Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

duivelen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Duivelen wijsheid

1. DIEN SLECHTS EEN ENIG GOD. Zo zij 't!
Voor twee heeft niemand lust of tijd.

2. KNIEL VOOR GESNEDEN BEELDEN NIET.
Tenzij gij ze op rijksdaalders ziet.
 
3. VLOEK NIET. Wat helpt het? Blijf bedaard,
En kijk uw vijand in de kaart.
 
4. KERK ELKE ZONDAG. Wat men zegg',
Het blijft tot veel de beste weg.

5. EER UW MEERDERE. 't Is de man,
Van wie bevordring komen kan.

6. NIET DOODSLAAN. Ook niet, tot uw schâ
In 't leven houden voor en na.

7. GEEN ECHTBREUK (foei!) GEEN OVERSPEL.
't Bekomt de minste mensen wèl.
 
8. NIET STELEN. 't Is een hals, die 't doet.
Beetnemen werkt wel eens zo goed.
 
9. GEEN VALS GETUIGENIS. Laster vindt
Zijn weg wel zonder u, mijn vrind.
 
10. BEGEREN? Nonsens! De eis des tijds
  Is: Concurreer, om 't even op wat wijs.

Nog eens winterloof en dennenaalden (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:52 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

dichter

Een gedicht van Johannes van Immerzeel 1776-1841
  

 

Aan ene jonge dichter

Ik las uw versje, lieve vrind!
En 'k vond het droevig leég van zin,
Maar opgepropt van ijdle wind;
En is er nog wat draaglijks in,
Dat hebt ge, weinig uitgezonderd,
Aan andren schaamtloos afgeplonderd.

Al weet gij, hoe men woord op woord
Door 't rijm doet op elkander slaan;
Al rollen zij geregeld voort,
Als ballen in de kegelbaan;
Óok 't brein moet rijk zijn en geslepen,
De hand gevat op kloeke grepen.

Al brult de stormwind in uw dicht;
Al ratelt er de donder door,
Doorvlamd, doorkruist van bliksemlicht;
Dit zijn slechts klanken voor 't gehoor,
Weet gij hen niet aan kunst te paren,
En roert gij 't hart niet door uw snaren.

Wanneer men goede dichters leest;
Zich met hun schoon gemeenzaam maakt,
Strekt dit tot voedsel van de geest,
En richt de vlam die in ons blaakt;
Maar in hun zog alleen te drijven,
Doet altijd ons hun apen blijven.

Bespied hun tred, en overleg
Hoe ge elke voetstap zetten moet;
Maar zoek en houd een eigen weg;
En kies het schoeisel naar uw voet:
Is die geen reuzenlaars gewassen,
Dan moog 't Chinese broosje passen.

Gij weet hoe 't Icarus verging,
Die, vliegend met een kunstnaar mee,
Op al te zwakke vleuglen hing,
En nedertuimelde in de zee:
Zo ge u voor zulk een val wilt wachten,
Meet dan uw vlucht af naar uw schachten.

Gedichten (1823)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:01 1 reactie Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Mijn kind, mijn leven

Ik weet het wel, ik weet het wel;
De liefde lokt en dwingt zo fel.
De blik der liefste is zonneschijn,
Haar adem geurt als ambrozijn,
Haar kus vervoert tot waanzin toe,
En nimmer is men 't kussen moe.
Maar wat is, liefde, uw gloeiend vuur,
En uw genot, zo kort van duur,
Bij de kus van mijn kind, mijn leven?

Wat schokt, beweegt zo diep de ziel
Van hem, die roemzucht overviel!
Hij streeft, hij klimt hardnekkig voort...
Nu wordt zijn naam alom gehoord:
'De kunstnaar, heil! Hoera! de held!’
Dan glanst het oog, de boezem zwelt.
Maar wat is kunst en roem en eer
Bij 't strelend handje en 't lachje teer,
Bij de kus van mijn kind, mijn leven?
 
Ja! alles, alles smelt, vergaat
In 't kind dat aan mijn zijde staat,
Voor 't kind dat aan mijn lippen hangt
En liefdrijk mij in de armen prangt;
Wiens ziel zo rein in de ogen straalt,
Wiens mond zo zoet mijn naam herhaalt;
Mijn kind, mijn roem en hartelust,
In wie mijn wens, mijn hoop berust,
In wiens leven ik mag herleven.

Kom hier, mijn kind, zo zwak en klein,
Kom hier, mijn kind, zo schoon en rein,
Kom hier, in 't binnenst van mijn hart;
Daar schut ik u voor kwaad en smart,
En 'k voed u met mijn vlees en bloed,
En 'k warm u aan mijn liefdegloed.
Dan zij mijn loon dat elke dag,
Dat ik u zo beschermen mag,
U beminnen, mijn kind, mijn leven

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:21 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

DE NACHT IS STILLE

De nacht is stille, geen gerucht
Verneemt mijn luistrend hart;
Het lover hangt, de staande lucht
Is als bevrucht met smarte.

De bloemen dromen, fluisteren niet;
Ze schijnen lang gestorven.
Gene starre door het duister schiet:
Ach, zijn ze ook gestorven?

Mijn hart verstijft, mijn geest wordt loom
Zou niets in mij meer blaken?...
Mij drukt als lood een kille schroom,
Ach, zou de dood genaken?...

schrijver

Geschreven door Dora om 17:01 Reageer op dit bericht

de moede

Een gedicht van C.S.Adama van Scheltema 1921-1947

De moede

Mijn lijf is mat,
Mijn ogen zoeken
In alle hoeken -
Ik weet niet wat.

Een zwakke lach
Valt van mijn wangen,
Ik ben gevangen
Met een slag.

Alles verstomt,
Alles wordt duister,
0 luister, luister:
De wanhoop komt!

De wanhoop sart
Me en wil 't beslechten,
Help gij mij vechten
Mijn dapper hart!

Steun gij mij weer,
Keer het ten goede,
Ik ben zo moede -
Ik kan niet meer

Zwerversverzen (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:11 Reageer op dit bericht

vleugelen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Vleugelen

Een lied... een lied, uw leven lang!...
Och mocht gij 't weten, lieve vrinden,
Dat — zij uw harte blij of bang,
Gij hóger lust noch rust kunt vinden,
Dan in gezang!

Van wàt er aamt in veld en vloed
Heeft niets een schoner, zaalger leven
Dan 't vooglijn, dat met frisse moed,
In duizend liedren, onder 't zweven,
De schepping groet.

Of zo het diertje u vrolijk schijn',
Omdat het Vleuglen heeft ontvangen. . .
Gij vliegt zo goed als 't vogelijn!
Laat maar de dankbaar-blijde zangen
Uw vleuglen zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Leven in droom

Wat was het landschap teer en fijn
Vannacht in droom bij zilvren schijn:
Een sierlijk brugje, een stralenbeek,
De berkentwijgen rank en bleek,
Huivrend, maar zonder ritseling.
En wijl ik peinzend glijdend ging
Over de lage heuvlen, grijs
Bemost, als licht behageld ijs,
Zag 'k eensklaps, als een avondgloed
's Winters door neevlen rozig-zoet
Achter de speelse kruinen poost
(Gelijk een bleke bruid soms bloost
Door van haar lokken 't weefsel blond),
Ons huisje, in vreemde dromenstond
Wonder herschapen: dak en muur
Was warm en lieflijk gloeiend vuur,
En schemervormen, toch herkend,
Hadden iets toovrigs, als een tent
In Oosters Nachtverhaal gebouwd
Door geesten als uit zonnegoud. -
Nu is het dag, wij dromen niet,
En toch...datzelfde woudgebied:
Een sierlijk brugje, een stralenbeek,
De berkentwijgen rank en bleek,
En ginds...wat gloeit daar onverwacht
De kruinen door met wondre pracht?
Ons huisje! Maar wij zagen 't nooit
In zulk een sprookjes-glans getooid,
Een wonder op de heldre dag.
Nimmer ons oog die kleuren zag
Zo warm, zo teer, door 't stille woud
Scheemrend, als stond het niet gebouwd
Op wijde hei...O zaligheid,
Als ons ontzinkt de werklijkheid,
Als altijd nieuw, hetzelfde ding
Doet siddren van verwondering,
Als men zijn nuchtre leven leeft
In schijnselen als de Droom ons geeft!

schrijver

Geschreven door Dora om 17:06 Reageer op dit bericht

minnen

 

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Ik min u nog

Ik wilde u zien: ik zag u weer,
En kwam u om genade smeken.
Maar, wat ik poogde, ik kon niet spreken,
En gij, ge sloeg uwe ogen neer.
Geen blik, geen blos op uwe wangen,
Geen woord: uw hart was koud en stom.
Ik trilde en beefde van verlangen,
Ge ging voorbij en zag niet om.
 
Ik min u nog, al schondet gij
De eed, mij eens vol vuur gezworen;
Ik heb u lief zoals te voren,
Al denkt ge thans niet meer aan mij.
Verbitterd heb ik u verlaten,
En vluchtte verre van u heen:
U wou mijn hoofd vergeten, haten,
Maar ach! mijn hart, dat zeide neen!

Ja, vruchteloos heb ik getracht
Uw beeld uit mijne ziel te drijven:
Mijn allerliefste zult ge blijven,
Schoon geen hoop me tegenlacht.
En drukten mij ook andre schonen
Vol liefde tegen mond en borst,
Hun kon ik geen minne tonen,
Al smachte ik van minnedorst.
 
O noem ik u nog eenmaal mijn,
Kom in mijn armen weergevlogen!
En ware uw woord een andre logen
Zo spreek - ik zal gelukkig zijn.
Zeg, dat gij alles wilt vergeten,
En danken zal ik op de knien...
En eens wellicht - wie kan het weten -
Zult gij mij ook weer geerne zien.

Liederen (1868)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 13:42 Reageer op dit bericht

verbeurd

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Verbeurd van alles

Verbeurd van alles - o verscheurde droom-gemoedren!...
Wij zijn de lang-verweeuwde en kind-verlaten moedren;
wij blaffen in het spoor van, smoorlijk, Hecabe,
of, in de ontreddring van de laagste rust verzonken,
ons lammen dag ontlaên en leeg van alle vonken,
verliezen aan geduld de vormen zelfs der beê.

Liefde-verloren, wij, die lang al lam aan hopen,
ons dochtren met de wateren der armoe dopen
en bij geboorte spenen van onnozelheid:
ons tand-vlees komt niet bloot dan bij het bloedig roeren
van onze zonen die de opstand'ge vanen voeren
naar onverstoorbaar-dom een dommelige tijd.

Er is geen tijd meer, noch verlangen, noch verzoenen;
geen dageraad belooft een daagraad; de seizoenen
zijn blinder dan een god die zwijgt en nimmer bloost;
geen dag die om een dag zijn scheemring laat berooien,
geen vrouw die om bezit zich in de dood zal gooien
en zelfs geen minnaar meer die de eigen wangen koost.

Nagelaten verzen (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

DE SCHONE HERFST

Naar deze herfst had ik ontroerd gewacht
Als naar een nacht van zwoel doorgeurde dromen:
Naar 't koele licht en naar de gouden bomen
In grauwe nevel langs de smalle gracht.

De dagen waren vreemd van vege pracht,
Een felle gloed scheen alles te doorstromen:
De bloemen baarden huivrend-zoete aromen
En wrede kleuren, bont en brandend-zacht.

En als ik trad onder het droeve woeden
Van stilte en weelde en lust de dood gewijd
Voelde ik een beven door mijn leden spoeden,

Maar ook, diep in mijn ziel die bang-verblijd
De rijkdom dronk, het mateloze bloeden
Van schrijnende angst en hete onzekerheid.

Gedichten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:56 Reageer op dit bericht

graf

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Bij zijn graf

De arm vol bloemen, ijlt de vrouw naar 't graf,
 Alsof haar stralend dáar te beiden stond,
Wijd open de armen, rijzig, jong en blond,
Haar lief, die haar, wie zij een hemel gaf.

En hijgend buigt ze en bevend kust haar mond
De naam van hem, wien dood nam van haar af.
Zij lijdt voor liefde als voor een zonde straf.
Zij strooit haar bloemen op de zerk in 't rond.
 
Hier, voor zijn ogen, blauw als van een kind,
Azuur van maagdepalm en hyacint,
Daar, voor zijn lippen, rood van tulpengloed,
Mimosagoud voor 't honingblonde haar,
Voor héel zijn blankheid, lelies - O hij moet
Wel voelen nu: die bloemen zijn van haar

Jonge weduwe II (De Gids 1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

duiventil

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1761-1818

De naam op de duiventil

Philas, door de min bestreden,
Had de naam van Amaril,
Met zijn naam, wel diep gesneden
Op de rand der duiventil.
'k Zie haar na haar duifjes treden,
Die ze als anders voeren wil.
't Meisje vindt haar naam geschreven
Bij zijn naam, zij bloost, zij lacht:
Wat zij dacht, is ons om 't even.
Maar wie had het ooit verwacht,
Dat haar duifjes hongrig bleven,
Daar zij om geen voeren dacht.

Minne-zangen en jeugdige gedichten (1790)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:19 Reageer op dit bericht

nachtbloesems

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Nachtbloesems VIIII

Kom mede in het duister, mijn kind!
Kom mede in het duister, want de avond is schoon!
Als verstomd zijn de vooglen; geen enkele toon
Zingt er de zangrige wind.

Kom mede in het duister, mijn lief!
Kom mede in het duister, waar niemand ons ziet;
Niet ene enkele bloem ons nieuwsgierig bespiedt,
Waar ze op haar stengel zich hief.

Kom mede in het duister, mijn hart!
Kom mede in het duister: ik smacht naar uw mond;
Naar de blik uwer ogen; naar 't haar, dat zo blond
Zich rond uw wangen verwart.

Kom mede in het duister, mijn schat!
Kom mede in het duister: 't al leeft met ons mee;
Al de rozekens storten in haar beê,
Zwijmlend, van kussen reeds mat...

Zo schoon is de nacht, en zo stille is de wind...
Kom dy mede in het duister, o mijn lief, o, mijn kind.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:14 Reageer op dit bericht

naar huis

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1904

Naar huis

Zoet gevoel naar 't lieve thuis te stomen,
En, al naderende, u om niets bekreund
Dan te zien of ge, uit 't portier geleund,
't Dak ziet schemeren achter lindebomen !

Of de buren reeds te voorschijn komen ?
Of door 't rijden, waar de straat van dreunt,
In de muren, door het dak gesteund,
Spleet en barsten niet zijn toegenomen ?

Maar wat kan u barst en spleet thans schelen,
Groene pan of verveloos kozijn ?
In de linde hoort ge uw vooglen kwelen,

Op de bladeren speelt de zonneschijn ;
Kinderstemmen komen 't oor u strelen
Welkom ! welkom ! roepen groot en klein.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:44 Reageer op dit bericht

destem

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

De stem van Vincent

Laat ons de blaren
van alle leed vergaren.
De aarde, ook vermoeid,
heeft nooit dode
blaren gedragen.
De aarde wondt
om, in de driedagestond,
te laten herrijzen
onder de loodzware kus van de liefde.

En is die kus weerom licht leed,
leed, dat alles is, - Ik ben Die is, -
o, laat deze zoen niet verloren gaan
want elke zoen is gloên van goed.

Nooit wassen dode vruchten
aan de bomen.
De pijnen snikken eeuwig
en laten hun lange tranen als vingers vallen.
Weet dit, mijn zoon: wanneer alle leed leven wordt,
houdt op het leven leed te zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:13 Reageer op dit bericht

mietje

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Mietje

’t Meiske, met zijn’ teele melk,
op zijn blote voetjes,

lang, gelijk nen terruwstelk,
zoetjes, zoetjes, zoetjes

terdt het voort, en anders niet
als zijn teele melk en ziet’t.

’t Meiske hoorde: „Goedendag!”
zeggen, zoetjes, zoetjes:
„Mietje!” ’t Meiske ommezag...
op zijn blote voetjes
viel de melk en, vol verdriet,
wie dat ’t was en wist het niet.

Meiske, meiske, meiske snel,
op uw blote voetjes,
melk aan ’t dragen, wacht u wel:
zoetjes, zoetjes, zoetjes,
mijdt u, meiske, en hoort gij iet,
vóór u, maar niet omme en ziet!

---------------------------------------

Teele: teil
Terruwstelk: tarwestengel.
Terdt: treedt

schrijver

Geschreven door Dora om 14:29 Reageer op dit bericht

zalig

Een gedicht van D.V. Coornhert 1522-1590

ZALIG LEEFT HIJ BIJ DE MENSEN

Zalig leeft hij bij de mensen
Die met herte God betrouwt,
Diens verkiezen, wil noch wensen
Niet en zoekt dat na berouwt,
Maar hert en wil gelaten houdt
En volgt de wil des Heren.
Dees lijdt
En mijdt.
Hij lijdt Gods daad
En mijdt het kwaad:
Dus mag hem hier geen onrust deren.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:34 Reageer op dit bericht

niet

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

NIET IEDEREEN KAN HEIDEN ZIJN

Niet iedereen kan heiden zijn.
Daartoe hoort kracht en moed;
een vast geloof in zon en wijn,
en blijde lust in ’t bloed.

Niet iedereen voelt zijn verlangst
voldaan op aardes schoot,
schrijdt door het leven zonder angst,
en zonder klacht ten dood.

De aardeling heeft aarde schier
Te moederlijk verwend.
De heiden leef zijn leven hier
in schoonheid tot het end.

De leeuwerik zingt van ’s ochtends vroeg.
De hemel, waar hij vliegt,
is hoog genoeg, is schoon genoeg.
Elk’ and’re hemel liegt.

Elk’ and’re hemel is een waan.
Alleen het luchtgewelf,
de diepten, waar de sterren staan,
bloeit heerlijk in mijzelf.

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

rouwzang

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Rouwzang

In 't zwartomfloersd vertrek, in zilvren nacht,
Op 't kleed van rouw het losgebonden haar,
Alleen met hem, voor hem, met schoon gebaar,
De weduw zong haar edele dodeklacht.

Kon zang hem wekken met zijn tovermacht?
Haar hand lag blank, een lelie, op de baar,
Waar sliep wie nóg behoorde alleen aan haar -
Voor 't huis drong volk, een meisje weende zacht.
 
In volle zaal, wen later, zong die vrouw,
Nog bleek van 't eenzaam dromen bij een graf,
Vroeg 't volk dat éne liefde- en smartelied.
 
Veel liedren zong zij, doch de zang van rouw,
Die ze, in dat uur, hem mee ten hemel gaf,
Die bleef van hem, die gaf zij vreemden niet.

Jonge weduwe I (De Gids 1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:46 Reageer op dit bericht

wandeling

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Wandeling zonder maan

De grote mensen zijn naar bed gegaan.
Mijn lieve kind, wij zouden kunnen lopen
om 't huis, door 't donker, maar het hek staat open,
de straat op, onder een lantaren blijven staan.

Wij zouden kunnen zoeken naar de maan,
die als een spelbreker opeens is weggekropen.
Dit licht volstaat? maar 't trekt muskieten aan!
Kom mee, een voorraad karamellen kopen.

Een grote voorraad, groot voor wel twee uren.
't Is lang, twee uren, kind. Zou ooit wel duren
een vreugde langer? 'k Stel de vraag met pijn.

Dit zoete smelten op de tong moet sussen
de brand van onze lippen, want wij zijn te klein,
nietwaar, kind? om elkaar, twee uren door, te kussen.

Parlando (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:35 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten