Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

boom

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

'k Zat bij nen boom te lezen

'k Zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier;
de zunne kwam gerezen,
gelijk een kole vier;
de blijde vogels dronken
de dreupels van de mei,
de morgenperelen blonken
en brandden in de wei,
lijk vier:
'k zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier.


1859-60

Kleengedichtjes

schrijver

Geschreven door Dora om 14:01 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

vogelke

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Het vogelke

Hoe is het mooglijk dan
Dat men u vangen kan
Vogel, gij licht van pluim.
Vliegend door het ruim;
Die langs de loverhang,
Nachten en dagen lang,
Ons stemt tot goede luim
Door klank en zang.

Gij zit thans in de kooi
Treurig, niet half zo mooi
Als toen ge door het bos
Vloog blij en los;
Spreken dat kunt gij niet,
Maar wen ge uit ’t kooitje ziet
’t Lover, het groene mos,
Voelt ge verdriet.

Was ik een vogelkijn,
‘k Wou steeds in vrijheid zijn.
Gauw, dierke lief, vlieg voort
Naar schoner oord.
Ha, ge zijn weder vrij!
Ha, wordt gij weder blij,
Zingt gij uw zoet akkoord,
Denk dan aan mij.

De Waarheid in het leven (1863 - 1878)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:36 Reageer op dit bericht

circuslicht

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

Circuslicht

'k Zie elke avond aan de hemel branden
De gloed van 't circus en ik ben verblind
Door 't lokkend licht, ginds in de lage landen.
't Is of in droom het leven herbegint,
 
Of ik weer kind ben en nog weer verlang
Naar 't lieve spel van clowns en acrobaten,
Naar wigwam, vredespijp en boomerang
En naar de strijd van cowboys of piraten.

Dit teder licht verheldert de atmosfeer:
Morgen wellicht ontluiken de eerste blaren
En bouwen weer de vogels aan hun nest.
 
En ik begrijp, thans deftige meneer,
Hoe het geluk van de verloren jaren
Het enige is wat mij ten slotte rest.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

zuchtje

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Wij hoorden 't laatste zuchtje glippen

Wij hoorden 't laatste zuchtje glippen,
Het sterven was voor hem geen strijd.
‘God dank,’ ontgleed het onze lippen,
'Die hem voor doodsmart heeft bevrijd.’

En vriendenhanden beurden teder
Eerbiedig hem van Moeders schoot
En brachten 't lijkje in de andre kamer;
't Was ijdle voorzorg, die ze ons sloot.

Want wij, wij legden ons ter ruste,
Verwonderd, dat wij 't konden doen.
Na twee ontzettend bange dagen
Verkwikte een korte nacht ons toen.

Maar, d' andre morgen bij 't ontwaken,
Als we één slechts zagen van de twee,
Werd zich eerst recht het ouderharte
Bewust van d' omvang van ons wee.

En daar begon de stroom te vloeien,
Die 't licht voor ons verduisterd heeft,
En die niet eerder zal verdrogen,
Voordat de Dood ons hem hergeeft.

De Gids (1879)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:01 Reageer op dit bericht

boom

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Onder de boom

Gelegerd op het oude lover,
Bij beukenstam, als aan een drempel,
Waar takken hangen dakswijze over,
Wij zoeken rust als in een tempel...

De lange, donkere twijgen deinen,
Door luwe luchting opgetild,
En wuiven voor de bladerschijnen
Van gulden loofwerk, zon-verstild.

Soms zijn 't maar bladerschijne' op blàren
Die roeren voor het lucht-struweel,
Waar lichter schijnsels wiegen, waren,
Als bleek gebloemt aan lange steel.

De laan gloedt ver, de bank staat ledig,
De vogels zwijgen, 'n bosduif spreidt
Zijn waaierstaart in 't zon-vuur vredig,
Al henen vlerkend wit en wijd...

Een paartje is op de bank gekomen,
Leest saâm één boek, de halzen krom,
En als wij keren uit ons sluimrig dromen
Slaan ze immer nog de bladen om.



1923

Gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:03 Reageer op dit bericht

de wereld

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

DE WERELD

Hij hield de handen voor 't gezicht,
Hij dacht door tranen te verstaan,
En in dit duister, diep en dicht,
Zag hij de bonte wereld aan;

Hoe blonk het goud, hoe rees de stad
Gehorend opwaarts voor het blauw;
Wie ooit gezocht had en bezat,
Hoe maakte rook zijn vensters grauw.

Hij nam de handen van 't gezicht,
En Mei liep lieflijk langs het land,
Er scheen een ander, reinder licht,
En groen ook werd het naakte zand,

Het leek eenvoudig wat hij zag,
Dat het een kind bedenken kon,
En toch, niet anders bleek de dag,
En zo was God, en zo de zon.

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:35 Reageer op dit bericht

bomen

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Genummerde bomen

'k Liep alleen door het woud,
En te midden van 't hout
Zag ik enkele genummerde bomen.
't Was een merk, dat ze alras zouden worden geveld.
'k Zag de houthakker, die door de heer was besteld,
Met zijn bijlen en zagen al komen.

Ik stond stil en ik dacht:
Van het menselijk geslacht
Zijn zo telkens ook enkele uit allen
Door een merk, waar de Dood zijn gangen naar wendt,
Als genummerd, al is 't bij henzelve niet bekend,
En bestemd om het eerste te vallen.

En ik dacht: Kom! met spoed
Nog gedaan, wat ik moet,
Want licht ben ik reeds ook zo genommerd.
En al bleek, dat dit teken nog niet stond op mij,
En al liep jaren lang nog de Dood mij voorbij,
'k Had toch niet zonder winst mij bekommerd.

Rust een weinig (1891)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:29 Reageer op dit bericht

leed en geluk

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Leed en geluk

Leed is het kleed
Dat ziel niet aflegt vóor zij het versleet,
Een kleed met 't slapengaan niet uit te trekken.
En al uw warmgevoerde pracht
Van heerlijkheid haar toegedacht
Reikt niet het te overschaadwen of te dekken...
 
Toch, nachtegaal, zing voort!
Geluk is 't éne woord
Dat haar slaapwandlend hart vermag te raken...
Daar waakt het tot nieuw leven op:
Als roos die berst uit rozenknop,
Zwelt het al vreemde windselen te slaken...

Geduld, geduld, geduld...!
In schoonheid nieuwvervuld,
Niet anders mag zij u behoren...
Reeds schift de volle schaduwkring:
Geleidelijk uit haar verduistering
Treedt weer de gave maan tevoren

Bezonnen verzen (1931)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:28 Reageer op dit bericht

blinden

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Zoals gij, zijn wij blinden en onwetend

Zoals gij, zijn wij blinden en onwetend,
Al zien wij in uw duizendvoud' gelaat,
O Liefde, die te vroeg komt, of te laat,
En gaat van waar gij kwaamt, uzelf niet wetend.

Gedachteloos, strooit gij een heerlijk zaad
De winden over, eigen gaav' niet wetend,
En tijd, en plaats, en doel, en wil, vergetend,
Gaat gij een weg, en weet van goed noch kwaad.

En toch is het zo goed, - want nu geschiedt,
De eeuwig nieuwe wording van het zijnde,
Het bloeien en vergaan terzelfder tijd.

Het onberekenbare wordt een feit,
De kleur is klank, de stilte werd een lied,
En vreugde wordt de smart, die zich verreinde.

Liederen der Gemeenschap III

schrijver

Geschreven door Dora om 14:57 Reageer op dit bericht

eiland

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Het verzonken eiland

Het lag voorheen - een paradijs -
afzijds en ver van 't vasteland,
verloren onder hemelen hoog,
besloten tussen 't witte strand,
Een bloeiend eiland, dat het hart
zich koos tot énige toeverlaat,
een tuin waar veilig en vertrouwd
het kleine leven gaat.

En het verhaal zegt, dat eenmaal
een ziel die zwierf van kust naar kust,
een mens ten dode toe vermoeid
daar vond een hem genegen rust,
hoe deze droom van stilte en licht,
de vreugde aan dier en vreemd gewas
hem langzaam en niet meer verwacht
tot leven weer genas.
 
Somtijds als achter 't water-vlak
de lage zon zijn reis besloot,
gebeurde 't dat een oude droom
verraderlijk zijn rust besloop -
hij sloot de ogen - maar des nachts
aanhoorde hij de eeuwige keer
der golven, 't waaien van de wind
en was niet eenzaam meer.

Met elke morgen als zich 't licht
verdiepte tot een gloeiend rood,
duwde hij van het hellend strand
zijn opgetrokken, kleine boot
en koos het water, maar éénmaal
des avonds kerend van zijn tocht
voorbij de verste horizon,
vond hij niet wat hij zocht.
 
Alleen wat drijvend hout en ook
een jammerlijk-verdronken dier,
zwermende vogels, over 't graf
hun krijsen en hun hees getier.
Hij werd weerom - zo zegt 't verhaal -
een ziel die zwierf van kust naar kust,
een mens ten dode toe vermoeid,
vervreemd van vrede en rust.

Maar welke vloed - en dan waarom? -
verzwolg dit zo beminde land,
verloren onder hemelen hoog,
besloten tussen 't witte strand,
een bloeiend eiland waar het hart
moeizaam genas van d'oude waan,
een tuin waar veilig en vertrouwd
het leven is gegaan?

De Gids jaargang 91 (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:51 Reageer op dit bericht

avo maria

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1931

Ave Maria

Ik droomde van een kálme, bláuwe nacht;
De matte maan lag laag in mistig glimmen –
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenloze wacht.
Toen, tussen maan en starren, rees Zij zacht –
Mij zoeter dan de Muze! – en scheen een schimme,
Wijl ’k om haar hoofd als diademen klimmen
En dalen zag der starren gouden pracht.
O liefste Mijne! éer ik een gróete vond –
Ave Maria! ruiste ’t door mijn ziele,
En heel mijn ziele ruiste U toe – één zucht...
Totdat op eenmaal door de stille lucht
Al die miljoenen gouden droppels vielen,
En Ge als een heilige in die glorie stond...

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

werkman

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

De werkman

Door hageljacht en wind,
In de overgrote stad,
Een lieflik bedelkind,
Zong, 't oog van tranen nat...
Haar lied voor 't beetje brood,
Drong dwars door been en merg:
Wie helpt haar uit de nood?
Het is te zwak voor 't werk!

Een rijke loopt voorbij,
Misschien vol medelij?
Een volksstroom rolt voorbij,
Gevoelloos als de tij!
Geen herte wordt geraakt,
De wind waait door heur rok,
En zijn heur voeten naakt,
Ze warmt ze in 't sneeuwgevlok.
 
een schamele werkman kwam,
Hij keek naar 't kindje heen,
Toen hij heur handje nam,
Sprak hij: ‘Staak uw gesteen...
Uw ouders! snikt ge, dood!
Kom, kind, de storm woelt ruw...
Kom, is mijn last, ach, groot!
Mijn kindren wachten u

Balladen door Emanuel Hiel (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

kat

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Beziet die boze katte

Beziet die boze katte, hoe
zij nalijks nijpt heure ogen toe.
Nu mijdt u, muiske meest van al:
die blende katte u pakken zal!
Het muiske en ha’ geen acht en het,
in een-twee-drie, is opgefret


29-08-1897


----------------------------------
Nalijkijks: bijna
Mijdt u: opgepast
Blende: blinde

Laatste verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

vrijheid

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Vrijheid

Een leus, die alles aangrijpt en bezielt,
Een levensboom, waarvoor het mensdom knielt,
Een ster, die voorlicht naar een heilig Oosten,
Een wekstem om gebreidelden te troosten.

Een wapenschild voor leugen en bedrog,
Een krijgsbanier beklad met adderspog,
Een droom, die spreekt door valse visioenen,
Een struik, die wel verbruint, maar niet kan groenen.

Een loflied op een serafijnen wijs,
Een leidsvrouw naar een geurig paradijs,
Een toverwoord, dat geestkracht doet ontwellen,
Een morgenstraal, om 't volle licht te spellen.

Een lokaas, dat het zwak gemoed verleidt,
Een woestaardskreet, die angst en wee verspreidt,
Een schaterlach van listige sirenen,
Een zwijmeldrank tot doven of verstenen.

O vrijheid, manna, - dat ons laaft en voedt,
Wat klinkt gij schoon, wat is uw voorsmaak zoet!
Helaas, is ooit een woord misbruikt in 't leven,
Wie heeft als gij de teug van lief en leed gegeven!


1877.

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:22 Reageer op dit bericht

de zon

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

De zon

Ik ben de wever aan des tijds getouw,
En schik de gloeiend-bonte taferelen,
Aan mij de macht om werelden te delen,
Ik schok der vorstenrijken vaste bouw.

Ik ben de aleeuwig-brandende flambouw,
Die 't groot Heelal gestaag komt toebedelen
Het licht en 't leven, die op aard komt spelen
Het wiss'lend spel van wolken en landouw.

Ik de vergouder van der aarde aanschijn,
Die lachen tover op haar lieve trekken,
Die mij weerspiegeld weet in blanke maanschijn;
Ik reis de wereld om in zegepraal,
'k Weet leven alom, alom glans te wekken,
Breng licht en blijheid met mijn helle straal.

Gedichten (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

Vader

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het Onze Vader.

Onuitspreeklijk Opperwezen,
Die voor ons een Vader zijt!
U zij eeuwig lof gewijd,
Eeuwig worde Uw naam geprezen!
Al wat leeft valle U te voet,
Driemaal heilig, driemaal goed!

Kome Uw rijk, o grote Koning!
En geschiede Uw wil alom,
Boven in Uw Heiligdom,
Hier in aller mensen woning,
Tot dit aardse schaduwdal
Als Uw Hemel worden zal!

Geef ons brood en kracht ten leven,
Gij, die alle nood vervult!
En vergeef ons onze schuld,
Zo als wij elkaar vergeven!
Voed ons harte met Uw Geest;
Leer ons lieven allermeest!

Leid ons, macht- en krachtelozen,
Geen verzoeking tegemoet!
Maar beveilig onze voet,
En verlos ons van de Boze!
Want U is in eeuwigheid
't Rijk, de Kracht, de Majesteit!

Vouwen wij de handen samen,
't Is in naam van Uwe Zoon,
Dat wij naadren tot Uw troon,
Dat wij vrolijk zeggen: ‘Amen!
Amen! dit, o Hemelheer,
Geeft Gij ons, en - eindloos meer!’

Het nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:51 Reageer op dit bericht

dichtergave

Een gedicht van Nico c=van Suchtelen  1878-1949

Dichtergave

Niets dan woorden kon ik geven?
Vluchtige verganklijkheid
Van wat klanken die verzweven
Wijd en zijd?

En toch heb ik u geschonken
't Zuiverst wat mijn ziel bezat:
Konde van een diepst-verzonken
Schoonste schat.

Dichterwoorden zijn als tranen
Van wie stilkens wenen moet
Om een liefde nooit verstaan en
Toch zo zoet.

Dichterwoorden zijn als lachjes
Van een kindje, zilver-klaar,
Spelens-luid of mijmer-zachtjes,
Innigst-waar.

Dichterwoorden zijn als golven,
Nauw genaderd weer gevloôn,
Rustloos rijzend en bedolven,
Eeuwig schoon.

Dichterwoorden zijn als vlindren,
Dwarlend over bloemenwei,
Wijd-verwaaide windekindren
En tòch vrij.

Dichterwoorden zijn als stralen,
Die van smart noch waan besmet
In des harten afgrond dalen
Onverlet.

Zuiver, teder en waarachtig,
Sterk in hun gebondenheid,
Schoon in wissling, maatvol-machtig,
Waan-bevrijd,

Zullen dichterwoorden zingen
Uit de afgrond onzer smart,
Van de schat in aller dingen
Heimlijkst hart.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

nachten

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Nachten III

Wij, armen, laten ons weer en weer bedriegen;
Illusie is behaagziek als een vrouw;
Haar sluier veegt de wolken weg tot blauw
Het Niets weer glimlacht, en de sterren liegen.

Hoop blijft verlokkend ons met liedjes wiegen;
Verdwaasde minnaars, blijven wij haar trouw;
Onze ijdle ziel bindt zich na iedre rouw
Wieken weer aan om 't drogbeeld toe te vliegen.

En wrede goden achter hemelenwelf
Spelen hun gruwzaam spel, wijl we ons verbeelden,
Tot 't Einde toe, dat ze als hun blanke beelden

Zo goed en schoon zijn: beelden, die wijzelf
Eéns dachten, bootsten, beitelden, en die
Onze eigen schoonheid zijn en vroom genie.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

oost, west...

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Oost west, thuis best

In hoven en hoeven,
in Oost of in West,
Moog 't goed zijn te toeven:
thuis is het best.
Geen plekje zo heilig,
Geen kerk of geen kluis
Zo vreedzaam en veilig
Als 't vreedzaam Tehuis.

't Zij prachtig in 't Oosten,
't zij heerlijk in 't Zuid;
Natuur sprei er schatten
en wonderen uit;
Het goud moge er lokken,
de wellust, of de eer;
Genot moge er veel zijn:
Gemis is er meer.

Thuis zijn mijn schatten,
 mijn eer, en mijn lust;
Mijn smakelijkste maaltijd,
mijn rustigste rust.
De bloem in mijn venster,
het vuur op mijn haard
Zijn al uw tonelen
en lustoorden waard.

Gedichten (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:54 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Verborgene Liefde

Kein Feuer, keine Kohle kann brennen so heiss,
Als heimliche Liebe, von der niemand nichts weiss.

Des Knaben Wunderhorn.


O mocht gij in 't diepste
Mijns harten daar zien,
Mijn vurig verlangen
Mijn tranen bespiên!
Dan bleef gij niet langer
Zo koud als een steen;
Dan liet gij mij zeker
Zo lang niet alleen.

Want komt gij, van wijd nog
Erken ik uw stap;
En 't hart wil mij breken
Beklimt gij de trap;
En zie 'k u verschijnen
Ik beef als een riet;
En lacht ge mij groetend,
De ziel mij ontvliedt.

Eens hebt ge mij schertsend
Op 't voorhoofd gekust,
En 't vuur daar ontstoken,
Door niets meer geblust;
O mocht gij in 't diepste
Mijns harten daar zien,
Gij kustet mij nogmaals,
Uit meelij misschien.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten