editor
Alle verandering is geen
verbetering....
Dit geldt voor de editor!
editorAlle verandering is geen
verbetering....
Dit geldt voor de editor!
tuin
Een gedicht van Jacob van Looy 1855-1930
Eerste sneeuw in de tuin
Verhelderd ligt en overal omzwacht,
En tinteljong en toch zo eindloos oud,
Dat 't bijna angstig maakt en onvertrouwd
Dit daaglijks plekje nu in winterdracht.
Gedekt zijn alle sporen, kalm en zacht,
En alle onwilligheên en stutten boud,
Met veertjes blank als bijenvlerkjes koud,
Belegen werden uit de hemelnacht.
Van 't hart uit wit tot de einden als de dromen,
Die, woord nawoord, uit dichters neergekomen,
Zich levend schikten in het stilst der nachten;
Zo ligt de tuin gestrekt nu in het heden;
Wie zal er zetten komen de eerste schreden?
Anders dan mussen die hun kruimkens wachten.
Gedichten (1932)

herfstavond
Op 't donkre buiten
Boomkruinen ruisen;
Stormwolken drijven:
In 't lamplicht huis en
Voor donkre ruiten,
Zit 'n dromend beeld
Woorden te schrijven,
En 't kruinenruisen,
En 't wolkendrijven,
Staat, een geluid, in
Schrift gepenseeld.
Nieuwe gedichten



Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
Val nu mijn woorden als hele reine
Drupjes van klank in der oren fijne
Luistrende schelpjes; maak melodije
Van mijn gedachten, en zoetjes laat
Ze op rimpling van golvige rhythmen glijen,
Totdat de ontwaakte stilte staat
In zachte glimlach van verblijen.
Serena (1898)

nacht
Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
Nacht. - Aan het open raam
Nacht. - Aan het open raam waar mijn begeerte huivert
van pijnigende weelde en blij-doorpriemend wee,
hoor 'k, in het wind-gewuif, van dag-gebroei gezuiverd,
gescheurd en moe de kreet der ongeziene zee.
Ik luister. En 't geschuif der zuiverende vegen
van flodder-wind, die hijgend-blij 't geluchte wast,
voelt zeulen in zijn joel en door zijn woelen wegen
de stem der zee die kreunt en wijkt, die huilt en wast...
- o Vreugde-winden, die mijn pijnlijk-open ogen,
die mijn gedachten manlijk aait en waaiend zoent:
geen schaatren heeft mijn oor voor diepre stem bedrogen,
geen sussen dat mijn ziel met eigen leed verzoent.
In norse toomloosheid, in koppig-taai weerstreven,
voel ik mijn rouw in mij gelijk de zee gebreid:
nóg wilder, waar ze in zich voelt huiveren en leven,
o Zee, het wéten van haar wrede oneindigheid.
Want, hoe ge mijne kreet in eigen grol mocht smachten,
o Zee; hoe 'k eigen drift om eigen trots verbeet:
nog dieper dan mijn rouw bijt, sterkend, de gedachte,
dat gij mij niet en kent en ik uw grenzen weet.

rijp
Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1817-1908
Nu glinstert alles van de witte rijp.
De dunne berkentakjes zijn bedekt
Met wollig dons, dat wonderbaarlijk blinkt.
Het groene koolblad, dat zoo sierlijk krult
Aan lange stengel, vonkt van diamant.
In schaduw van de doornenheg hangt, laag
Er tegen aan, in 't windje wuivend, rag,
Dat door ijspluimpjes dik omsponnen werd.
En lager tegen de aard straalt 't gele gras
Wijd uitgebloeid, hoog opgeschoten, fijn,
Zijn zijden aartjes pluisdun in de lucht,
Zo kostelijk fraai met edelsteen getooid,
Als strooide een zak met parelgruisjes daar
Een engel over 't uitgebloeid struweel.
Gedichten (1910)

bomenKom niet onder hoge bomen,
die klein zijt en niet groeien kunt,
wie alleen een haastig dromen
een ontrouw denken is gegund.
Zo wie loopt op losse voeten
heeft lichte last van hart en hoofd.
Taaigewrongen wortlen moeten
hem binden die in kracht gelooft.
Zie, de bomen ruisen, leven,
slaan streng hun zware schoonheid uit.
Blijf daar weg zo gij maar even
wat lispelspeelt met half geluid.
Heilig zijn de sterke stromen,
een hart dat scheurt, een pijn die gilt...
Kom niet onder hoge bomen,
kleintrotse, die niet lijden wilt.
Noordhorn (1916)
oog
In de stad met het zilverig oogerondkijken,
de tere omhoge volneergeblazen zachtgerande wolklucht, ’t strijkel
van de blauw wittigbespeelde lucht.
Hoe heerlijk. Het stille hoogdroge roodwange door de lucht.
Met moeie voeten, maar warm lepelende lucht;
stil langs de huizen, de lichtglazen, de donkerstenen,
dat donker geloop naast, er over henen,
dof het hoofd, laagdof, slaapdof, maar heerlijk de lucht
in de stad langs, op het water over, van omhoog door de blauwe lucht
De school der poëzie (1897)



De bolle winden blazen blauwe kuilen
In 't asgrauw fulp der zware wolkenlagen.
Een brede bundel zilverlicht komt vagen
De rug van 't grijze paard, dat sleept de zuilen
Van 't woud, gevelde stammen, op een wagen,
Door 't blanke heizand. Matte zon bleef schuilen.
De wegen-eiken staan als ijle tuilen,
Maar de einder-berken, schimmenbleek, vervagen.
De lucht vervullen blijder geen geruchten
Dan, uit een verre hofsteê, honden janken
En 't altoos eendre kling der paardenbellen
Versmelt met donker dodeklokken-luiden.
Maar 't somberst dunkt mij van die droeve klanken
De slag der bijlen, die de bomen vellen.
Nieuwe verzen (1920)

aan
De rozenknop in ranke vaas, vuurrood,
Rijst roerloos uit het tere kristallijn,
Stil in verwond’ring van zó schoon te zijn...
Dan legt hij bevend héél zijn binnenste bloot.
En hij geeft weer wat eens natuur hem bood,
Wat eens zijn deel werd van de rijke regen
En wat hij opving van de gouden zegen,
Die naar deez’ aard in gulle golven vloot!
Maar als de dag gedaald is, laat hij neer-
Vallen de welke blaân, zo pas nog bloeiend,
Want hij heeft uitgebloeid zijn bloei-begeer...
O, mocht ik sterven in mijn jonge jeugd,
Als heel mijn zoete zang, uit mijne ziele vloeiend,
Gezongen is van liefde – leed en - vreugd...!

herinnering
O, lief, berg aan uw borst mijn bleke wang
En span uw armen veilig om mij heen:
Hoort ge zó in mijn ziel dat zacht geween
Om dingen die daar stierven al zo lang?
Hoort ge zó zuchten om een leed-verleên
Mijn smarte-spoken?.... Lief, ik ben zo bang
Nu daar blijft schreien, trots mijn vreugd-verlang'
Die wrede erinring altijd door me heen...
Ze maakt zo moe: die dode, dode pijn,
Die àl maar klaagt hierbinnen, nacht en dag;
Die niet wil zwijgen voor uw liefste lach
Die niet wil wijken voor uw bij-me-zijn....
O, rèd me lief, en dood dat spook-van-leed:
Ik kàn niet leven, als ik niet vergeet!

de kooi
Ik voel de lust te reizen, te verhuizen,
of schepen fluiten die vertrekken gaan,
als in het najaar, in de koffiehuizen,
weer gladiolen op de tafels staan.
Ik weet: nu zijn de velden zonder koren,
van dag tot dag wordt dieper groen de wei
en scheert de zwaluw sneller rond de toren,
de gentiaan bloeit in't moeras der hei.
Wordt dan voor immer mijn geboeid verlangen
gevoed door een seizoen en door zijn kleur,
is dit de kooi waarin ik ben gevangen,
waar is het slot en wie ontsluit de deur?

schat
Een gedicht van Nico van Suchtelen 1878-1949
Des harten schat
Hoe gaarn wilde ik nu geven
U menig schoon sieraad,
Uw jong en lieflijk leven
Te tooien naar zijn staat.
Uw haren zal ik sieren
Met flonkerende krans
Robijnen en saffieren
Van diepste gloed en glans.
Ik zal uw hals omhangen
Met paarl en edelsteen,
'k Zal gouden snoere' en spangen
Winde' om uw armen heen.
Maar 'k had mijn schat verborgen
Tot verre, veilge tijd:
Toen de onverzade zorgen
Dwongen tot stage strijd.
Waar ligt mijn schat geborgen?
'k Zocht in mijns harten grond
Alnachtlijk tot de morgen
Of ik hem wedervond.
Waar ligt mijn schat verborgen?
'k Heb u zoveel beloofd.
Wee mij, de sluwe zorgen
Hebben mijn schat geroofd!
Zij hebben 't àl genomen,
Leeg zijn mijn hart en hand;
Hoe zal 'k nu tot haar komen
En doen mijn woord gestand?
‘Geen schatten kom ik dragen,
Leeg zijn mijn hand en hart;
Een aalmoes kom ik vragen
En troost voor eigen smart’.
‘Ach, of ge ook al geheven
Tot mij uw handen houdt,
Wat zoude ik kunnen geven?
Ik zelf heb goed noch goud’.
‘Ik vraag om goud noch kransen
Van paarl of edelsteen;
Ik vraag één sprank van 't glanzen
Al uwer lieflijkheên.
Geef mij de gouden waarheid
Die uit uw stemme klinkt,
Geef mij de diepe klaarheid
Die uit uwoogen blinkt;
De vriendschap en 't vertrouwen
Van handdruk, woord en blik,
De blijheid en het rouwen
Van stille lach of snik’.
‘Ach, of 'k zo vluchtge gaven
Al gaarn gegeven had,
Wat baatte 't? Opgegraven
Werd u veel rijker schat.
Vergankelijke spranken
Vergoên geen edelsteen
En broze en tere klanken
Geen gouden kostbaarheên’.
‘Uw vluchtge gaven zullen
Mijns harten wonderschrijn
Weer met de gloed vervullen
Van nieuwer schoonheid schijn;
Die zal mij nooit ontzinken,
Want eeuwig in mijn hart
Blijft al wat schoon is blinken,
Tot vast kleinood verstard.
En zo ik dan vergaarde
Weldra nog schoner schat,
Van hoger pracht en waarde
Dan 'k vroeger ooit bezat;
Ik zal hem niet begraven
In een verloren land,
Maar met uw eigen gaven
Doe ik mijn woord gestand.
En breng als parelkransen
En goud en edelsteen
U 't onverganklijk glanzen
Al uwer minlijkheên.
Dan zal ik 't schoonste u geven
Tot overrijk sieraad,
Uw jong en teder leven
Te tooien naar zijn staat’.

borst
Hare borst is zo zacht en rond en teder,
En er om heen speelt een zo teder licht,
Zij is zoals een heuvel in het neder-
Dalen van af de schouders opgericht.
Aan de andre zijde is de schone weder-
Gade even zacht en teder opgericht,
Zij zijn een tweetal in het gouden weder
Oneindig hoog en schoon. Voor mijn gezicht.
Welk een schone schaar van bloeiende kindren
Zal zich voeden aan deze schone borsten,
Ik zie ze spelen in de nevels ginder en
Mijn ogen niet naar hier terugzien dorsten.
Goud zijn hun lichamen, zij zinderen
Door de luchten, en stillen alle dorsten.
Laatste gedichten



Veel gezworven, veel gelezen,
veel gezien en veel gedacht,
ach, bemind ook en geprezen....
in mijn eigen diepe nacht
enkel kan ik veilig wezen.
Na de gisting, na de woeling
blijft het hart zo zwak en flauw,
angstig zoekt het een bedoeling
in dat al en vindt haar nauw
in zijn eigen bleke voeling.
Voor mij is het menigvuldig'
bron van onrust, bron van kwaad,
daarin levend voel ik schuldig
dat ik zwak mij zelf verlaat,
dat ik vreemde heren huldig.
Maar toch roof ik naar behoren
uit dier vreemde heren rijk
schat van ogen, schat van oren,
voor ik weer tevreden wijk
naar mijn eigen stalen toren.
Daar in 't eigen stille duister
bindt mijn eigen vaste wet
heel de wilde, vreemde luister
in één helder stralennet,
één nadrukkelijk gefluister.
De Beweging jaargang 4 (1905)

eenzaamheid
Wij bleven onveranderd trouw aan 't heden;
Zij zijn het, die nu bij ons willen zijn,
Zich redden uit hun donker en 't verleden
In onze zaalge avondschijn.
Weer niet hun dorre handen van de zomen;
Hun ijdel lijf heeft geen gewicht of vat;
Alleen in de' onlust der slaapwandeldromen
Benaadren ze onze tastbre schat
Met halfbewust en machteloos begeren;
Hun oog ziet maar hun eigen blinden waan;
Zij kunnen ons niet schaden en niet deren;
Zij doen zichzelf hun moedwil aan.
En onze deernis en ons medelijden
Strekt tevergeefs de zegenmilde hand
Naar dit hun onbegeerd geduld geleide
En keert in de oprechte stand
Van trouwbevochte nimmermeer te delen
Geluk tot delen altijd weer gereed,
Dat hier voorbijgaat langs de duistre velen
Als onuitspreeklijk godlijk leed.
Bezonnen verzen(1931)

pret
Wâ 'n kattrig, leeg gevuul van binnen!
Stram ien de been,' ien 't heufd zo loom.
Brr! gure wiend en regen zwiepen
De dorre blaojer van de boom'.
Was 'k ook 'en boom, 'k begos nou slaopend
De lange, saoje wienterdroom.
Gen mins te zien! - Jao toch, 'en bidder
Die weer 'en dooje maokt bekend.
Eergiestren was 't nog volop karmis,
Vol pret ien harberg, kraom en tent...
Nou alles leeg - en 't leegst van alles
Mien portmenei: gen halve cent!
Kriekende Kriekske (1894)

de arend
Een aadlaar streeft steeds naar het licht,
Geen berg is hem te hoog;
Streef, kindren! zo naar eer en plicht,
Houd steeds het oog op God gericht,
En houd Zijn wet in 't oog!
De dierenwereld, in rijmpjes voor jonge kinderen. Leiden 1860



Schemering is het doodgaan en vertrekkend
begeven van dingen die zijn gegleden
mee met de dag, en steunden als vertrouwdheden,
en waren als scheidingen, wegen behekkend.
Plekkend beschenen witte heerlijkheden
van dag de morgen, en onbevreesd zich trekkend
was daaraan op, 't hart dat nu is zich rekkend
uit wanhopig naar de vreemde leegheden
van de avond en zijn gemaskerd gezicht, -
maar de dingen die hem zullen behoren
houden hun ogen nog zo vragend gericht;
en de verledenheden hebben verloren
hun glans, en liggen van al hun bekoren
leeggelopen, met een verdrietig gezicht.

natuur
De donkere verroeste blaren maken
Aarde in november weder vruchtbaar.
Alom gespreid liggen de plassen bloed,
De ritselende bloedstroom ruist,
Wanneer de wind de gele bodem veegt.
De bomen worden zienlijk kaal, alleen
De kruinen van de sparren staan nog vol
Van waaiers; fijn gestoken vorkjes aan
Een tak, pluimieren zij omlaag, of kruiven
Naar de lucht, als pajongs aan een steel.
De hemel is een zacht geademd blauw,
Waarover men wat witte wolkjes blies,
Die drijven aan tot eilandjes in zee,
Tot vlokjes schuim, of brede schotsen ijs,
Waarop de beren van het Noorden rijden.
Ik ga verheugd tussen de wonderen
Van schoonheid om mij heen, een eenzame;
Ik weet mijn tijd genaakt, ik val weldra,
Als een der blad'ren, die de goede aarde dekken
Met bloed, waaruit de nieuwe lente groeit.
Van God en van de natuur
