Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Leven in droom

Wat was het landschap teer en fijn
Vannacht in droom bij zilvren schijn:
Een sierlijk brugje, een stralenbeek,
De berkentwijgen rank en bleek,
Huivrend, maar zonder ritseling.
En wijl ik peinzend glijdend ging
Over de lage heuvlen, grijs
Bemost, als licht behageld ijs,
Zag 'k eensklaps, als een avondgloed
's Winters door neevlen rozig-zoet
Achter de speelse kruinen poost
(Gelijk een bleke bruid soms bloost
Door van haar lokken 't weefsel blond),
Ons huisje, in vreemde dromenstond
Wonder herschapen: dak en muur
Was warm en lieflijk gloeiend vuur,
En schemervormen, toch herkend,
Hadden iets toovrigs, als een tent
In Oosters Nachtverhaal gebouwd
Door geesten als uit zonnegoud. -
Nu is het dag, wij dromen niet,
En toch...datzelfde woudgebied:
Een sierlijk brugje, een stralenbeek,
De berkentwijgen rank en bleek,
En ginds...wat gloeit daar onverwacht
De kruinen door met wondre pracht?
Ons huisje! Maar wij zagen 't nooit
In zulk een sprookjes-glans getooid,
Een wonder op de heldre dag.
Nimmer ons oog die kleuren zag
Zo warm, zo teer, door 't stille woud
Scheemrend, als stond het niet gebouwd
Op wijde hei...O zaligheid,
Als ons ontzinkt de werklijkheid,
Als altijd nieuw, hetzelfde ding
Doet siddren van verwondering,
Als men zijn nuchtre leven leeft
In schijnselen als de Droom ons geeft!

schrijver

Geschreven door Dora om 17:06 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

minnen

 

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Ik min u nog

Ik wilde u zien: ik zag u weer,
En kwam u om genade smeken.
Maar, wat ik poogde, ik kon niet spreken,
En gij, ge sloeg uwe ogen neer.
Geen blik, geen blos op uwe wangen,
Geen woord: uw hart was koud en stom.
Ik trilde en beefde van verlangen,
Ge ging voorbij en zag niet om.
 
Ik min u nog, al schondet gij
De eed, mij eens vol vuur gezworen;
Ik heb u lief zoals te voren,
Al denkt ge thans niet meer aan mij.
Verbitterd heb ik u verlaten,
En vluchtte verre van u heen:
U wou mijn hoofd vergeten, haten,
Maar ach! mijn hart, dat zeide neen!

Ja, vruchteloos heb ik getracht
Uw beeld uit mijne ziel te drijven:
Mijn allerliefste zult ge blijven,
Schoon geen hoop me tegenlacht.
En drukten mij ook andre schonen
Vol liefde tegen mond en borst,
Hun kon ik geen minne tonen,
Al smachte ik van minnedorst.
 
O noem ik u nog eenmaal mijn,
Kom in mijn armen weergevlogen!
En ware uw woord een andre logen
Zo spreek - ik zal gelukkig zijn.
Zeg, dat gij alles wilt vergeten,
En danken zal ik op de knien...
En eens wellicht - wie kan het weten -
Zult gij mij ook weer geerne zien.

Liederen (1868)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 13:42 Reageer op dit bericht

verbeurd

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Verbeurd van alles

Verbeurd van alles - o verscheurde droom-gemoedren!...
Wij zijn de lang-verweeuwde en kind-verlaten moedren;
wij blaffen in het spoor van, smoorlijk, Hecabe,
of, in de ontreddring van de laagste rust verzonken,
ons lammen dag ontlaên en leeg van alle vonken,
verliezen aan geduld de vormen zelfs der beê.

Liefde-verloren, wij, die lang al lam aan hopen,
ons dochtren met de wateren der armoe dopen
en bij geboorte spenen van onnozelheid:
ons tand-vlees komt niet bloot dan bij het bloedig roeren
van onze zonen die de opstand'ge vanen voeren
naar onverstoorbaar-dom een dommelige tijd.

Er is geen tijd meer, noch verlangen, noch verzoenen;
geen dageraad belooft een daagraad; de seizoenen
zijn blinder dan een god die zwijgt en nimmer bloost;
geen dag die om een dag zijn scheemring laat berooien,
geen vrouw die om bezit zich in de dood zal gooien
en zelfs geen minnaar meer die de eigen wangen koost.

Nagelaten verzen (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

DE SCHONE HERFST

Naar deze herfst had ik ontroerd gewacht
Als naar een nacht van zwoel doorgeurde dromen:
Naar 't koele licht en naar de gouden bomen
In grauwe nevel langs de smalle gracht.

De dagen waren vreemd van vege pracht,
Een felle gloed scheen alles te doorstromen:
De bloemen baarden huivrend-zoete aromen
En wrede kleuren, bont en brandend-zacht.

En als ik trad onder het droeve woeden
Van stilte en weelde en lust de dood gewijd
Voelde ik een beven door mijn leden spoeden,

Maar ook, diep in mijn ziel die bang-verblijd
De rijkdom dronk, het mateloze bloeden
Van schrijnende angst en hete onzekerheid.

Gedichten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:56 Reageer op dit bericht

graf

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Bij zijn graf

De arm vol bloemen, ijlt de vrouw naar 't graf,
 Alsof haar stralend dáar te beiden stond,
Wijd open de armen, rijzig, jong en blond,
Haar lief, die haar, wie zij een hemel gaf.

En hijgend buigt ze en bevend kust haar mond
De naam van hem, wien dood nam van haar af.
Zij lijdt voor liefde als voor een zonde straf.
Zij strooit haar bloemen op de zerk in 't rond.
 
Hier, voor zijn ogen, blauw als van een kind,
Azuur van maagdepalm en hyacint,
Daar, voor zijn lippen, rood van tulpengloed,
Mimosagoud voor 't honingblonde haar,
Voor héel zijn blankheid, lelies - O hij moet
Wel voelen nu: die bloemen zijn van haar

Jonge weduwe II (De Gids 1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

duiventil

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1761-1818

De naam op de duiventil

Philas, door de min bestreden,
Had de naam van Amaril,
Met zijn naam, wel diep gesneden
Op de rand der duiventil.
'k Zie haar na haar duifjes treden,
Die ze als anders voeren wil.
't Meisje vindt haar naam geschreven
Bij zijn naam, zij bloost, zij lacht:
Wat zij dacht, is ons om 't even.
Maar wie had het ooit verwacht,
Dat haar duifjes hongrig bleven,
Daar zij om geen voeren dacht.

Minne-zangen en jeugdige gedichten (1790)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:19 Reageer op dit bericht

nachtbloesems

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Nachtbloesems VIIII

Kom mede in het duister, mijn kind!
Kom mede in het duister, want de avond is schoon!
Als verstomd zijn de vooglen; geen enkele toon
Zingt er de zangrige wind.

Kom mede in het duister, mijn lief!
Kom mede in het duister, waar niemand ons ziet;
Niet ene enkele bloem ons nieuwsgierig bespiedt,
Waar ze op haar stengel zich hief.

Kom mede in het duister, mijn hart!
Kom mede in het duister: ik smacht naar uw mond;
Naar de blik uwer ogen; naar 't haar, dat zo blond
Zich rond uw wangen verwart.

Kom mede in het duister, mijn schat!
Kom mede in het duister: 't al leeft met ons mee;
Al de rozekens storten in haar beê,
Zwijmlend, van kussen reeds mat...

Zo schoon is de nacht, en zo stille is de wind...
Kom dy mede in het duister, o mijn lief, o, mijn kind.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:14 Reageer op dit bericht

naar huis

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1904

Naar huis

Zoet gevoel naar 't lieve thuis te stomen,
En, al naderende, u om niets bekreund
Dan te zien of ge, uit 't portier geleund,
't Dak ziet schemeren achter lindebomen !

Of de buren reeds te voorschijn komen ?
Of door 't rijden, waar de straat van dreunt,
In de muren, door het dak gesteund,
Spleet en barsten niet zijn toegenomen ?

Maar wat kan u barst en spleet thans schelen,
Groene pan of verveloos kozijn ?
In de linde hoort ge uw vooglen kwelen,

Op de bladeren speelt de zonneschijn ;
Kinderstemmen komen 't oor u strelen
Welkom ! welkom ! roepen groot en klein.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:44 Reageer op dit bericht

destem

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

De stem van Vincent

Laat ons de blaren
van alle leed vergaren.
De aarde, ook vermoeid,
heeft nooit dode
blaren gedragen.
De aarde wondt
om, in de driedagestond,
te laten herrijzen
onder de loodzware kus van de liefde.

En is die kus weerom licht leed,
leed, dat alles is, - Ik ben Die is, -
o, laat deze zoen niet verloren gaan
want elke zoen is gloên van goed.

Nooit wassen dode vruchten
aan de bomen.
De pijnen snikken eeuwig
en laten hun lange tranen als vingers vallen.
Weet dit, mijn zoon: wanneer alle leed leven wordt,
houdt op het leven leed te zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:13 Reageer op dit bericht

mietje

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Mietje

’t Meiske, met zijn’ teele melk,
op zijn blote voetjes,

lang, gelijk nen terruwstelk,
zoetjes, zoetjes, zoetjes

terdt het voort, en anders niet
als zijn teele melk en ziet’t.

’t Meiske hoorde: „Goedendag!”
zeggen, zoetjes, zoetjes:
„Mietje!” ’t Meiske ommezag...
op zijn blote voetjes
viel de melk en, vol verdriet,
wie dat ’t was en wist het niet.

Meiske, meiske, meiske snel,
op uw blote voetjes,
melk aan ’t dragen, wacht u wel:
zoetjes, zoetjes, zoetjes,
mijdt u, meiske, en hoort gij iet,
vóór u, maar niet omme en ziet!

---------------------------------------

Teele: teil
Terruwstelk: tarwestengel.
Terdt: treedt

schrijver

Geschreven door Dora om 14:29 Reageer op dit bericht

zalig

Een gedicht van D.V. Coornhert 1522-1590

ZALIG LEEFT HIJ BIJ DE MENSEN

Zalig leeft hij bij de mensen
Die met herte God betrouwt,
Diens verkiezen, wil noch wensen
Niet en zoekt dat na berouwt,
Maar hert en wil gelaten houdt
En volgt de wil des Heren.
Dees lijdt
En mijdt.
Hij lijdt Gods daad
En mijdt het kwaad:
Dus mag hem hier geen onrust deren.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:34 Reageer op dit bericht

niet

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

NIET IEDEREEN KAN HEIDEN ZIJN

Niet iedereen kan heiden zijn.
Daartoe hoort kracht en moed;
een vast geloof in zon en wijn,
en blijde lust in ’t bloed.

Niet iedereen voelt zijn verlangst
voldaan op aardes schoot,
schrijdt door het leven zonder angst,
en zonder klacht ten dood.

De aardeling heeft aarde schier
Te moederlijk verwend.
De heiden leef zijn leven hier
in schoonheid tot het end.

De leeuwerik zingt van ’s ochtends vroeg.
De hemel, waar hij vliegt,
is hoog genoeg, is schoon genoeg.
Elk’ and’re hemel liegt.

Elk’ and’re hemel is een waan.
Alleen het luchtgewelf,
de diepten, waar de sterren staan,
bloeit heerlijk in mijzelf.

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

rouwzang

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Rouwzang

In 't zwartomfloersd vertrek, in zilvren nacht,
Op 't kleed van rouw het losgebonden haar,
Alleen met hem, voor hem, met schoon gebaar,
De weduw zong haar edele dodeklacht.

Kon zang hem wekken met zijn tovermacht?
Haar hand lag blank, een lelie, op de baar,
Waar sliep wie nóg behoorde alleen aan haar -
Voor 't huis drong volk, een meisje weende zacht.
 
In volle zaal, wen later, zong die vrouw,
Nog bleek van 't eenzaam dromen bij een graf,
Vroeg 't volk dat éne liefde- en smartelied.
 
Veel liedren zong zij, doch de zang van rouw,
Die ze, in dat uur, hem mee ten hemel gaf,
Die bleef van hem, die gaf zij vreemden niet.

Jonge weduwe I (De Gids 1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:46 Reageer op dit bericht

wandeling

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Wandeling zonder maan

De grote mensen zijn naar bed gegaan.
Mijn lieve kind, wij zouden kunnen lopen
om 't huis, door 't donker, maar het hek staat open,
de straat op, onder een lantaren blijven staan.

Wij zouden kunnen zoeken naar de maan,
die als een spelbreker opeens is weggekropen.
Dit licht volstaat? maar 't trekt muskieten aan!
Kom mee, een voorraad karamellen kopen.

Een grote voorraad, groot voor wel twee uren.
't Is lang, twee uren, kind. Zou ooit wel duren
een vreugde langer? 'k Stel de vraag met pijn.

Dit zoete smelten op de tong moet sussen
de brand van onze lippen, want wij zijn te klein,
nietwaar, kind? om elkaar, twee uren door, te kussen.

Parlando (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:35 Reageer op dit bericht

zin

Een gedicht van D.V. Coornhert 1522-1590

GEESTELIJKE ZIN OP DE MUZIEKE

Als had de menigvuldige gedachten
Met alle 's mensen begeerlijke krachten
't Verstand gehoorzamen gelieke,
En reden dan de mate daar slaat
Met ene voorzichtige rijpe raad,
Waar vindt men lieflijker muzieke.

Als Heren, Vorsten, landen ende steden
Eendrachtelijk leven in goede vrede
En d'arme hem neret van de Rike.
Als d'overheid goede wetten geeft,
De gemeente dan in gehoorzaamheid leeft,
Waar vindt men lieflijker muzieke.

Als veel goei herten die 't kwade bedwingen
Eenmoedelijk Gode een lofzang zingen
En stichten elk met weldoens blike.
Zo dan haar meester de Wet des Heren,
Haar stemmen ineen doet accorderen,
Waar vindt men lieflijker muzieke.

Maar als Gods kindren door Jesum bevrijd
Eenmoedig God loven en prijzen altijd
Verenigd door des Geests practieke:
En zingen in der Liefden gilde
Met vreugde zonder maat in 't wilde
Men vindt geen lieflijker muzieke.

--------------------------------------
de oorspronkelijke tekst:

Gheestelyke zin opte Muzyke

[Op de wyze: O Koning van Vranckryck wel lieve Neve.]

Als al de menighvuldighe ghedachten
Met alle smenschen begheerlicke krachten
tVerstant ghehoorzamen ghelyke,
En reden dan de mate daar slaat
Met een voorzichtighen rypen raad
Waar vintmen Lieflicker muzyke.

Als Heren, Vorsten, landen ende steden
Eendrachtelick leven in ghoede vreden
En d'arme hem neret vanden Rycke.
Als d'overheyd ghoede Wetten gheeft
De ghemeynte dan in ghehoorzaamheyd leeft
Waar vintmen lieflicker muzyke.

Als veel ghoey herten die tquade bedwingen
Eenmoedelick Gode een lofzang zingen
En stichten elck met wel doens blyke.
Zo dan haar meester de Wet des heren,
Haar stemmen in een doet accorderen
Waar vintmen lieflicker Muzyke.

Maar als Goods kindren door Iesum ghevryt
Eenmoedigh God loven en pryzen altyd
Vereenicht door des Gheests practyke:
En zingen inder Liefden ghilde
Met vruechden zonder maat int wilde
Men vint gheen lieflicker Muzyke.

Lied-boeck (1575)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:46 Reageer op dit bericht

de vaas

 

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

De vaas

Snijd van de struik de seringen
stel de bloemen in een aarden vaas
 
Zoals de aarden vaas draagt
glad juweel van geworden kennis
van zijn kleien oorsprong de herinnering
sluit gij met het laatste doen van uw handen uw verlangen
in de vereniging van de bloem met de aarden vaas

Gedichten (1935)

schrijver


 

 

 

 

Geschreven door Dora om 13:46 Reageer op dit bericht

zee

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

De zee en het land.

Ik houd van het wilde gewentel der zee;
Zij danst met de kiel, en mijn hart dat danst mee:
De kiel is met wakkere zeelui bemand -
En 'k droom van haar glorie, de roem van mijn land.

Ik houd van het dreunend gedaver der zee;
De zee zingt van strijd en mijn hart dat zingt mee:
Zij dondert haar loeiend hoera naar het strand -
En 'k droom van haar glorie, de roem van mijn land.

Mijn trots en mijn liefde behoren die twee;
Ik kan ze niet scheiden, mijn land en de zee.
Als moeder en kind zijn ze elkander verwant:
De glorie der zee is de roem van mijn land.

Frissche Wind.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:12 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1916

Meisje voor het feest

't Eérst, in blij ongeduld, kwam ze af. Nog toeft geen gast
Ter zaal. Week daar de deur...? de bout schuurt langs de luiken
En 't uur kruipt traag. De dis beurt, glanzend in 't damast,

Zwaar zilver en zoet ooft; in donker-koele kruiken
En transparante fluit smilt 't welig coloriet
Der kaarsen, die hun vlam tot een goud hart ontpluiken.

Wéér spiedt ze 't uur, en wijlt en peinst of 't kleedje niet
Een sieraad mist; ze wikt, 't blond hoofdje schuins genegen,
Het spiegelbeeld, dat lacht en dan weer droom'rig ziet.

En 't wordt een speelse lust, hoe 't mondje, toegeregen,
Pruilt en weer lacht; hoe slank op maat van menuet
't Gestrikte schoentje treedt; hoe gracelijk van bewegen

Haar buiging valt, hoe hoofs haar groet is en koket.
Totdat ze plots'ling bloost om 't ijdel zelfbehagen
En zich aan hogeschouw héél zedig nederzet,

Een glimlach om de mond, de wimpers neergeslagen.

schrijver

Geschreven door Dora om 20:46 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Het regent, het regent

Regen spet, regen spat
't zijn geen tranen, 't is geen wenen,
water, water dat vloeit henen
opgepast of je wordt nat -
regen sputtert, spettert, spat;
"ik heb nimmer lief gehad."

Vege zwermen, regenschermen
spreiden doods hun zwarte vlerken
over vreemde vormen uit,
niet van mensen, maar van zerken;
alle zerken togen uit,
zerken zonder kruis of bede
rust in vrede, rust besluit.
Zerken schuiven door de steden
zonder rede of geluid,
zerken die geen ziel beschermen,
zonder termen, zonder buit,
zoekend, zoekend slechts een dode
want een dode is van node,
slechts een dode, niets dan dat!
regen, regen, regen spat....
,,nimmer heb ik lief gehad."

Feller stralen, sneller dalen:
,,hoor nu, hoor: een jonge vrouwe
Ging hier ongeweten dood!
zij beminde, dorst vertrouwen
-minnen is de droefste nood. - ;
Maar haar dood zal hem niet baten
die verwaten, eerst vergoodt,
om dan dieper nog te haten,
zonder mate, al te snood!
doch wij zullen nu niet falen
en hem halen of zijn dood !"
- Regen is een veile bode
Ik beminde nooit die dode;
boze tongen zeggen dat,
't is de regen, die het spat:
nimmer heb ik liefgehad!

Regen spet, regen spat
het zijn tranen, het is wenen,
om een vrouwe die ging henen
om een vrouwe die aanbad
om een vrouw, die dorst vergoden
en haar stervend hart moest doden.
0, de regen roept haar schrei:
,,Nimmer leeft gij los van mij !"
Regen, hoor, de regen spat:
waarom, waarom lief gehad!

Parijsche verzen (1923)

 

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

orfeus

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

Orfeus

Had Orfeus niet Eurydice gedood
Door zelf te hunkren naar haar levende ogen,
Voor eeuwig had hij haar in ’t licht gevoerd.

Nu stond hij wenend waar zich de afgrond sloot
En had voorgoed zich aan zijn arm onttogen
Wie hij zo vast zich dacht aan ’t hart gesnoerd.

Nu bleef zijn hunkren als een open wond
En ’t lied van nederwaarts gericht verlangen
Zwaar en verzadigd als een boom die treurt,

Terwijl die Andre opnieuw de cirkling bond
Waaruit alleen de opvaart van zijn gezangen
Haar – voor hoe kort, helaas! – had losgescheurd.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten