Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Th. van Ameide 1877-1955

Het inwendig leven V

Veel gezworven, veel gelezen,
veel gezien en veel gedacht,
ach, bemind ook en geprezen....
in mijn eigen diepe nacht
enkel kan ik veilig wezen.

Na de gisting, na de woeling
blijft het hart zo zwak en flauw,
angstig zoekt het een bedoeling
in dat al en vindt haar nauw
in zijn eigen bleke voeling.
 
Voor mij is het menigvuldig'
bron van onrust, bron van kwaad,
daarin levend voel ik schuldig
dat ik zwak mij zelf verlaat,
dat ik vreemde heren huldig.
 
Maar toch roof ik naar behoren
uit dier vreemde heren rijk
schat van ogen, schat van oren,
voor ik weer tevreden wijk
naar mijn eigen stalen toren.
 
Daar in 't eigen stille duister
bindt mijn eigen vaste wet
heel de wilde, vreemde luister
in één helder stralennet,
één nadrukkelijk gefluister.

De Beweging jaargang 4 (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:38 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

eenzaamheid

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Gestoorde eenzaamheid

Wij bleven onveranderd trouw aan 't heden;
Zij zijn het, die nu bij ons willen zijn,
Zich redden uit hun donker en 't verleden
In onze zaalge avondschijn.

Weer niet hun dorre handen van de zomen;
Hun ijdel lijf heeft geen gewicht of vat;
Alleen in de' onlust der slaapwandeldromen
Benaadren ze onze tastbre schat

Met halfbewust en machteloos begeren;
Hun oog ziet maar hun eigen blinden waan;
Zij kunnen ons niet schaden en niet deren;
Zij doen zichzelf hun moedwil aan.

En onze deernis en ons medelijden
Strekt tevergeefs de zegenmilde hand
Naar dit hun onbegeerd geduld geleide
En keert in de oprechte stand

Van trouwbevochte nimmermeer te delen
Geluk tot delen altijd weer gereed,
Dat hier voorbijgaat langs de duistre velen
Als onuitspreeklijk godlijk leed.

Bezonnen verzen(1931)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:04 Reageer op dit bericht

pret

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Nao de pret

Wâ 'n kattrig, leeg gevuul van binnen!
Stram ien de been,' ien 't heufd zo loom.
Brr! gure wiend en regen zwiepen
De dorre blaojer van de boom'.
Was 'k ook 'en boom, 'k begos nou slaopend
De lange, saoje wienterdroom.
 
Gen mins te zien! - Jao toch, 'en bidder
Die weer 'en dooje maokt bekend.
Eergiestren was 't nog volop karmis,
Vol pret ien harberg, kraom en tent...
Nou alles leeg - en 't leegst van alles
Mien portmenei: gen halve cent!

Kriekende Kriekske (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:27 Reageer op dit bericht

de arend

Een gedicht van Adriaan de Hoop 1802-1841

De arend.

Een aadlaar streeft steeds naar het licht,
Geen berg is hem te hoog;
Streef, kindren! zo naar eer en plicht,
Houd steeds het oog op God gericht,
En houd Zijn wet in 't oog!

De dierenwereld, in rijmpjes voor jonge kinderen. Leiden 1860

schrijver

Geschreven door Dora om 14:01 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Henriëtte Roland- Holst van der Schalk 1869-1952

Schemering is het doodgaan

Schemering is het doodgaan en vertrekkend
begeven van dingen die zijn gegleden
mee met de dag, en steunden als vertrouwdheden,
en waren als scheidingen, wegen behekkend.

Plekkend beschenen witte heerlijkheden
van dag de morgen, en onbevreesd zich trekkend
was daaraan op, 't hart dat nu is zich rekkend
uit wanhopig naar de vreemde leegheden

van de avond en zijn gemaskerd gezicht, -
maar de dingen die hem zullen behoren
houden hun ogen nog zo vragend gericht;
en de verledenheden hebben verloren
hun glans, en liggen van al hun bekoren
leeggelopen, met een verdrietig gezicht.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:30 Reageer op dit bericht

natuur

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

VAN DE NATUUR

De donkere verroeste blaren maken
Aarde in november weder vruchtbaar.
Alom gespreid liggen de plassen bloed,
De ritselende bloedstroom ruist,
Wanneer de wind de gele bodem veegt.

De bomen worden zienlijk kaal, alleen
De kruinen van de sparren staan nog vol
Van waaiers; fijn gestoken vorkjes aan
Een tak, pluimieren zij omlaag, of kruiven
Naar de lucht, als pajongs aan een steel.

De hemel is een zacht geademd blauw,
Waarover men wat witte wolkjes blies,
Die drijven aan tot eilandjes in zee,
Tot vlokjes schuim, of brede schotsen ijs,
Waarop de beren van het Noorden rijden.

Ik ga verheugd tussen de wonderen
Van schoonheid om mij heen, een eenzame;
Ik weet mijn tijd genaakt, ik val weldra,
Als een der blad'ren, die de goede aarde dekken
Met bloed, waaruit de nieuwe lente groeit.

Van God en van de natuur

schrijver

Geschreven door Dora om 16:45 Reageer op dit bericht

allerzielen

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Allerzielen

'k Heb zo menigmaal gegaan
waar de wilgen te treuren staan,
buiten stad, naar 't dodenveld ...
'k Heb bij woeste windgeweld
't geel gebladert dwarren zien
en onwetend op de knien
neergezakt en nagedacht
dat de dood met 't mensdom lacht
lijk de wind met 't dorre blad ...
Kranke mensdom, sta hier wat
bij de graven. 't Wormgekriel
knaagt aan 't lichaam; maar de ziel,
waar is zij? En lijdt zij niet
't snoerend vagevuurverdriet,
waar zij naar verlossing smacht
en naar uw gebeden wacht?
Allerzielen! Bededag
die ik niet vergeten mag ...
Allerzielen! Vader weent,
moeder kermt zo vereend ...
Vrouw of man of wie het is
roepen ons om lavenis.


1896

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

afscheid

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1916

AFSCHEID VAN GUIELMO

Niets dan leed blijft er beklijven,
Of ik al mijn dagen tel.
Wat zal ik nog langer drijven
Dit onnozel levensspel?

Mei en juni ging verloren
En het witte oogsttij zwond,
Toen de maaier ’t volle koren
Tot de gouden schoven bond.

Vrind, m’n leven is verstreken
En ik vind geen blijheid meer
Om de akker straks te kweken
Voor de nieuwe lentekeer.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

huusvrouwe

Een gedicht van Lucas de Heere 1535-1584

DE AUTEUR TOT ZIJN HUUSVROUWE

Lief, ons liefde begonst gelijk op ene tijd
Van God gejond, die ons deze gratie dede;
Welke liefde blijft eenvoudig, mits dat gij zijt
Van minnen zinne, en ik ook van de uwe mede.

Dies en heeft twist noch onruste bij ons geen stede,
En wij leven aldus in rechte weelde een paar:
Want waar zodanig akkoord is, pais ende vrede
Gebonden met Gods hand, wat kan gebreken daar?

Naardien ons liefde is zulk ene sterke pilaar
Dat zij ons in de dood zelfs niet zal begeven,
Laat dit op ons graf (als wij sterven) zijn geschreven:
Hier ligt man en wijf, nochtans geen twee lichamen;
Die gelijk en akkoordig waren in hun leven,
Stierven ook gelijk: en leven weder tezamen.

De hof en boomgaerd der poëzien.(Gent 1555)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:01 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De liefde slaapt in haar hart

"De liefde slaapt in haar hart
als de lente in de winterse grond
die in koude en duisternis wacht
als een vlinder in haar cocon.
in het dorp waar ik nu overnacht
schijnt morgen een schuimende zon
in een hemel met palmen bevlagd!

geen regen, geen schaduw, geen sneeuw,
geen dooiende schemering
die als een zwavelen zon
in de rafels hangt van het weer,
drijft mij terug naar het vuur
van haar kamer, haar rode haard.

sluimer, liefste, en slaap
uw eenzame winterslaap,
en ontwaak als de bevende zon
door de lentlijke evening gaat,
als een vlinder uit haar cocon,
als het vuur in uw donkere haard."

Tempel en kruis (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:30 Reageer op dit bericht

de taak

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

De taak

O, zeg mij wat ik doen moet, zie
De volheid van mijn kracht ontbloeid,
Betast mijn spieren, buig mijn knie,
Voel hoe mijn wang van aandrift gloeit,

Zegen mijn morgen met een taak,
Gun mij een denkbeeld, geef mij stof,
Dat ik mijn kamer klinkend maak
Van zang en arbeid tot Gods lof.

Misschien dat later in een oord,
Dat soms een schone droom beschrijft,
Rasser het werk vlot, ongestoord,
En de ijver daar op vleuglen drijft;

Er mag een land zijn, zulk een kust,
Waarop een zee van sterren schuimt,
Dat moeite er licht zij, zoet de rust,
Maar wat niet nú lukt, blijft verzuimd.

Het aardsche paradijs

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Sterven

Wat machtige deining hief het teer lichaam
En deed het weer in wilde branding zinken ?
Wat verre wind deed kreet na kreet verklinken,
Alsof die over wilde golven kwaam ?

Was het een klacht, een vraag, een lieve naam
Uit lief verleden in een plots herdenken ?
't Scheen al zo ver : wij wilden u te ons-waart wenken,
Waar wij aan veilige oever stonden saam.

Wat klippen, wervelstromen toogt gij langs?
Wat zonne zaagt gij verre kustzoom stovend,
Een lief tehuis en wederzien belovend ?
't Was u al na, 't Verleden en het Thans.

Nu ligt ge als droeg een zachte stroom uw leen,
Met witte vree van bloemen om u heen.

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:23 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1916

HERFST-IMPRESSIE

Soms in de vroege ochtend, kleurt
De hemel zo geheimvol licht;
Dan is ’t of gij een schoon bericht
In ’t goud-gesponnen zonlicht speurt;
En wie een donker lijden beurt,
Hem wordt de last haast blij en licht;
Wie fluist’rend vleit liefs aangezicht
Is ‘t, of elk woord een sproke neurt.

Gij kent dit wel als schone schijn,
Een lichtend uur, dat spoedig vliedt
Voor uren, die zo licht niet zijn.
Toch breekt soms door het moe refrein
Van dag na dag het zuiver lied
Van ‘t uur, dat nog zijn schoonheid biedt.

Nagelaten verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Herfst III

De wind waait langs de heide,
Waar 't korte daglicht vliedt,
En donkre wolken glijden
Langs 't zilvergrauw verschiet.

Op verre molen draaien
De wieken loom ál-door;
Er zwermen bonte kraaien
Om 't kronklend wagenspoor.

Nu zal het najaar rijzen
Met droevig doodsbegin
En spinnen, met zijn grijze
Lijkwade 't landschap in.

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:43 Reageer op dit bericht

bloem

Een gedicht van Cornelis ten Hoet 1796-1832

Gelijk een bloem, zo teder is ons leven

Gelijk een bloem, zo teder is ons leven;
Het vliet daarheen, gelijk een snelle stroom;
’t Ontwijkt de mens, gelijk een vlugge droom,
Die ’s morgens flauw slechts voor de geest blijft zweven
Ene enkle nachtvorst kan de bloem doen sneven;

Een felle noodstorm geselt vaak de vloed;
De droom benauwt en foltert soms ’t gemoed,
En doet de sluimerenden angstig beven.

Uw leven zij een bloem, die lieflijk bloeit,
En spade eerst van haar stengel wordt gereten;
Een stroom, die spieglend door de dalen vloeit,
En aan wiens boord men gaarne is neergezeten;
Een zoete droom, die ’t hart bekoort en streelt,
Wiens beelden in het goud des ochtends gloren,
En in wiens toverdreven ’t woudkoor kweelt! —

Ziedaar mijn beê : God, moge haar verhoren!

October 1825.



1480786-afa34546b98e89fb4445d7802479a787.JPG

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

wiegelied

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Wiegelied

Zweeft neer, weeft rond, o dromen,
weeft mijn arm hart in slaap.
Ruist zacht, ruist droef, mijn bomen,
ruist, gij, mijn smart in slaap...
 
In uw schaduw strek ik
mij neer in de kille lucht.
Mijn armen, mijn armen rek ik
tot haar, die mij is ontvlucht...

Ruist zacht, ruist droef, mijn bomen,
ruist, gij, mijn smart in slaap.
Zweeft neer, weeft rond, o dromen,
weeft mijn arm hart in slaap.

Mijn hart kent geen ruste:
dat is als een heel klein wicht.
Wat moeder het suste en kuste,
het schreit om gezelschap en licht...

Zweeft neer, zweeft rond, o dromen,
weeft mijn arm hart in slaap.
Ruist droef, ruist zacht, mijn bomen,
ruist mijn smart in slaap...
 
Mijn smart kent rust noch duur,
die is als een stokoud man,
die snakt naar 't stervensuur,
en het niet bereiken kan...

De Gids jaargang 57 (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1953

De wilde herfst komt langs de velden vegen

De wilde herfst komt langs de velden vegen,
De nachten worden jagende, de maan
Heeft haar blauw zilvren wapenrusting aan
En giet een stalen schijnsel langs de wegen.

De mensen worden kleiner; ingekeerd
Tot zich, huivren de smal geworden bomen ;
Hun dunne hoofden, naar het licht gekeerd,
Voelen lichaamssappen worden lome.

Er is een stil nadenken in het Al,
Veel zelfbezinnen en een droef verbeiden,
De dingen worden peinzende, er zal
Veel sterven, bij dit herfstige getijde.

Van God en van de natuur

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

duivelen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Duivelen wijsheid

1. DIEN SLECHTS EEN ENIG GOD. Zo zij 't!
Voor twee heeft niemand lust of tijd.

2. KNIEL VOOR GESNEDEN BEELDEN NIET.
Tenzij gij ze op rijksdaalders ziet.
 
3. VLOEK NIET. Wat helpt het? Blijf bedaard,
En kijk uw vijand in de kaart.
 
4. KERK ELKE ZONDAG. Wat men zegg',
Het blijft tot veel de beste weg.

5. EER UW MEERDERE. 't Is de man,
Van wie bevordring komen kan.

6. NIET DOODSLAAN. Ook niet, tot uw schâ
In 't leven houden voor en na.

7. GEEN ECHTBREUK (foei!) GEEN OVERSPEL.
't Bekomt de minste mensen wèl.
 
8. NIET STELEN. 't Is een hals, die 't doet.
Beetnemen werkt wel eens zo goed.
 
9. GEEN VALS GETUIGENIS. Laster vindt
Zijn weg wel zonder u, mijn vrind.
 
10. BEGEREN? Nonsens! De eis des tijds
  Is: Concurreer, om 't even op wat wijs.

Nog eens winterloof en dennenaalden (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:52 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Johannes van Immerzeel 1776-1841
  

 

Aan ene jonge dichter

Ik las uw versje, lieve vrind!
En 'k vond het droevig leég van zin,
Maar opgepropt van ijdle wind;
En is er nog wat draaglijks in,
Dat hebt ge, weinig uitgezonderd,
Aan andren schaamtloos afgeplonderd.

Al weet gij, hoe men woord op woord
Door 't rijm doet op elkander slaan;
Al rollen zij geregeld voort,
Als ballen in de kegelbaan;
Óok 't brein moet rijk zijn en geslepen,
De hand gevat op kloeke grepen.

Al brult de stormwind in uw dicht;
Al ratelt er de donder door,
Doorvlamd, doorkruist van bliksemlicht;
Dit zijn slechts klanken voor 't gehoor,
Weet gij hen niet aan kunst te paren,
En roert gij 't hart niet door uw snaren.

Wanneer men goede dichters leest;
Zich met hun schoon gemeenzaam maakt,
Strekt dit tot voedsel van de geest,
En richt de vlam die in ons blaakt;
Maar in hun zog alleen te drijven,
Doet altijd ons hun apen blijven.

Bespied hun tred, en overleg
Hoe ge elke voetstap zetten moet;
Maar zoek en houd een eigen weg;
En kies het schoeisel naar uw voet:
Is die geen reuzenlaars gewassen,
Dan moog 't Chinese broosje passen.

Gij weet hoe 't Icarus verging,
Die, vliegend met een kunstnaar mee,
Op al te zwakke vleuglen hing,
En nedertuimelde in de zee:
Zo ge u voor zulk een val wilt wachten,
Meet dan uw vlucht af naar uw schachten.

Gedichten (1823)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:01 1 reactie Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Mijn kind, mijn leven

Ik weet het wel, ik weet het wel;
De liefde lokt en dwingt zo fel.
De blik der liefste is zonneschijn,
Haar adem geurt als ambrozijn,
Haar kus vervoert tot waanzin toe,
En nimmer is men 't kussen moe.
Maar wat is, liefde, uw gloeiend vuur,
En uw genot, zo kort van duur,
Bij de kus van mijn kind, mijn leven?

Wat schokt, beweegt zo diep de ziel
Van hem, die roemzucht overviel!
Hij streeft, hij klimt hardnekkig voort...
Nu wordt zijn naam alom gehoord:
'De kunstnaar, heil! Hoera! de held!’
Dan glanst het oog, de boezem zwelt.
Maar wat is kunst en roem en eer
Bij 't strelend handje en 't lachje teer,
Bij de kus van mijn kind, mijn leven?
 
Ja! alles, alles smelt, vergaat
In 't kind dat aan mijn zijde staat,
Voor 't kind dat aan mijn lippen hangt
En liefdrijk mij in de armen prangt;
Wiens ziel zo rein in de ogen straalt,
Wiens mond zo zoet mijn naam herhaalt;
Mijn kind, mijn roem en hartelust,
In wie mijn wens, mijn hoop berust,
In wiens leven ik mag herleven.

Kom hier, mijn kind, zo zwak en klein,
Kom hier, mijn kind, zo schoon en rein,
Kom hier, in 't binnenst van mijn hart;
Daar schut ik u voor kwaad en smart,
En 'k voed u met mijn vlees en bloed,
En 'k warm u aan mijn liefdegloed.
Dan zij mijn loon dat elke dag,
Dat ik u zo beschermen mag,
U beminnen, mijn kind, mijn leven

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:21 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten