Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Vader

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het Onze Vader.

Onuitspreeklijk Opperwezen,
Die voor ons een Vader zijt!
U zij eeuwig lof gewijd,
Eeuwig worde Uw naam geprezen!
Al wat leeft valle U te voet,
Driemaal heilig, driemaal goed!

Kome Uw rijk, o grote Koning!
En geschiede Uw wil alom,
Boven in Uw Heiligdom,
Hier in aller mensen woning,
Tot dit aardse schaduwdal
Als Uw Hemel worden zal!

Geef ons brood en kracht ten leven,
Gij, die alle nood vervult!
En vergeef ons onze schuld,
Zo als wij elkaar vergeven!
Voed ons harte met Uw Geest;
Leer ons lieven allermeest!

Leid ons, macht- en krachtelozen,
Geen verzoeking tegemoet!
Maar beveilig onze voet,
En verlos ons van de Boze!
Want U is in eeuwigheid
't Rijk, de Kracht, de Majesteit!

Vouwen wij de handen samen,
't Is in naam van Uwe Zoon,
Dat wij naadren tot Uw troon,
Dat wij vrolijk zeggen: ‘Amen!
Amen! dit, o Hemelheer,
Geeft Gij ons, en - eindloos meer!’

Het nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:51 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

dichtergave

Een gedicht van Nico c=van Suchtelen  1878-1949

Dichtergave

Niets dan woorden kon ik geven?
Vluchtige verganklijkheid
Van wat klanken die verzweven
Wijd en zijd?

En toch heb ik u geschonken
't Zuiverst wat mijn ziel bezat:
Konde van een diepst-verzonken
Schoonste schat.

Dichterwoorden zijn als tranen
Van wie stilkens wenen moet
Om een liefde nooit verstaan en
Toch zo zoet.

Dichterwoorden zijn als lachjes
Van een kindje, zilver-klaar,
Spelens-luid of mijmer-zachtjes,
Innigst-waar.

Dichterwoorden zijn als golven,
Nauw genaderd weer gevloôn,
Rustloos rijzend en bedolven,
Eeuwig schoon.

Dichterwoorden zijn als vlindren,
Dwarlend over bloemenwei,
Wijd-verwaaide windekindren
En tòch vrij.

Dichterwoorden zijn als stralen,
Die van smart noch waan besmet
In des harten afgrond dalen
Onverlet.

Zuiver, teder en waarachtig,
Sterk in hun gebondenheid,
Schoon in wissling, maatvol-machtig,
Waan-bevrijd,

Zullen dichterwoorden zingen
Uit de afgrond onzer smart,
Van de schat in aller dingen
Heimlijkst hart.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

nachten

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Nachten III

Wij, armen, laten ons weer en weer bedriegen;
Illusie is behaagziek als een vrouw;
Haar sluier veegt de wolken weg tot blauw
Het Niets weer glimlacht, en de sterren liegen.

Hoop blijft verlokkend ons met liedjes wiegen;
Verdwaasde minnaars, blijven wij haar trouw;
Onze ijdle ziel bindt zich na iedre rouw
Wieken weer aan om 't drogbeeld toe te vliegen.

En wrede goden achter hemelenwelf
Spelen hun gruwzaam spel, wijl we ons verbeelden,
Tot 't Einde toe, dat ze als hun blanke beelden

Zo goed en schoon zijn: beelden, die wijzelf
Eéns dachten, bootsten, beitelden, en die
Onze eigen schoonheid zijn en vroom genie.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

oost, west...

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Oost west, thuis best

In hoven en hoeven,
in Oost of in West,
Moog 't goed zijn te toeven:
thuis is het best.
Geen plekje zo heilig,
Geen kerk of geen kluis
Zo vreedzaam en veilig
Als 't vreedzaam Tehuis.

't Zij prachtig in 't Oosten,
't zij heerlijk in 't Zuid;
Natuur sprei er schatten
en wonderen uit;
Het goud moge er lokken,
de wellust, of de eer;
Genot moge er veel zijn:
Gemis is er meer.

Thuis zijn mijn schatten,
 mijn eer, en mijn lust;
Mijn smakelijkste maaltijd,
mijn rustigste rust.
De bloem in mijn venster,
het vuur op mijn haard
Zijn al uw tonelen
en lustoorden waard.

Gedichten (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:54 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Verborgene Liefde

Kein Feuer, keine Kohle kann brennen so heiss,
Als heimliche Liebe, von der niemand nichts weiss.

Des Knaben Wunderhorn.


O mocht gij in 't diepste
Mijns harten daar zien,
Mijn vurig verlangen
Mijn tranen bespiên!
Dan bleef gij niet langer
Zo koud als een steen;
Dan liet gij mij zeker
Zo lang niet alleen.

Want komt gij, van wijd nog
Erken ik uw stap;
En 't hart wil mij breken
Beklimt gij de trap;
En zie 'k u verschijnen
Ik beef als een riet;
En lacht ge mij groetend,
De ziel mij ontvliedt.

Eens hebt ge mij schertsend
Op 't voorhoofd gekust,
En 't vuur daar ontstoken,
Door niets meer geblust;
O mocht gij in 't diepste
Mijns harten daar zien,
Gij kustet mij nogmaals,
Uit meelij misschien.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

HET NAAKTE MEISJE

Zij ligt, zo rijk in haar ontroerend naakt,
Zo argeloos, ontdaan van alle kleren:
Een kind niet radend wat het doet ontberen
En toch zo schoon, zo lieflijk en volmaakt.

Stil, als een bloem in schaduwen ontwaakt
Wier broosheid zelfs het zonnelicht zou deren,
Bloeit haar lichaam: mild-rose voor de tere
En diepe grond die somberkleurig vlaakt.

Vreemd: haar figuur zo jong en fijn-gebouwd
Doet niet de wilde hartstochten opbruisen
Van wie haar zoele heerlijkheid aanschouwt

Doch voert zijn denken naar een land van droom
Waar langs een weg de hoge bomen ruisen
En de avondlucht vervuld is met aroom.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:28 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Helen Swarth 1859-1941

Liefde VIII

Geef mij de schoonheid van de wereld weer,
O wrede Liefde! mij door u ontstolen,
Het stromenzilver, 't rood der gladiolen,
Het blond der duinen, 't blauw van zomerweer,
De vlucht der vlinders, die om bloemen dolen,
De zachte pracht van rozen en vogelveer,
Het goud van herfstloof en het brons der peer,
De lach der zon en de ogen der violen.

Doch zo de liefste niet met mij genoot
Van wuivend gras - der aarde groene haren -
Van manezilver, goud van korenaren,
Van wolkengrijs, van morgen- en avondrood,
Van sneeuwfluweel en schuim van blanke baren,
Zo bleef voor mij der wereld schoonheid dood

De Gids (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

MEITROOST

(voor de werkloze A. N. B.-ers)
in 1914

'n Zang, 'n zang
van weergeboorte,
'n zang die u, uw
Vrijheid meldt,
mijn makkers zo terneer
gestoten,
mijn vrouwen, moeders
zoo ontsteld.

Zie 't hert dat van de berg neerviel
in 't diep ravijn, sta op, sta op!
het likt de bloedgeschonnen hiel
het heft de schrikkensdonkre kop:
en o zo goud straalt bergenhoog
de zon, de zon! en stroomt en glanst
en bovenheen de donkre toog
de Alpenbloem sneeuwwit kranst.

Zo zing ik u mijn Vrijheidslied,
mijn makkers arm vandaag en moede,
gij ziet de hoge zonne niet,
de bergbloem kunt gij niet bevroeden.
Maar zoals morgen nieuwe dag
voor uw doffe ogen op zal blinken
zoals die weer in 't nachterag
tot nieuw opluistren zal verzinken; -

Zo zullen eens uw tuinen bloeien,
eens, voor der zon volblank gelaat:
angst zal niet zijn, dagen vergloeien
zonder misdaadsmet af blakering van haat.
En uwe kinders zie ik weiden
tot glansrijk veld, 't zal blinkend zijn!
Al wat uw donkre ogen schreiden
zal hun tot bloem, tot vreugde zijn.

Deernis en Vrede breng ik u heden,
'n zacht woord, op mijn dag, uw feest;
'n geur van blijde lieflijkheden
uw donker hart zozeer verweesd.
Lach nu door uwe stille tranen,
Lach even tot uw somber hart,
mijn makkers, Hollands verteranen,
lach even heden door uw smart.

'n Zang, u Zang
van weergeboorte,
u Zang die u
uw Vrijheid meldt!
mijn volk gebroken
en verstoten,
tot Heer der Aard
zijt gij gesteld.

Zangen van hoop (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:41 Reageer op dit bericht

jongske

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Mijn jongske slaapt al zo lang

Mijn jonkske slaapt al zo lang
In stille kille hof;
Mijn stem van roepen is dof,
Mijn lippen verleerden hun zang.

's Nachts als ik slaap, slaat hij even
Zijn vakerige oogjes open,
Komt naar mij toegelopen
Om mij een kus te geven.

Vlijt zijn hoofdje naast mij,
Nestelt zich in mijn armen....
'k Mag hem koestren en warmen -
Mijn hart is zo blij daarbij!

'k Hoor weer vrolijk gaan
Door kamer en door gang
Zijn drukke trippelgang...
Voor 't speelgoed blijft hij staan.

De hele kamer wordt licht,
De wanden klaren en wijken;
De stralende sterren kijken
Naar mijn jongske's lief gezicht.

Dan wordt hij plotsling stil,
Ziet op naar hunne pracht
Of hij op antwoord wacht,
Of zich bezinnen wil.

O.... verder en verder gaan
Zijn vluchtende voetjes!... Ik hoor ze!....
'k Wil mee!... Maar de gouden toortsen
Der sterren zijn uitgegaan!

En 'k sta alleen in nacht,
Huivrend, troostloos en dof,
In stille kille hof,
Waar men mijn jongske bracht

Serena (1898)

Geschreven door Dora om 14:32 Reageer op dit bericht

redevol

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Eens zal ik redevol zijn

Eens zal ik redevol zijn en als gras
Eenvoudig en zo zuiver als het licht,
Wanneer ik wonen zal, in eerbied op
De wijde aarde voor mijn kleine broeder.
Spreek niet van Liefde - Liefde is te veel,
Spreek niet dit tedere oneindig woord,
Dat mij maakt bevende en stamelend,
Spreek slechts van Eerbied - spreek van hem,
Daarvan - wanneer gij spreken zult tot mensen.
Eerbiedig deze die dan voor u staat,
Hij komt als gij uit d'atmosfeer, uit God,
Hij staat geschreven in die God, zoals
De grassen, velden, bloemen en de sterren.
Hij is zoals gij zijt, gemaakt van licht
En donkerheid, van steigering en diepte,
Maak hem aan u gelijk, tot hij zich zie
Op aarde levende, een ding als gras
Eenvoudig en zo zuiver als het licht.

Van God en van de Natuur (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

venster

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Bij 't venster

Het windje, zoel van bloemengeuren, streek
Mij langs de warme wangen, zwaar en loom,
De bijen gonsden om de lindeboom,
Vlak bij mijn open venster, en ik keek

Doelloos naar buiten, waar ik bij de heg
Aan de andere zijde van de eikenlaan,
Je moeder langzaam langs haar bloemen gaan,
En toeven zag en uitzien langs de weg.
En, toen je kwam, en, toen je naast elkaar

Naar binnen ging, en zij, de slanke vrouw,
Het hoofd omhoog hief - o, ik wist, hoe blauw
Die ogen blonken onder 't grijze haar -;
Toen dacht ik, hoe ik ook wel graag tot jou
Eens zó had willen opzien - even maar.

Onze Eeuw jaargang 10 (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:42 Reageer op dit bericht

kerkhof

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Op 't kerkhof waar de naakte bomen rijzen

Op 't kerkhof waar de naakte bomen rijzen
Met zwarte nesten in verwarde twijgen
Kwam regen op verdorde halmen zijgen,
Toen woudt ge een dierbaar graf mij zwijgend wijzen.

Een traan lichtte in uw oog, de zerk lag grijs
En eenzaam in een krans van groene blaren -
Een lichte handdruk kon uw smart bedaren
Maar wis zong nog uw hart bedroefd een wijs.

En 'k dacht: hoe vreemd dat naast verdorde graven
De jonge liefde sterk en hoopvol staat;
Zijn wij niet al van weinig tijds de slaven
Daar toch elk na de ander grafwaarts gaat?

Maar 'k zag u aan, uw oog blonk stil en zacht -
Eindloze liefde die ondoofbaar flonkert
Zal ook niet sterven waar het graf omdonkert
Ons aardse lijf in de stikduistre nacht.

Beweging I (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:11 Reageer op dit bericht

klamme

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

O klamme koude

O klamme koude, die me 't krimpend herte
beklemt, en 't àl ontzielt en mijn gedachten,
als bloemen, dor voor ze in de zonne lachten,
doet nederbuigen onder 't lood der smerte,

- doet nederbuigen in wanhopig smachten,
zo droef, ach, o zo droef, tot haar verterte
de tred des wandlaars, onbewust hoe 't herte
toch pijnlijk krimpen kàn om al die klachten

verloren en niet eens dat lied gezongen,
vol liefde ruisend van miljoenen tongen
en rijk van ingetogen zielenleven.

Mijn hoofd valt zwaar, mijn stramme handen beven;
'k voel onmachtstranen in mijne ogen schieten
en heel mijn leven door mijn vingren vlieten.


1895

Verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:01 Reageer op dit bericht

verzoening

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Verzoening

Kom, zij de ruzie nu gedaan,
verdwijne om 't frisse rozenbekje
- hoe lief 't u sta - dat pruilrig trekje,
En zie me weer eens vriendlik aan....

Laat fladderend waaien in de wind
de golvend losgerolde haren,
en reik me, - och, ge doet het garen,
de rode lippen, zoetlief kind.

De handjes hier.... wat woudt ge doen?
laat aan de zijden wimpers blinken
die heldre droppel: 'k wil hem drinken
in een lange, lange zoen.

Zo... half onwillig, half tevreen
rust ge in mijn arm, met glinsterend ooge,
en fleemt en streelt, tot ik betoge:
'k zeg nimmer ofte nooit meer : neen!

'k Zeg nimmer neen meer, engel mijn,
Op geen van uw duizend grillen:
En deed ik 't al, het zou ter wille,
mijn plaaggeest, der verzoening zijn

Verzen (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:57 1 reactie Reageer op dit bericht

dichterschap

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Dichterschap

Vaak denk ik, moe van arbeid-in-gemis,
(Daar geen uit eigen kunnen dichter is)

Dat somtijds in een zeldzame enkeling
Door onvoorzienbare begunstiging

De geest wel plots de sterke vleugels rept
En in zijn feilloze opvlucht schoonheid schept, -

Zodat, visioen waar de ademtocht voor faalt!
God zichtbaar uit dat menslijk zingen straalt;

Maar dat elk ander, slechts indien hij, stil,
(Kleine eigen-wil geordend naar Gods wil)

Zijn dichten als ondelgbre schuld erkent,
En dan, van al wat hindert afgewend,

In strenge, blindelings aanvaarde plicht
Zijn leven opdraagt aan ‘t volmaakt gedicht, -

Eindelijk, als hij verzaakt heeft noch gemord,
Eén korte, diepe stonde dichter wórdt.

Doch óok die worstling met het stugge woord,
(Waarachter ‘t hart de hoge zang al hoort)

Als ‘t licht ons, toch nog, flitsend binnendringt
En, daar ‘t uit God is dat het straalt en zingt,

ZIJN liefde ons zingende opheft tot een staat,
Die al ons leed in vreugd te boven gaat, -

Ze is, korte delging van de óndelgbre schuld,
Om dat geluk een gave die vervult.

Dan, neigt mijn peinzen naar die liederen heen,
(Want alle schoonheid is uit God alleen)

Waarin door de aarde omgrensde vreugde en pijn
Zo innig aan zich zelf ontzongen zijn,

Dat van de rhythmus die door de ether ruist,
Ook in hun stem een ijle erinnering suist, -

Hoe zou ‘k, wat zij tot stem der ziel verwijdt,
Niet eren in ontroerde dankbaarheid?

Zo - wetend, door vervulling en gemis,
Dat geen uit eigen kunnen dichter is,

Maar ‘t al gegeven krijgt, zelfs als hij, stil,
Zijn eigen wil staag ordent naar Gods wil,

En moeizaam worstelt tot hij, in zijn woord,
De heldere toon van ‘t hoge zingen hoort, -

Dank ik eerbiedig voor mijn dichterlot,
Want alle schoonheid is, alleen, uit God.

Om het eeuwige (Verzen 1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:24 Reageer op dit bericht

memoriam

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

In memoriam

Dàt was een lief mens, die wij nimmer zullen
Terug-zien, stervende als hij is geweest
Heel ver van wat hij lief-had, als een beest
Gezeuld in 't eerlijk graf-zijn, dat met mulle

Plof zacht viel op zijn trouwe hoofd, het rulle
Zand, dat's der dode' allerlaatst aardse feest.
O 't dood-stil graf, dat nooit weet wat geweest
Is 't arm mens-lijf, dat kan zo'n grafje vullen.

O Vincent, die zijt altijd goed gebleven
In 't arme leven dijn, krachtens 't zoet rijp
Bloeien alom op van uw bloem-zacht leven,

Daar ùw wereld om u zei, o grijp maar, grijp,
Waar gij niet kondt, daar gij niet woudt, o rijp,
Zacht mens, die kon niet aan dees aarde kleven.

Verzen CLXXII (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:48 Reageer op dit bericht

de duiven

Een gedicht van J.J. de Stoppelaar 1884-1945

De duiven

Een snelle wind, zo is de vlucht van duiven:
Zij scheert het akkermaals en dan de bomen.
De takken gonzen en de lovers wuiven,
Totdat de schoonste allerhoogste is genomen.

Hier strijkt de vlucht nu neer, maar lang nog wuiven
De twijgen na, om niet tot rust te komen,
Want met een wervlend uit elkander stuiven
Vervliegt de vlaag en zwenkt naar lager zomen.

Maar in de boom roekoert in 't geurig nest
Van overvolle loverzware twijgen
Een jonge doffer, die niet scheiden kon.

Een zachte duive schuilde voor de rest
En bleef maar stil in koele schaduw hijgen,
Schuw voor de gloed van de namiddagzon.

De Beweging, jaargang 15 (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:15 Reageer op dit bericht

scheiden

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Scheiden valt hard

Scheiden valt hard
voor wie zo teer beminnen.
Naar buiten straalt de vreugd. De smart
dringt reeds naar binnen.

Scheiden valt hard;
doch alle, alle dagen,
zal ik het bloeien van uw hart
in 't mijne dragen.

Scheiden valt hard.
Mijn lieve, laat u troosten:
al is de nacht vervaarlijk zwart,
eens licht het Oosten

Het boek der liefde (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:52 Reageer op dit bericht

golgotha

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Golgotha

Indien de waarheid daar is,
waar mijn broeder ze mij toonde,
wijlen mijn broeder Pieter-Floris; -
(hij was student in de teologie
aan een rooms-katoliek seminarie) -
indien het Godszoon is die ging ter Golgotha
en zijn goddelike droefenis
was de menselike bevrijdenis,
dan is het vlaamse volk Gods uitverkoren
volk, omdat het ging als de goddelike vrucht uit David's huis geboren
zijn steile Golgotha, gekruisigd
werd en in de dood behuizigd.

Maar God was in zijn zoon de goddelikheid
van de herrijzenis;
zó zal ook God zijn in onze strijd
tot de bevrijdenis.


JUNIE 1916

HET SIENJAAL

schrijver

Geschreven door Dora om 13:14 Reageer op dit bericht

de waarheid

Een gedicht van N.J. Storm van 's Gravesande

DE WAARHEID

De waarheid is een brood slechts goed voor scherpe tanden;
Een spijs, die aan de dis liefst elk voorbij laat gaan;
Een boek, dat menig slechts gedwongen neemt in handen;
Een bruid, waar naast geen mens als bruigom graag wil staan.

Luimige gedichten(1827)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten