Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

hitte

Een gedicht over de hitte

Hitte

 

Hitte is het tegenovergestelde van koude

Eerst bleef het lang koud

Maar nu is het regelmatig flink benauwd

We gaan van het ene uiterste naar het andere

Het is soms geen weer om te fietsen of te wandelen

De regen brengt ook geen uitkomst

Want het vocht met later de zon

Is een extra benauwde bron

Zo is er over het weer altijd wel iets te melden

Ja, soms kan hitte ook kwellen

Vooral in de zwoele nachten

Dan lig je weer op de morgenstond te wachten

Zo krijgt een mens flink slaap gebrek

Ja, soms is het allemaal niet fijn

Maar weer op maat zal er nooit zijn!



Zonnen plaatjes




Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

ernst

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Ernst

Wanneer mijn voorhoofd rimpels krijgt,
Mijn brede wenkbrauw nederdaalt,
Mijn oog niet blinkt, maar duister straalt,
En uitspreekt wat mijn mond verzwijgt,
Een traan mij langs de wangen schiet,
Mijn schedel nederbukt naar de aard,
Bezorgde vrienden, vrees dan niet
Dat wanhoop mij door 't harte vaart,
Of dat 't zich toegeeft aan verdriet!
Het zijn mijn zaligste uren dan:
O, de Ernst, die dan mijn ziel beheerst,
Als 'k onweerhouden mijmren kan,
Bekoort mijn stiller hart het zeerst.

schrijver

Geschreven door Dora om 20:51 Reageer op dit bericht

babyboy

Een gedachte in gedichtvorm voor het nieuwe prinsje


Baby

 

Kate baarde haar kindje

En haar zoon is een prinsje

Kinderen krijgen is heel gewoon

Maar dit kind is voorbestemd voor de troon

Daarom kijkt de hele wereld met ze mee

Maar zij had ook dezelfde barenswee

Net als ieder ander

Maar nu het kind er is

Kan ze met hem aan de wandel

Dat ze samen vader, moeder en kind

Een gelukkiger leven ontvangen als

wat er hiervoor allemaal is geschied

Het is nu allemaal verleden

En het doet het nieuwe geluk geen verdriet!

Alles gaat voorbij

De tijd heeft wel veel gebaard

Misschien is dit paar fijner besnaard!

Dat is voor een pril gezin heel wat waard!

 

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

verjaargedichten

Een gedicht van J. Antonides van der Goes 1647-1684

OP HET VERJAREN VAN Mejuffrouw SUZANNA BORMANS.

Het zonnelicht verrijst zo vrolijk als uw wezen.
Als lachte 't u op uw verjaardag toe,
Begaafde maagd, zo zacht van aard, zo uitgelezen,
Wier liefelijk gezicht ik nimmer moe
Lang wens te zien verrukt en opgetogen.
En mij nog lang te spieglen in uw ogen.

1675

VERJAERGEDICHTEN.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:16 Reageer op dit bericht

de ellendigen

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

DE ELLENDIGEN

ZIJ zijn de zwervers met de doem geboren
Van eenzaamheid en eindloos-schrijnend leed:
Hun wereld heeft haar diepste schoon verloren
Sedert hun droefheid alles ledig weet.

Geen helle droom, geen vreugd kan hun behoren,
Liefde is hun nooit een zacht-verwarmend kleed:
Zij pogen slechts het stil verdriet te smoren
Dat rustloos aan hun zieke leven vreet.

Soms heffen zij hun onverzaadbaar smachten
Naar een wiens lach hun twijfel overwon
Maar horen nooit het antwoord op hun klachten

En dwalen weer en zoeken vredes bron,
Ellendig in de duisternis der nachten,
Ellendig onder 't branden van de zon.

Gedichten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:38 Reageer op dit bericht

armoe

Een gedicht van D.V. Coornhert 1522-1590

ONSCHULDIGE ARMOE

De mens komt in gebrek buiten of met zijn schuld,
Onschuldig wordt er veel gebrekkig geboren,
Onschuldig hebben veel hun have verloren,
Wel hem, die zulks gedoogt met Job's loflijk geduld.
God geeft elk, wat best is, want hij met haaf vervult
De weken, die 't gebrek tot wanhoop zou bekoren,
en maakt arm de stoute, die naar lust zou sporen
en zijn God verachten als kemel hoog-gebult.

Zowel als de rijkdom komt armoe van Gode.
Die zendt, wat hij voorziet elk te zijn van node:
Zalig zijn die armen, die zich des niet en belgen,
Die 't onschuldig gebrek van Gods hand ontvangen,
En als bitter drank, met zeker verlangen
Naar 's gemoeds genezing, blijdelijk inzwelgen.

Nederlandsche dichters van de zestiende eeuw tot Jacques Perk. Verzameld door A. T. A. Heijting, 's -Gravenhage. (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

de eenzaamheid

 

Een mooi gedicht van Adriaan van der Hoop 1802-1841 in deze
komkommertijd

De Eenzaamheid

Wie mij wenen hoort of klagen,
Vraag mij niet waarom.
Voog'len zingen in de hagen
Vinden alles wat zij vragen;
Maar mijn smart is stom.

Volg mij niet, als het hart, in duister
Sombre beelden kweekt;
Eng'len dalen dan vol luister,
Brengen mij met zoet gefluister,
Wat mijn ziel ontbreekt.

Laat mij eenzaam zijn in 't leven
Eenzaam met mijn smart;
En als vreugde u mag omzweven
Zij alleen de rust gegeven
Aan 't gebroken hart.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 23:18 Reageer op dit bericht

vissen

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

Op gewiekte vissen in Amerika

Men ziet, daar 't daglicht, hoog gerezen in zijn vlucht,
De kringen brandt en blaakt, neervallen uit de lucht
Oprechte vissen, die, de gulzigheid ontvlogen
Van roofziek zeegedrocht, en, zwakjes van vermogen
Hun blode wieken, als een toevlucht in de nood
Die hun aan 't leven dreigt, gebruikende, in de schoot
Van 't pijnhout vlug ter zeil van alle kanten regenen,
En met hun zilvren glans de zwarte dennen zegenen.

-------------------------
kringen - hemelruimte
oprechte - echte
't pijnhout - 't schip, uit dennenhout opgebouwd
dennen - 't bovendek, de luiken van 't schip

schrijver

Geschreven door Dora om 21:11 1 reactie Reageer op dit bericht

niet bezorgd

 

Een gedicht van P.A de Génestet 1829-1861

NIET BEZORGD

Boven mijn hoofd aan zijden draad
Slingert het zwaard al heen en weder,
’t Moét vallen – vallen, vroeg of laat!
Het trilt, het velt mij neder!

Doch om mijn hoofd ook ruist een stem,
Te midden van al mijn vrezen,
Die mij gebiedt met zachte klem,
Tóch niet bezorgd te wezen.

Laatste der eerste

schrijver

 

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

boom

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

'k Zat bij nen boom te lezen

'k Zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier;
de zunne kwam gerezen,
gelijk een kole vier;
de blijde vogels dronken
de dreupels van de mei,
de morgenperelen blonken
en brandden in de wei,
lijk vier:
'k zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier.


1859-60

Kleengedichtjes

schrijver

Geschreven door Dora om 14:01 Reageer op dit bericht

vogelke

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Het vogelke

Hoe is het mooglijk dan
Dat men u vangen kan
Vogel, gij licht van pluim.
Vliegend door het ruim;
Die langs de loverhang,
Nachten en dagen lang,
Ons stemt tot goede luim
Door klank en zang.

Gij zit thans in de kooi
Treurig, niet half zo mooi
Als toen ge door het bos
Vloog blij en los;
Spreken dat kunt gij niet,
Maar wen ge uit ’t kooitje ziet
’t Lover, het groene mos,
Voelt ge verdriet.

Was ik een vogelkijn,
‘k Wou steeds in vrijheid zijn.
Gauw, dierke lief, vlieg voort
Naar schoner oord.
Ha, ge zijn weder vrij!
Ha, wordt gij weder blij,
Zingt gij uw zoet akkoord,
Denk dan aan mij.

De Waarheid in het leven (1863 - 1878)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:36 Reageer op dit bericht

circuslicht

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

Circuslicht

'k Zie elke avond aan de hemel branden
De gloed van 't circus en ik ben verblind
Door 't lokkend licht, ginds in de lage landen.
't Is of in droom het leven herbegint,
 
Of ik weer kind ben en nog weer verlang
Naar 't lieve spel van clowns en acrobaten,
Naar wigwam, vredespijp en boomerang
En naar de strijd van cowboys of piraten.

Dit teder licht verheldert de atmosfeer:
Morgen wellicht ontluiken de eerste blaren
En bouwen weer de vogels aan hun nest.
 
En ik begrijp, thans deftige meneer,
Hoe het geluk van de verloren jaren
Het enige is wat mij ten slotte rest.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

zuchtje

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Wij hoorden 't laatste zuchtje glippen

Wij hoorden 't laatste zuchtje glippen,
Het sterven was voor hem geen strijd.
‘God dank,’ ontgleed het onze lippen,
'Die hem voor doodsmart heeft bevrijd.’

En vriendenhanden beurden teder
Eerbiedig hem van Moeders schoot
En brachten 't lijkje in de andre kamer;
't Was ijdle voorzorg, die ze ons sloot.

Want wij, wij legden ons ter ruste,
Verwonderd, dat wij 't konden doen.
Na twee ontzettend bange dagen
Verkwikte een korte nacht ons toen.

Maar, d' andre morgen bij 't ontwaken,
Als we één slechts zagen van de twee,
Werd zich eerst recht het ouderharte
Bewust van d' omvang van ons wee.

En daar begon de stroom te vloeien,
Die 't licht voor ons verduisterd heeft,
En die niet eerder zal verdrogen,
Voordat de Dood ons hem hergeeft.

De Gids (1879)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:01 Reageer op dit bericht

boom

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Onder de boom

Gelegerd op het oude lover,
Bij beukenstam, als aan een drempel,
Waar takken hangen dakswijze over,
Wij zoeken rust als in een tempel...

De lange, donkere twijgen deinen,
Door luwe luchting opgetild,
En wuiven voor de bladerschijnen
Van gulden loofwerk, zon-verstild.

Soms zijn 't maar bladerschijne' op blàren
Die roeren voor het lucht-struweel,
Waar lichter schijnsels wiegen, waren,
Als bleek gebloemt aan lange steel.

De laan gloedt ver, de bank staat ledig,
De vogels zwijgen, 'n bosduif spreidt
Zijn waaierstaart in 't zon-vuur vredig,
Al henen vlerkend wit en wijd...

Een paartje is op de bank gekomen,
Leest saâm één boek, de halzen krom,
En als wij keren uit ons sluimrig dromen
Slaan ze immer nog de bladen om.



1923

Gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:03 Reageer op dit bericht

de wereld

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

DE WERELD

Hij hield de handen voor 't gezicht,
Hij dacht door tranen te verstaan,
En in dit duister, diep en dicht,
Zag hij de bonte wereld aan;

Hoe blonk het goud, hoe rees de stad
Gehorend opwaarts voor het blauw;
Wie ooit gezocht had en bezat,
Hoe maakte rook zijn vensters grauw.

Hij nam de handen van 't gezicht,
En Mei liep lieflijk langs het land,
Er scheen een ander, reinder licht,
En groen ook werd het naakte zand,

Het leek eenvoudig wat hij zag,
Dat het een kind bedenken kon,
En toch, niet anders bleek de dag,
En zo was God, en zo de zon.

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:35 Reageer op dit bericht

bomen

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Genummerde bomen

'k Liep alleen door het woud,
En te midden van 't hout
Zag ik enkele genummerde bomen.
't Was een merk, dat ze alras zouden worden geveld.
'k Zag de houthakker, die door de heer was besteld,
Met zijn bijlen en zagen al komen.

Ik stond stil en ik dacht:
Van het menselijk geslacht
Zijn zo telkens ook enkele uit allen
Door een merk, waar de Dood zijn gangen naar wendt,
Als genummerd, al is 't bij henzelve niet bekend,
En bestemd om het eerste te vallen.

En ik dacht: Kom! met spoed
Nog gedaan, wat ik moet,
Want licht ben ik reeds ook zo genommerd.
En al bleek, dat dit teken nog niet stond op mij,
En al liep jaren lang nog de Dood mij voorbij,
'k Had toch niet zonder winst mij bekommerd.

Rust een weinig (1891)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:29 Reageer op dit bericht

leed en geluk

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Leed en geluk

Leed is het kleed
Dat ziel niet aflegt vóor zij het versleet,
Een kleed met 't slapengaan niet uit te trekken.
En al uw warmgevoerde pracht
Van heerlijkheid haar toegedacht
Reikt niet het te overschaadwen of te dekken...
 
Toch, nachtegaal, zing voort!
Geluk is 't éne woord
Dat haar slaapwandlend hart vermag te raken...
Daar waakt het tot nieuw leven op:
Als roos die berst uit rozenknop,
Zwelt het al vreemde windselen te slaken...

Geduld, geduld, geduld...!
In schoonheid nieuwvervuld,
Niet anders mag zij u behoren...
Reeds schift de volle schaduwkring:
Geleidelijk uit haar verduistering
Treedt weer de gave maan tevoren

Bezonnen verzen (1931)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:28 Reageer op dit bericht

blinden

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Zoals gij, zijn wij blinden en onwetend

Zoals gij, zijn wij blinden en onwetend,
Al zien wij in uw duizendvoud' gelaat,
O Liefde, die te vroeg komt, of te laat,
En gaat van waar gij kwaamt, uzelf niet wetend.

Gedachteloos, strooit gij een heerlijk zaad
De winden over, eigen gaav' niet wetend,
En tijd, en plaats, en doel, en wil, vergetend,
Gaat gij een weg, en weet van goed noch kwaad.

En toch is het zo goed, - want nu geschiedt,
De eeuwig nieuwe wording van het zijnde,
Het bloeien en vergaan terzelfder tijd.

Het onberekenbare wordt een feit,
De kleur is klank, de stilte werd een lied,
En vreugde wordt de smart, die zich verreinde.

Liederen der Gemeenschap III

schrijver

Geschreven door Dora om 14:57 Reageer op dit bericht

eiland

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Het verzonken eiland

Het lag voorheen - een paradijs -
afzijds en ver van 't vasteland,
verloren onder hemelen hoog,
besloten tussen 't witte strand,
Een bloeiend eiland, dat het hart
zich koos tot énige toeverlaat,
een tuin waar veilig en vertrouwd
het kleine leven gaat.

En het verhaal zegt, dat eenmaal
een ziel die zwierf van kust naar kust,
een mens ten dode toe vermoeid
daar vond een hem genegen rust,
hoe deze droom van stilte en licht,
de vreugde aan dier en vreemd gewas
hem langzaam en niet meer verwacht
tot leven weer genas.
 
Somtijds als achter 't water-vlak
de lage zon zijn reis besloot,
gebeurde 't dat een oude droom
verraderlijk zijn rust besloop -
hij sloot de ogen - maar des nachts
aanhoorde hij de eeuwige keer
der golven, 't waaien van de wind
en was niet eenzaam meer.

Met elke morgen als zich 't licht
verdiepte tot een gloeiend rood,
duwde hij van het hellend strand
zijn opgetrokken, kleine boot
en koos het water, maar éénmaal
des avonds kerend van zijn tocht
voorbij de verste horizon,
vond hij niet wat hij zocht.
 
Alleen wat drijvend hout en ook
een jammerlijk-verdronken dier,
zwermende vogels, over 't graf
hun krijsen en hun hees getier.
Hij werd weerom - zo zegt 't verhaal -
een ziel die zwierf van kust naar kust,
een mens ten dode toe vermoeid,
vervreemd van vrede en rust.

Maar welke vloed - en dan waarom? -
verzwolg dit zo beminde land,
verloren onder hemelen hoog,
besloten tussen 't witte strand,
een bloeiend eiland waar het hart
moeizaam genas van d'oude waan,
een tuin waar veilig en vertrouwd
het leven is gegaan?

De Gids jaargang 91 (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:51 Reageer op dit bericht

avo maria

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1931

Ave Maria

Ik droomde van een kálme, bláuwe nacht;
De matte maan lag laag in mistig glimmen –
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenloze wacht.
Toen, tussen maan en starren, rees Zij zacht –
Mij zoeter dan de Muze! – en scheen een schimme,
Wijl ’k om haar hoofd als diademen klimmen
En dalen zag der starren gouden pracht.
O liefste Mijne! éer ik een gróete vond –
Ave Maria! ruiste ’t door mijn ziele,
En heel mijn ziele ruiste U toe – één zucht...
Totdat op eenmaal door de stille lucht
Al die miljoenen gouden droppels vielen,
En Ge als een heilige in die glorie stond...

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten