er met de keur van een vers oog op aan.
Bevalt mij 't kind dan nog als 't eertijds heeft gedaan
dan houd ik 't voor zo schoon als ik er een kan baren,
en breng het in de wereld. Er hoort een tijd van jaren
om de eerste blinde min die de geboorte gaf
haar ogen te openen met alle vliezen af.
Wij moeten elk onszelf als vreemdelingen lezen:
dan kan elk, en niet eer, zijn eigen rechter wezen.

Geschreven door Dora om 21:59 1 reactie Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Ik ben van u zo verre

Ik ben van u zo verre,
Ik waar bij u zo graag,
En zeide u alle de liefde
Die ‘k in de ziele draag!

Ik fluisterde u in de oren
Zo geren een enkel woord!
-ik zong het reeds duizend keren!
nog hebt gij het  nooit gehoord!

Ik zong het aan de rozen
Wel honderd, honderd maal –
Licht heeft het afgeluisterd
De wilde nachtegaal.

Ik zei het aan de oostwind
Die ’t aan de wolken bracht –
Ik zei het aan de sterre
In stille, diepe nacht.

O vogels, winden, bloemen,
Zegt heur dat woord toch niet –
Wie weet of zij niet spotte,
Niet lachtte om mijn verdriet?…

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

moritura

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Moritura te salutat

Dit zijn Uwe wegen,
Ook de  mijne?  'k weet het niet, mijn God,
Al mijn wensen en begeerten zwegen.
Toen Gij tot mij spraakt, ik sprak niet tegen,
Ik aanvaardde Uw gebod.

Of mijn hart dit wilde?
'k Heb niet naar het schreien van mijn hart gevraagd.
Toen Uw glimlach mijne ziel doortrilde
En mijn glimlach gloren deed, verstilde
't Al in mij, dat schreit of klaagt.

Dit zijn Uw gedachten,
Ave, Heer, U groet die sterven gaat.
Dat het ja van hare stille nachten
En het amen harer dagen door geen klachte
Worde ontheiligd en geschaad.

-------------------------------------------------------
Moritura te salutat - Zij die gaat sterven groet U

Geschreven door Dora om 19:38 Reageer op dit bericht

laat

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Laat mij nog éénmaal...

Laat mij nog éénmaal, in gedachten, kussen
Die warme lippen, door mijn kus ontbloeid;
Laat mij nog éénmaal aan die boezem sussen
Mijn arme hoofd, waarin de koorts-pijn gloeit.

Laat mij nog eens, klein kindje, rusten tussen
Die armen, waar mijn hart aan was geboeid,
In die zo lieve tijd, toen, zonder blussen,
’t Vereend gelaat door passie werd verschroeid.

Mijn lippen kussen wild, mijn oog staat droef –
Niet waar? gij lief! nu er geen lief meer wezen,
Geen arm zich om mijn hals bewegen zal:

Maar ik heb haast: mijn trekken worden stroef,
Als in de koû des doods, mijn armen vrezen
In beven, hangende op hun laatste val.

Geschreven door Dora om 12:23 Reageer op dit bericht

vrouwen

Een gedicht van Hermanus Asselberg(h)  1726-1792

vrouwen zijn geenszins mensen

Een liedjeszanger schreeuwde op straat, dat elk 't kon horen:
'Hier heb je nou 't bewijs, zo klaar als zonneschijn,
Dat vrouwen geenszins mensen zijn!
Eén oortje; koop! 't zal jou gewis bekoren.'

Dit maakte Griet en Trijn verwoed:
De toorn ontstak haar beider bloed:
Griet greep hem aan en zeide: 'ô Guit! men zal jou leren
De vrouwen naar haar waarde te eren.
Zijn wij geen mensen? schurk! waar ziet ge ons dan voor aan?
Kom, Trijn! laat ons hem straks de kop te plettren slaan'.

Hij, ziende, wat 'er, door haar dolheid, zou geschieden,
Riep hard: Ik hou het uit dat zij geen mensen zijn:
''t Zijn engelen, in mensenschijn!'
Elk lachte; en deze trek deed hem haar woede ontvlieden.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

woordjes

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

O woordjes mijn...

O woordjes mijn, wat moet 'k u dankbaar zijn!
Waar zijt gij toch, waar komt gij toch vandaan?
Gij kunt altijd mijn heerlijkheid verstaan,
Veel beter dan ik denken kan in mijn

Klein geestje: kom, laat ik u bidden aan,
Want telkens als ik bidden durf: verschijn!
Komt gij rondom me als vlinderkens zo rein,
En licht, en wit, zó komt gij rond mij aan.

En zó ook nu, nu ik u murmlend roep,
Komt gij rondom mij fladderend zo zoet,
Mijn lippe' en wangen strelend, lichte troep,
Als werd gij altijd uit mijn hand gevoed,

En toch, och alle menschen konde' u lokken
Maar enkelen, wie gij laat zó met u jokken.

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

DE VERTOORNDE DICHTER

Hoe haatlijk is 't Publiek omtrent mijn lettervruchten!
Ik schonk het reeds een trits van welbekookte kluchten,
En, nochtans, 't lachte niet! maar 'k loer nu weer op wraak:
't zal boeten voor zijn grillen,
Ja, lachen zal het, 't moog dan willen of niet willen,-
Daar ik een treurspel maak.

Gedichten (1823)

Geschreven door Dora om 22:40 Reageer op dit bericht

melodie

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Melodie

Laat, o lieve, laat
Uw blanke vingren langs
De toetsen fladdren;
En licht.

Laat, o lieve, laat
De tonen kwelend vallen, als
Kristallen dauw,
Die van uw blanke vingren drupt,
En zoet
Vervloeit.

Luchtgewiekte melodie
Zweef klaatrend op!
Of juublend in een zilverlach,
Of smeltend...
Smeltende in een vliet
Van louter tranen...

Trillend klankgetover!
Reine parelzang... stijg,
Zwellend,
In uw vol geschal!

Laat, o lieve, laat
Uw blanke vingren langs
De toetsen fladdren;
Vlindervlug
En licht...

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

lierzang

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Lierzang van een vader aan zijn enig zoontje

U wijd ik heden mijn gezang
Gelukkig kind! zo mild bestraald met zegen!...
(Maar laat ik eerst van uw behuilde wang
Die traantjes vegen.)
Gij op wiens pad, bij 's levens lentegloor,
Slechts rozen zonder dorens groeien...
(Pas op wat, Jans, daar stopt hij erwten in zijn oor.)
U, wie genot en zoetheên tegenvloeien,
Wie nog geen zonde drukt, geen bange smart beknelt!
(Wat heeft hij in zijn mond? - Bewaar ons! 't is een speld.)
Bevallig wicht! gij liev'ling van ons allen,
Zo vlug en dartel als het vinkje in de lucht!
(De gangdeur toe, hij mocht nog van de trappen vallen.)
Aanminnig voorwerp van elks tederheid! - (Wel geducht!
Let op toch, Jans, hij zal zijn doek aan 't vuur verzengen.)
Gij wie wij onze zorgen brengen,
Uit wiens bestaan ons dierbaarst heil ontspruit!
Gij hechtste schalm in ons huwlijksketen!...
(De drommel haal' de stoute guit!
Hij heeft mijn inktpot omgesmeten...)
Gij Cherub! die, wanneer de maan
Deze aard verlicht met zilv'ren glansen,
Bestemd schijnt, om de blijde dansen
Der luchtige Elven voor te gaan...
(Verbied dat kind de poedel zo te slaan!)
Lief bijtje dat de honing weet te puren
Uit ieder bloempje naar uw keus!
(Wat ligt hij weer te pulken aan zijn neus!)
U, al mijn troost in droevige uren!
U, Vaders hoop en glorie bovendien...
(Wie leert dat kind, zo scheel te zien?)
Blijf steeds 't geluk u frisse bloemen strooien.
(Pas op! hij zal zijn tol nog in de spiegel gooien.)
Lief duifje van onze ark...(Daar stoot hij aan de kom:
Nog één duw, dan ligt hij om...)
In 't huwelijksnest gekweekt met onverpoosde zorgen...
(Wat drenst en jankt hij deze morgen!)
Bij wiens geboorte een heilgodes
Ons huis betrad, die mild u wou gedenken...
(Foei! wat besmoezelt hij zijn hes...)
En kwistig met haar gaven u beschenken...
(Jans! Jans! hij heeft een mes;)
Speel, dierbaar kind! met ongestoord genoegen.
De zoete vreugd mag aan uw leeftijd voegen:
Dat vrij uw lust voldoening zoek'!
(Ik zei het wel, dat al die koek
Die Trui hem gaf, hem misselijk zou maken.)
O! dat de vreugd, die thans uw schuldloos hart doet blaken,
Bestendig, duurzaam, wezen kon:
(Daar knipt hij, Janslief! met een schaar in uw japon.)
Zoet rozenknopje! dat uw blaartjes gaat ontsluiten...
(Ga naar Mama, en laat je neus reis snuiten!)
Zo zacht, zo geurig en zo fris!
(Hij maakt mij ziek, zo vuil hij is!)
Bekoorlijk als Auroor, in 't Oosten doorgeblonken...
('k wou dat dat raam een tralie had!)
't Ontluikend brein verlicht met louter hemelvonken...
(Breng toch die bengel weg, mijn schat!
ik kan geen letter verder schrijven,
indien hij langer hier moet blijven.)

 

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

rozenknop

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Rozenknop

'k Hoù niet van volbloeide roze,
Die heur hart heeft uitgezeid,
Die bij 't oop'nen
Van heur broze weelde,
D'éérste stervenstrane schreit.

'k Zie ze liever wachtend dragen,
Wat een knop niet openwoelt:
't Stil gesluimer
Van zó teer verlangen,
Dat een and're roos het voelt...

Want, door elk geluk moet schreien,
Schemering van droefenis...
Als een liefde,
Die door bei geweten,
Nog onuitgesproken is...

Liefde, hou me lang verborgen
't Schroeien van uw pracht'ge gloed;
't Is de passie
van het zonne-zoenen,
Die een roze sterven doet...

Vondelingskens

Geschreven door Dora om 22:37 Reageer op dit bericht

zomernacht

Een gedicht van Prosper Langendonck 1862-1920

Zomernacht

O! toen was er gedanst op dat verre gehucht,
in die schuren, omloverd door kanten en bomen!
Nu verzwond, in de verte, 't bedwelmend gerucht
en wij keerden naar 't dorpje, verzonken in dromen.
Zeg! herdenkt ge die nacht nog, die zomerse nacht,
die onmeetlijke hemel, in eindloze pracht,
en dat veld in een zilvrige sluier verloren,
en die zalige rust, die geen leven kwam storen,
dan 't gelispel der blaren, versmeltende zacht
in die golvende zangen van 't ruisende koren?

O! toen was er gedanst op dat verre gehucht!
Doch we keerden ne weder langs akkers en hagen.
Een verfrissende veldgeur doorwaaide de lucht,
op de wiegende wiekslag der winden gedragen.
Zeg! herdenkt ge die nacht nog, die zomerse nacht,
toen wij dachten ... o, weet ik waaraan ge wel dacht?
Doch ik droomde van 't heil aan die boeren beschoren,
van hun levende vreugd, in geen weemoed te smoren,
en gij spraakt mij, natuur met bedwelmende kracht,
uit die golvende zangen van 't ruisende koren.

O! toen was er gedanst op dat verre gehucht!
Doch nu keerden wij langzaam en zwijgend en teder.
Aan uw boezem ontwelde er geen woord of geen zucht,
maar uw hoofdeke vleide op mijn schouder zich neder.
Zeg! herdenkt ge die nacht nog, die zomerse nacht,
O, toen heb ik een stond naar uw liefde getracht
en dan had ik zo licht u mijn liefde gezworen!
Zie! daar wenkte de stad met haar lokkend bekoren
en mijn gloeiende kus bleef voor immer gesmacht
in die golvende zangen van 't ruisende koren.

O! toen was er gedanst op dat verre gehucht!
Doch gij waart een boerinne, gij slanke, gij blonde!
En ik was er een knaap, wel de stad eens ontvlucht,
maar wiens jeugdig gemoed nog die boze niet wondde.
Zeg! herdenkt ge die nacht nog, dien zomerse nacht?
O mij droomt hij zo vaak in 't verweekte gedacht
met zijn zalige zoelte en zijn wonderlijk gloren.
'k Heb het ware geluk, o, zo dwaas! toen verloren,
en nu drijft in 't verleden een bittere klacht
op die golvende zangen van 't ruisende koren.

Geschreven door Dora om 22:47 Reageer op dit bericht

dicht

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1919

Dicht langs een bongerdhaag schichtte een pruimensnaaier

Dicht langs een bongerdhaag schichtte een pruimensnaaier,
De klepper vong de wind en joeg de vogel op,
Er gonsde een ver gerucht van tramp'len en geklop,
De garvenbindster zong op 't zoeven van de maaier.

Maar, de open lippen strak in zijn verdoolde kop,
sliep aan de lauwe berm een schuwe armoedzaaier.
De zomernoen was heet, de hemel trilde laaier
En groener rankten zich de bellen van de hop.

Toen zwol een luwe wind over de brakke sloot,
Hij deunde door het riet en wuifde op de pluimen;
Een grauwvink aan de wal zat veer en vlek te ruimen,

't Was of het zonnerad goudener stralen spoot.
De slaper had zijn droom naar eigen lust en luimen,
Van honig en roô-wijn, ham en driekoon'ge-brood.

Geschreven door Dora om 19:49 Reageer op dit bericht

engel

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868 

De engel en het kind

Een Engel blikte in ’t wiegje neer,
En vond in ’t hemels aangezichtje
Van ’t schuldeloos en sluim’rend wichtje,
     Als in een beek, het zijne weer.

O (sprak hij) liefje! mij gelijk!
O! Ga met mij naar hoger sferen!
Wij zullen samen God vereren
     En zalig zijn in ’t Hemelrijk.

Volkomen vreugd heerst niet op aard,
Daar heeft ook ’t heil zijn ongenuchten:
De blijdschap gaat vermengd met zuchten,
     De wellust met berouw gepaard.

Daar woont de kommer op elk feest:
Daar zijn nooit onbewolkte dagen
Een waarborg tegen onweersvlagen:-
     Daar is nooit waar geluk geweest.

Hoe, zoude een bitt’re tranenvloed,
Die blauwende oogjes eens ontluist’ren?
Zou ’t leed de reine glans verduist’ren,
     Die ’t effen voorhoofd blinken doet?

Neen! met mij, eer gij zwoegt en lijdt,
Naar d’onbeperkte trans gevlogen!
De Algoedheid scheldt uit mededogen
     U al uw verd’re dagen kwijt.

Uw afzijn bare aan niemand leed!
Neen, schoon ge uw adem laat ontglippen,
Vloei de eigen danktoon van elks lippen,
     Die uw geboorte vloeien deed.

Dat hier geen voorhoofd somber zij;
Want o! de laatste dag des levens,
Is hij niet de allerschoonste tevens,
     Wanneer men rein is, liefje! als gij?

En de opgetogen Engel vlood
Met brede vlerk naar hoger kringen,
Om ’t Hallel voor Gods troon te zingen.
- Ach! moeder! ach, uw kindje is dood.

-----------------------------------------------
trans - hemeltrans, hemel
hallel - lofzang (daarvan afgeleid: halleluja)

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

de jager

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

DE JAGER

Nauw purperde ’t Oosten met rijzende gloed,
Reeds snelde,
Te velde,
Met wakkere moed,
Een jager,
De plager
Der hazen na d’oegst –
Een jager zo woest.
O jagerke, spoed wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

Er liepen drie honden vooraf zo gezwind
Vol leven,
En dreven
Als ’t pluimpje op de wind;
Zij stoven
En snoven,
Het muiltje vooruit,
Verlekkerd op buit,
O jagerke, spoed wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

Wat kijkt zo de jager met lachend gezicht,
Verhemeld?
Iets wemelt
Van verre: wellicht
Een prooitje.
Wat fooitje!
De jager, vervoerd
Reikhalzende, loert.
O jagerke, staak wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

Maar breder ontsluit hij het vonkelend oog,
Verzuchtend.
Als de uchtend
Zo blozende, toog
Heel zoetjes,
Op voetjes
Zo aardig en kleen,
Een lieveke heen.
O jagerke, spoed wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

‘ Waar mijner die buit, o, wat goed zou ’t mij doen!’
Zo denkt hij;
Met wenkt hij,
En pracht om een zoen.
Nu speelden
Verveelden
De honden zich dra,
‘t ‘Neen!’ zeide als: ‘Ja!’
O jagerke, spoed wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

Daar wipt er een haaske zijn legerken uit,
Het liefje,
Dat diefje,
Bemerkte die guit:
‘ Stout beestje,
’t Is feestje
Nu kun je geen kwaad,’
Zei ’t loze gelaat.
O jagerke, staak uw gangen!
Nu vindt gij u zelve gevangen!

-----------------------------------------
Oegst: oogst
Kleen: klein
Fooitje: feest dat de boer na afloop van de oogst
aan zijn arbeiders geeft
Waar mijner die buit: was die buit maar van mij
Met wenkt hij: op hetzelfde ogenblik wenkt hij
Pracht om een zoen: smeekt om een zoen
Loze gelaat: schalks, ondeugend gelaat

Geschreven door Dora om 22:07 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten