Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Sterven

Wat machtige deining hief het teer lichaam
En deed het weer in wilde branding zinken ?
Wat verre wind deed kreet na kreet verklinken,
Alsof die over wilde golven kwaam ?

Was het een klacht, een vraag, een lieve naam
Uit lief verleden in een plots herdenken ?
't Scheen al zo ver : wij wilden u te ons-waart wenken,
Waar wij aan veilige oever stonden saam.

Wat klippen, wervelstromen toogt gij langs?
Wat zonne zaagt gij verre kustzoom stovend,
Een lief tehuis en wederzien belovend ?
't Was u al na, 't Verleden en het Thans.

Nu ligt ge als droeg een zachte stroom uw leen,
Met witte vree van bloemen om u heen.

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:23 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

herfst

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1916

HERFST-IMPRESSIE

Soms in de vroege ochtend, kleurt
De hemel zo geheimvol licht;
Dan is ’t of gij een schoon bericht
In ’t goud-gesponnen zonlicht speurt;
En wie een donker lijden beurt,
Hem wordt de last haast blij en licht;
Wie fluist’rend vleit liefs aangezicht
Is ‘t, of elk woord een sproke neurt.

Gij kent dit wel als schone schijn,
Een lichtend uur, dat spoedig vliedt
Voor uren, die zo licht niet zijn.
Toch breekt soms door het moe refrein
Van dag na dag het zuiver lied
Van ‘t uur, dat nog zijn schoonheid biedt.

Nagelaten verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Herfst III

De wind waait langs de heide,
Waar 't korte daglicht vliedt,
En donkre wolken glijden
Langs 't zilvergrauw verschiet.

Op verre molen draaien
De wieken loom ál-door;
Er zwermen bonte kraaien
Om 't kronklend wagenspoor.

Nu zal het najaar rijzen
Met droevig doodsbegin
En spinnen, met zijn grijze
Lijkwade 't landschap in.

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:43 Reageer op dit bericht

bloem

Een gedicht van Cornelis ten Hoet 1796-1832

Gelijk een bloem, zo teder is ons leven

Gelijk een bloem, zo teder is ons leven;
Het vliet daarheen, gelijk een snelle stroom;
’t Ontwijkt de mens, gelijk een vlugge droom,
Die ’s morgens flauw slechts voor de geest blijft zweven
Ene enkle nachtvorst kan de bloem doen sneven;

Een felle noodstorm geselt vaak de vloed;
De droom benauwt en foltert soms ’t gemoed,
En doet de sluimerenden angstig beven.

Uw leven zij een bloem, die lieflijk bloeit,
En spade eerst van haar stengel wordt gereten;
Een stroom, die spieglend door de dalen vloeit,
En aan wiens boord men gaarne is neergezeten;
Een zoete droom, die ’t hart bekoort en streelt,
Wiens beelden in het goud des ochtends gloren,
En in wiens toverdreven ’t woudkoor kweelt! —

Ziedaar mijn beê : God, moge haar verhoren!

October 1825.



1480786-afa34546b98e89fb4445d7802479a787.JPG

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

wiegelied

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Wiegelied

Zweeft neer, weeft rond, o dromen,
weeft mijn arm hart in slaap.
Ruist zacht, ruist droef, mijn bomen,
ruist, gij, mijn smart in slaap...
 
In uw schaduw strek ik
mij neer in de kille lucht.
Mijn armen, mijn armen rek ik
tot haar, die mij is ontvlucht...

Ruist zacht, ruist droef, mijn bomen,
ruist, gij, mijn smart in slaap.
Zweeft neer, weeft rond, o dromen,
weeft mijn arm hart in slaap.

Mijn hart kent geen ruste:
dat is als een heel klein wicht.
Wat moeder het suste en kuste,
het schreit om gezelschap en licht...

Zweeft neer, zweeft rond, o dromen,
weeft mijn arm hart in slaap.
Ruist droef, ruist zacht, mijn bomen,
ruist mijn smart in slaap...
 
Mijn smart kent rust noch duur,
die is als een stokoud man,
die snakt naar 't stervensuur,
en het niet bereiken kan...

De Gids jaargang 57 (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1953

De wilde herfst komt langs de velden vegen

De wilde herfst komt langs de velden vegen,
De nachten worden jagende, de maan
Heeft haar blauw zilvren wapenrusting aan
En giet een stalen schijnsel langs de wegen.

De mensen worden kleiner; ingekeerd
Tot zich, huivren de smal geworden bomen ;
Hun dunne hoofden, naar het licht gekeerd,
Voelen lichaamssappen worden lome.

Er is een stil nadenken in het Al,
Veel zelfbezinnen en een droef verbeiden,
De dingen worden peinzende, er zal
Veel sterven, bij dit herfstige getijde.

Van God en van de natuur

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

duivelen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Duivelen wijsheid

1. DIEN SLECHTS EEN ENIG GOD. Zo zij 't!
Voor twee heeft niemand lust of tijd.

2. KNIEL VOOR GESNEDEN BEELDEN NIET.
Tenzij gij ze op rijksdaalders ziet.
 
3. VLOEK NIET. Wat helpt het? Blijf bedaard,
En kijk uw vijand in de kaart.
 
4. KERK ELKE ZONDAG. Wat men zegg',
Het blijft tot veel de beste weg.

5. EER UW MEERDERE. 't Is de man,
Van wie bevordring komen kan.

6. NIET DOODSLAAN. Ook niet, tot uw schâ
In 't leven houden voor en na.

7. GEEN ECHTBREUK (foei!) GEEN OVERSPEL.
't Bekomt de minste mensen wèl.
 
8. NIET STELEN. 't Is een hals, die 't doet.
Beetnemen werkt wel eens zo goed.
 
9. GEEN VALS GETUIGENIS. Laster vindt
Zijn weg wel zonder u, mijn vrind.
 
10. BEGEREN? Nonsens! De eis des tijds
  Is: Concurreer, om 't even op wat wijs.

Nog eens winterloof en dennenaalden (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:52 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Johannes van Immerzeel 1776-1841
  

 

Aan ene jonge dichter

Ik las uw versje, lieve vrind!
En 'k vond het droevig leég van zin,
Maar opgepropt van ijdle wind;
En is er nog wat draaglijks in,
Dat hebt ge, weinig uitgezonderd,
Aan andren schaamtloos afgeplonderd.

Al weet gij, hoe men woord op woord
Door 't rijm doet op elkander slaan;
Al rollen zij geregeld voort,
Als ballen in de kegelbaan;
Óok 't brein moet rijk zijn en geslepen,
De hand gevat op kloeke grepen.

Al brult de stormwind in uw dicht;
Al ratelt er de donder door,
Doorvlamd, doorkruist van bliksemlicht;
Dit zijn slechts klanken voor 't gehoor,
Weet gij hen niet aan kunst te paren,
En roert gij 't hart niet door uw snaren.

Wanneer men goede dichters leest;
Zich met hun schoon gemeenzaam maakt,
Strekt dit tot voedsel van de geest,
En richt de vlam die in ons blaakt;
Maar in hun zog alleen te drijven,
Doet altijd ons hun apen blijven.

Bespied hun tred, en overleg
Hoe ge elke voetstap zetten moet;
Maar zoek en houd een eigen weg;
En kies het schoeisel naar uw voet:
Is die geen reuzenlaars gewassen,
Dan moog 't Chinese broosje passen.

Gij weet hoe 't Icarus verging,
Die, vliegend met een kunstnaar mee,
Op al te zwakke vleuglen hing,
En nedertuimelde in de zee:
Zo ge u voor zulk een val wilt wachten,
Meet dan uw vlucht af naar uw schachten.

Gedichten (1823)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:01 1 reactie Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Mijn kind, mijn leven

Ik weet het wel, ik weet het wel;
De liefde lokt en dwingt zo fel.
De blik der liefste is zonneschijn,
Haar adem geurt als ambrozijn,
Haar kus vervoert tot waanzin toe,
En nimmer is men 't kussen moe.
Maar wat is, liefde, uw gloeiend vuur,
En uw genot, zo kort van duur,
Bij de kus van mijn kind, mijn leven?

Wat schokt, beweegt zo diep de ziel
Van hem, die roemzucht overviel!
Hij streeft, hij klimt hardnekkig voort...
Nu wordt zijn naam alom gehoord:
'De kunstnaar, heil! Hoera! de held!’
Dan glanst het oog, de boezem zwelt.
Maar wat is kunst en roem en eer
Bij 't strelend handje en 't lachje teer,
Bij de kus van mijn kind, mijn leven?
 
Ja! alles, alles smelt, vergaat
In 't kind dat aan mijn zijde staat,
Voor 't kind dat aan mijn lippen hangt
En liefdrijk mij in de armen prangt;
Wiens ziel zo rein in de ogen straalt,
Wiens mond zo zoet mijn naam herhaalt;
Mijn kind, mijn roem en hartelust,
In wie mijn wens, mijn hoop berust,
In wiens leven ik mag herleven.

Kom hier, mijn kind, zo zwak en klein,
Kom hier, mijn kind, zo schoon en rein,
Kom hier, in 't binnenst van mijn hart;
Daar schut ik u voor kwaad en smart,
En 'k voed u met mijn vlees en bloed,
En 'k warm u aan mijn liefdegloed.
Dan zij mijn loon dat elke dag,
Dat ik u zo beschermen mag,
U beminnen, mijn kind, mijn leven

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:21 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

DE NACHT IS STILLE

De nacht is stille, geen gerucht
Verneemt mijn luistrend hart;
Het lover hangt, de staande lucht
Is als bevrucht met smarte.

De bloemen dromen, fluisteren niet;
Ze schijnen lang gestorven.
Gene starre door het duister schiet:
Ach, zijn ze ook gestorven?

Mijn hart verstijft, mijn geest wordt loom
Zou niets in mij meer blaken?...
Mij drukt als lood een kille schroom,
Ach, zou de dood genaken?...

schrijver

Geschreven door Dora om 17:01 Reageer op dit bericht

de moede

Een gedicht van C.S.Adama van Scheltema 1921-1947

De moede

Mijn lijf is mat,
Mijn ogen zoeken
In alle hoeken -
Ik weet niet wat.

Een zwakke lach
Valt van mijn wangen,
Ik ben gevangen
Met een slag.

Alles verstomt,
Alles wordt duister,
0 luister, luister:
De wanhoop komt!

De wanhoop sart
Me en wil 't beslechten,
Help gij mij vechten
Mijn dapper hart!

Steun gij mij weer,
Keer het ten goede,
Ik ben zo moede -
Ik kan niet meer

Zwerversverzen (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:11 Reageer op dit bericht

vleugelen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Vleugelen

Een lied... een lied, uw leven lang!...
Och mocht gij 't weten, lieve vrinden,
Dat — zij uw harte blij of bang,
Gij hóger lust noch rust kunt vinden,
Dan in gezang!

Van wàt er aamt in veld en vloed
Heeft niets een schoner, zaalger leven
Dan 't vooglijn, dat met frisse moed,
In duizend liedren, onder 't zweven,
De schepping groet.

Of zo het diertje u vrolijk schijn',
Omdat het Vleuglen heeft ontvangen. . .
Gij vliegt zo goed als 't vogelijn!
Laat maar de dankbaar-blijde zangen
Uw vleuglen zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Leven in droom

Wat was het landschap teer en fijn
Vannacht in droom bij zilvren schijn:
Een sierlijk brugje, een stralenbeek,
De berkentwijgen rank en bleek,
Huivrend, maar zonder ritseling.
En wijl ik peinzend glijdend ging
Over de lage heuvlen, grijs
Bemost, als licht behageld ijs,
Zag 'k eensklaps, als een avondgloed
's Winters door neevlen rozig-zoet
Achter de speelse kruinen poost
(Gelijk een bleke bruid soms bloost
Door van haar lokken 't weefsel blond),
Ons huisje, in vreemde dromenstond
Wonder herschapen: dak en muur
Was warm en lieflijk gloeiend vuur,
En schemervormen, toch herkend,
Hadden iets toovrigs, als een tent
In Oosters Nachtverhaal gebouwd
Door geesten als uit zonnegoud. -
Nu is het dag, wij dromen niet,
En toch...datzelfde woudgebied:
Een sierlijk brugje, een stralenbeek,
De berkentwijgen rank en bleek,
En ginds...wat gloeit daar onverwacht
De kruinen door met wondre pracht?
Ons huisje! Maar wij zagen 't nooit
In zulk een sprookjes-glans getooid,
Een wonder op de heldre dag.
Nimmer ons oog die kleuren zag
Zo warm, zo teer, door 't stille woud
Scheemrend, als stond het niet gebouwd
Op wijde hei...O zaligheid,
Als ons ontzinkt de werklijkheid,
Als altijd nieuw, hetzelfde ding
Doet siddren van verwondering,
Als men zijn nuchtre leven leeft
In schijnselen als de Droom ons geeft!

schrijver

Geschreven door Dora om 17:06 Reageer op dit bericht

minnen

 

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Ik min u nog

Ik wilde u zien: ik zag u weer,
En kwam u om genade smeken.
Maar, wat ik poogde, ik kon niet spreken,
En gij, ge sloeg uwe ogen neer.
Geen blik, geen blos op uwe wangen,
Geen woord: uw hart was koud en stom.
Ik trilde en beefde van verlangen,
Ge ging voorbij en zag niet om.
 
Ik min u nog, al schondet gij
De eed, mij eens vol vuur gezworen;
Ik heb u lief zoals te voren,
Al denkt ge thans niet meer aan mij.
Verbitterd heb ik u verlaten,
En vluchtte verre van u heen:
U wou mijn hoofd vergeten, haten,
Maar ach! mijn hart, dat zeide neen!

Ja, vruchteloos heb ik getracht
Uw beeld uit mijne ziel te drijven:
Mijn allerliefste zult ge blijven,
Schoon geen hoop me tegenlacht.
En drukten mij ook andre schonen
Vol liefde tegen mond en borst,
Hun kon ik geen minne tonen,
Al smachte ik van minnedorst.
 
O noem ik u nog eenmaal mijn,
Kom in mijn armen weergevlogen!
En ware uw woord een andre logen
Zo spreek - ik zal gelukkig zijn.
Zeg, dat gij alles wilt vergeten,
En danken zal ik op de knien...
En eens wellicht - wie kan het weten -
Zult gij mij ook weer geerne zien.

Liederen (1868)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 13:42 Reageer op dit bericht

verbeurd

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Verbeurd van alles

Verbeurd van alles - o verscheurde droom-gemoedren!...
Wij zijn de lang-verweeuwde en kind-verlaten moedren;
wij blaffen in het spoor van, smoorlijk, Hecabe,
of, in de ontreddring van de laagste rust verzonken,
ons lammen dag ontlaên en leeg van alle vonken,
verliezen aan geduld de vormen zelfs der beê.

Liefde-verloren, wij, die lang al lam aan hopen,
ons dochtren met de wateren der armoe dopen
en bij geboorte spenen van onnozelheid:
ons tand-vlees komt niet bloot dan bij het bloedig roeren
van onze zonen die de opstand'ge vanen voeren
naar onverstoorbaar-dom een dommelige tijd.

Er is geen tijd meer, noch verlangen, noch verzoenen;
geen dageraad belooft een daagraad; de seizoenen
zijn blinder dan een god die zwijgt en nimmer bloost;
geen dag die om een dag zijn scheemring laat berooien,
geen vrouw die om bezit zich in de dood zal gooien
en zelfs geen minnaar meer die de eigen wangen koost.

Nagelaten verzen (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

DE SCHONE HERFST

Naar deze herfst had ik ontroerd gewacht
Als naar een nacht van zwoel doorgeurde dromen:
Naar 't koele licht en naar de gouden bomen
In grauwe nevel langs de smalle gracht.

De dagen waren vreemd van vege pracht,
Een felle gloed scheen alles te doorstromen:
De bloemen baarden huivrend-zoete aromen
En wrede kleuren, bont en brandend-zacht.

En als ik trad onder het droeve woeden
Van stilte en weelde en lust de dood gewijd
Voelde ik een beven door mijn leden spoeden,

Maar ook, diep in mijn ziel die bang-verblijd
De rijkdom dronk, het mateloze bloeden
Van schrijnende angst en hete onzekerheid.

Gedichten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:56 Reageer op dit bericht

graf

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Bij zijn graf

De arm vol bloemen, ijlt de vrouw naar 't graf,
 Alsof haar stralend dáar te beiden stond,
Wijd open de armen, rijzig, jong en blond,
Haar lief, die haar, wie zij een hemel gaf.

En hijgend buigt ze en bevend kust haar mond
De naam van hem, wien dood nam van haar af.
Zij lijdt voor liefde als voor een zonde straf.
Zij strooit haar bloemen op de zerk in 't rond.
 
Hier, voor zijn ogen, blauw als van een kind,
Azuur van maagdepalm en hyacint,
Daar, voor zijn lippen, rood van tulpengloed,
Mimosagoud voor 't honingblonde haar,
Voor héel zijn blankheid, lelies - O hij moet
Wel voelen nu: die bloemen zijn van haar

Jonge weduwe II (De Gids 1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

duiventil

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1761-1818

De naam op de duiventil

Philas, door de min bestreden,
Had de naam van Amaril,
Met zijn naam, wel diep gesneden
Op de rand der duiventil.
'k Zie haar na haar duifjes treden,
Die ze als anders voeren wil.
't Meisje vindt haar naam geschreven
Bij zijn naam, zij bloost, zij lacht:
Wat zij dacht, is ons om 't even.
Maar wie had het ooit verwacht,
Dat haar duifjes hongrig bleven,
Daar zij om geen voeren dacht.

Minne-zangen en jeugdige gedichten (1790)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:19 Reageer op dit bericht

nachtbloesems

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Nachtbloesems VIIII

Kom mede in het duister, mijn kind!
Kom mede in het duister, want de avond is schoon!
Als verstomd zijn de vooglen; geen enkele toon
Zingt er de zangrige wind.

Kom mede in het duister, mijn lief!
Kom mede in het duister, waar niemand ons ziet;
Niet ene enkele bloem ons nieuwsgierig bespiedt,
Waar ze op haar stengel zich hief.

Kom mede in het duister, mijn hart!
Kom mede in het duister: ik smacht naar uw mond;
Naar de blik uwer ogen; naar 't haar, dat zo blond
Zich rond uw wangen verwart.

Kom mede in het duister, mijn schat!
Kom mede in het duister: 't al leeft met ons mee;
Al de rozekens storten in haar beê,
Zwijmlend, van kussen reeds mat...

Zo schoon is de nacht, en zo stille is de wind...
Kom dy mede in het duister, o mijn lief, o, mijn kind.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:14 Reageer op dit bericht

naar huis

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1904

Naar huis

Zoet gevoel naar 't lieve thuis te stomen,
En, al naderende, u om niets bekreund
Dan te zien of ge, uit 't portier geleund,
't Dak ziet schemeren achter lindebomen !

Of de buren reeds te voorschijn komen ?
Of door 't rijden, waar de straat van dreunt,
In de muren, door het dak gesteund,
Spleet en barsten niet zijn toegenomen ?

Maar wat kan u barst en spleet thans schelen,
Groene pan of verveloos kozijn ?
In de linde hoort ge uw vooglen kwelen,

Op de bladeren speelt de zonneschijn ;
Kinderstemmen komen 't oor u strelen
Welkom ! welkom ! roepen groot en klein.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:44 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten