Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

kerkhof

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Op 't kerkhof waar de naakte bomen rijzen

Op 't kerkhof waar de naakte bomen rijzen
Met zwarte nesten in verwarde twijgen
Kwam regen op verdorde halmen zijgen,
Toen woudt ge een dierbaar graf mij zwijgend wijzen.

Een traan lichtte in uw oog, de zerk lag grijs
En eenzaam in een krans van groene blaren -
Een lichte handdruk kon uw smart bedaren
Maar wis zong nog uw hart bedroefd een wijs.

En 'k dacht: hoe vreemd dat naast verdorde graven
De jonge liefde sterk en hoopvol staat;
Zijn wij niet al van weinig tijds de slaven
Daar toch elk na de ander grafwaarts gaat?

Maar 'k zag u aan, uw oog blonk stil en zacht -
Eindloze liefde die ondoofbaar flonkert
Zal ook niet sterven waar het graf omdonkert
Ons aardse lijf in de stikduistre nacht.

Beweging I (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:11 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

klamme

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

O klamme koude

O klamme koude, die me 't krimpend herte
beklemt, en 't àl ontzielt en mijn gedachten,
als bloemen, dor voor ze in de zonne lachten,
doet nederbuigen onder 't lood der smerte,

- doet nederbuigen in wanhopig smachten,
zo droef, ach, o zo droef, tot haar verterte
de tred des wandlaars, onbewust hoe 't herte
toch pijnlijk krimpen kàn om al die klachten

verloren en niet eens dat lied gezongen,
vol liefde ruisend van miljoenen tongen
en rijk van ingetogen zielenleven.

Mijn hoofd valt zwaar, mijn stramme handen beven;
'k voel onmachtstranen in mijne ogen schieten
en heel mijn leven door mijn vingren vlieten.


1895

Verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:01 Reageer op dit bericht

verzoening

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Verzoening

Kom, zij de ruzie nu gedaan,
verdwijne om 't frisse rozenbekje
- hoe lief 't u sta - dat pruilrig trekje,
En zie me weer eens vriendlik aan....

Laat fladderend waaien in de wind
de golvend losgerolde haren,
en reik me, - och, ge doet het garen,
de rode lippen, zoetlief kind.

De handjes hier.... wat woudt ge doen?
laat aan de zijden wimpers blinken
die heldre droppel: 'k wil hem drinken
in een lange, lange zoen.

Zo... half onwillig, half tevreen
rust ge in mijn arm, met glinsterend ooge,
en fleemt en streelt, tot ik betoge:
'k zeg nimmer ofte nooit meer : neen!

'k Zeg nimmer neen meer, engel mijn,
Op geen van uw duizend grillen:
En deed ik 't al, het zou ter wille,
mijn plaaggeest, der verzoening zijn

Verzen (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:57 1 reactie Reageer op dit bericht

dichterschap

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Dichterschap

Vaak denk ik, moe van arbeid-in-gemis,
(Daar geen uit eigen kunnen dichter is)

Dat somtijds in een zeldzame enkeling
Door onvoorzienbare begunstiging

De geest wel plots de sterke vleugels rept
En in zijn feilloze opvlucht schoonheid schept, -

Zodat, visioen waar de ademtocht voor faalt!
God zichtbaar uit dat menslijk zingen straalt;

Maar dat elk ander, slechts indien hij, stil,
(Kleine eigen-wil geordend naar Gods wil)

Zijn dichten als ondelgbre schuld erkent,
En dan, van al wat hindert afgewend,

In strenge, blindelings aanvaarde plicht
Zijn leven opdraagt aan ‘t volmaakt gedicht, -

Eindelijk, als hij verzaakt heeft noch gemord,
Eén korte, diepe stonde dichter wórdt.

Doch óok die worstling met het stugge woord,
(Waarachter ‘t hart de hoge zang al hoort)

Als ‘t licht ons, toch nog, flitsend binnendringt
En, daar ‘t uit God is dat het straalt en zingt,

ZIJN liefde ons zingende opheft tot een staat,
Die al ons leed in vreugd te boven gaat, -

Ze is, korte delging van de óndelgbre schuld,
Om dat geluk een gave die vervult.

Dan, neigt mijn peinzen naar die liederen heen,
(Want alle schoonheid is uit God alleen)

Waarin door de aarde omgrensde vreugde en pijn
Zo innig aan zich zelf ontzongen zijn,

Dat van de rhythmus die door de ether ruist,
Ook in hun stem een ijle erinnering suist, -

Hoe zou ‘k, wat zij tot stem der ziel verwijdt,
Niet eren in ontroerde dankbaarheid?

Zo - wetend, door vervulling en gemis,
Dat geen uit eigen kunnen dichter is,

Maar ‘t al gegeven krijgt, zelfs als hij, stil,
Zijn eigen wil staag ordent naar Gods wil,

En moeizaam worstelt tot hij, in zijn woord,
De heldere toon van ‘t hoge zingen hoort, -

Dank ik eerbiedig voor mijn dichterlot,
Want alle schoonheid is, alleen, uit God.

Om het eeuwige (Verzen 1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:24 Reageer op dit bericht

memoriam

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

In memoriam

Dàt was een lief mens, die wij nimmer zullen
Terug-zien, stervende als hij is geweest
Heel ver van wat hij lief-had, als een beest
Gezeuld in 't eerlijk graf-zijn, dat met mulle

Plof zacht viel op zijn trouwe hoofd, het rulle
Zand, dat's der dode' allerlaatst aardse feest.
O 't dood-stil graf, dat nooit weet wat geweest
Is 't arm mens-lijf, dat kan zo'n grafje vullen.

O Vincent, die zijt altijd goed gebleven
In 't arme leven dijn, krachtens 't zoet rijp
Bloeien alom op van uw bloem-zacht leven,

Daar ùw wereld om u zei, o grijp maar, grijp,
Waar gij niet kondt, daar gij niet woudt, o rijp,
Zacht mens, die kon niet aan dees aarde kleven.

Verzen CLXXII (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:48 Reageer op dit bericht

de duiven

Een gedicht van J.J. de Stoppelaar 1884-1945

De duiven

Een snelle wind, zo is de vlucht van duiven:
Zij scheert het akkermaals en dan de bomen.
De takken gonzen en de lovers wuiven,
Totdat de schoonste allerhoogste is genomen.

Hier strijkt de vlucht nu neer, maar lang nog wuiven
De twijgen na, om niet tot rust te komen,
Want met een wervlend uit elkander stuiven
Vervliegt de vlaag en zwenkt naar lager zomen.

Maar in de boom roekoert in 't geurig nest
Van overvolle loverzware twijgen
Een jonge doffer, die niet scheiden kon.

Een zachte duive schuilde voor de rest
En bleef maar stil in koele schaduw hijgen,
Schuw voor de gloed van de namiddagzon.

De Beweging, jaargang 15 (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:15 Reageer op dit bericht

scheiden

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Scheiden valt hard

Scheiden valt hard
voor wie zo teer beminnen.
Naar buiten straalt de vreugd. De smart
dringt reeds naar binnen.

Scheiden valt hard;
doch alle, alle dagen,
zal ik het bloeien van uw hart
in 't mijne dragen.

Scheiden valt hard.
Mijn lieve, laat u troosten:
al is de nacht vervaarlijk zwart,
eens licht het Oosten

Het boek der liefde (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:52 Reageer op dit bericht

golgotha

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Golgotha

Indien de waarheid daar is,
waar mijn broeder ze mij toonde,
wijlen mijn broeder Pieter-Floris; -
(hij was student in de teologie
aan een rooms-katoliek seminarie) -
indien het Godszoon is die ging ter Golgotha
en zijn goddelike droefenis
was de menselike bevrijdenis,
dan is het vlaamse volk Gods uitverkoren
volk, omdat het ging als de goddelike vrucht uit David's huis geboren
zijn steile Golgotha, gekruisigd
werd en in de dood behuizigd.

Maar God was in zijn zoon de goddelikheid
van de herrijzenis;
zó zal ook God zijn in onze strijd
tot de bevrijdenis.


JUNIE 1916

HET SIENJAAL

schrijver

Geschreven door Dora om 13:14 Reageer op dit bericht

de waarheid

Een gedicht van N.J. Storm van 's Gravesande

DE WAARHEID

De waarheid is een brood slechts goed voor scherpe tanden;
Een spijs, die aan de dis liefst elk voorbij laat gaan;
Een boek, dat menig slechts gedwongen neemt in handen;
Een bruid, waar naast geen mens als bruigom graag wil staan.

Luimige gedichten(1827)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

de bruggenbouwer

Een gedicht van J.J. de Stoppelaar 1884-1945

De bruggenbouwer

Hij spant
Van kant tot overkant
Al heen en al terug
De brug.

Hij bindt
En wint en overwint
De wal en overwal
Voor al.

Hij bouwt,
En iedereen betrouwt
Al heen en al terug
Zijn brug.

De Beweging (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:54 Reageer op dit bericht

levensloop

Naar aanleiding van het een en ander te hebben gelezen...gewoon of in
de poëzie heb ik een schrijfsel om misschien wat te filosoferen...



Levensloop

 

Het leven heeft z’n loop

Er is veel narigheid te koop

Meer dan dat geluk te koop is

Oh…dat heb je helemaal mis!

Ik ben gelukkig in de liefde

Of ik ben gelukkig in het spel

Of ik ben gelukkig met een baan

Nee, dat woord wil ik niet verstaan!

Narigheid hoort er niet te zijn

Ja, ik geloof het graag

Ieder mens wil gelukkig zijn

Maar wil je geen pijn

Dan loop je de werkelijkheid mis

Want nergens is het hele leven gelukkig

Soms hebben mensen meer ongeluk dan geluk!

Hoewel de medemens maakt vaak veel stuk

Want die gunt een ander geen geluk

Ook al is het geluk breekbaar!

Laat een mens toch voor even eens gelukkig zijn

Waarmee ben je dan gelukkig

Soms met een man of vrouw

Soms met een kind

Maar geluk is vaak heel kort

Door het minste geringste ligt het aan gort!

 

Geschreven door Dora om 16:32 Reageer op dit bericht

jong

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Jong blijven

Het hart blijft jong en wordt niet oud,
Wanneer 't zich fris en open houdt,
Om al wat menslijk is te voelen;
Te voelen wat een kind verblijdt,
En wat er door de geest moet woelen
Eens jonglings, in zijn schoonste tijd.

Die zijn verleden in zich draagt,
Blijft jong, al is hij welbedaagd,
En wekt der jonkheid geen mistrouwen.
Veel kan hij hopen, wie veel heugt;
Veel met zachtmoedig oog beschouwen;
't Herin'ren is een grote deugd.

Madelieven (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:47 Reageer op dit bericht

populieren

Een gedicht van Helen Swarth 1859-1941

Populieren

O populieren!
Langs slapende kanalen weeft ge uw wuifgordijn.
Over uw kruinen laat ge vrij de orkanen gieren,
Geen doet zijn lange takken langs de waatren slieren,
wel zwiept gij als de wind u zweept, maar trots in pijn.

O populieren!
Langs ál mijn levenswegen vind ik u geplant.
In zwart moeras, waar mirt noch oleander tieren,
Waar ernstige eik noch teedre linde hoogtij vieren,
Daar valt uw donkre voorhang voor ‘t Beloofde land.

O populieren!
O wereldvliedende in verheven hemelzucht!
‘k Zie goudlicht gloren door uw blauwe bladerklieren,
Uw ruisen roert me als reizang van gewijde lieren….
O leer mij ruisend rijzen, hoog in reinheidslucht!

----------------------
uit: Poëzie (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:56 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1868-1926

Liefde III


De bijen zoemen in de bloesem-blaân;
De meiwind mijmert in de meiën-heg;
En langs de blanke, loof-bezoomde weg
De kinders zingende naar school toe gaan.

En ik, diep duikend in de halmen, leg
Mijn hoofd waar geurge lente-bloemen staan;
Mijn lippen los, mijn ogen dicht gedaan,
Voel 'k hoe nu wijkt mijn leed àl wijder weg....

O, déze vrede, na een leven, lang
Van bang verlangen naar één dag geluk!
O, déze dagen, vol van zoete zang
En zon en goedheid, na zó diepe druk!
O, déze lente, de eerste die ik pluk
Met hoop in 't hart, en blozen op de wang!

Groot Nederland - jaargang 3 (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:47 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Ze nam en zwolg hem in

Ze nam en zwolg hem in, ìn hare ogen,
En sprong vooruit en greep hem en gedogen
wou ze niet dat hij sprak, ze drukte hem
De lippen met de hare toe, hun stem
Werd niet gehoord, heel lang, ze zat dichtbij
Tegen hem aan en boog zich, en voorbij
Zijn borst, haar hals omhoog, stilde ze zo
haar dorst, soms snikkend en ter nauwerno
Ademend. Eind'lijk viel haar hoofd terzij,
En op zijn schouder brak ze in geschrei.

------------------------------
Fragment uit de Mei (1889)

Mei II

schrijver

Geschreven door Dora om 17:20 Reageer op dit bericht

tortelduifjes

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

De tortelduifjes.

het kind.

Welke lieve tortelduifjes,
Rood van pootjes, blank van kuifjes;
Wonend onder d' eigen boom,
Drinkend aan de eigen stroom,
En op 't eigen dak gezeten.
Vliegen zie ik ze allebei,
Samen opstaan, slapen, eten,
Samen vrolijk met de mei.
'k Wilde de oorzaak daarvan weten,
Lieve moeder!

de moeder.

Wel, Cathrijn!
't Is dat beide zusters zijn.

Gedichtjes voro kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:21 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Liedje

Ik wou dat ik een liedje vond
Iets liefs dat iedereen verstond
Zo 'n mooi - zo'n heel klein, zo een fijn
Ik zou het ieder zeggen!

Ik wou dat 'k grote vleugels vond
Om in de wijde avondstond
Te vliegen naar de zonneschijn
Ik zou ze ieder zeggen!

Ik wou dat ik een meiske vond
Ik zou haar kussen op haar mond.
Ik zou - o! 'k zou gelukkig zijn
En het aan niemand zeggen

Zwerversverzen (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:02 Reageer op dit bericht

hemelvaart

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

HEMELVAART

Als ik beklim de zilvren treden,
Langzaam, en de aarde diep beneden,
Een klein insect in avondglans,
De vonk doet spranklen van zijn dans,

Laat mij dan in mijn armen dragen
De zacht gepelsde, die behagen
Zelfs in de schim zijns meesters vindt,
Warm aan zijn borst zich vleit, en spint;

En dat de hond, wild als een jongen,
Over de heemlen aangesprongen,
Blaffend met meteoren vecht,
En kwisplend ze aan mijn voeten legt;

Het milde rund laat met mij komen,
Het is misschien wat log voor dromen,
a denk, dat het toch ongevraagd
Zijn uier naar de melkweg draagt;

Dat ook de krekel, op wiens zingen
Ik vaak tot voor de troon mocht dringen,
Nu ik nog nader ben bij Hem,
Mij overweldge met zijn stem;

Laat dan de valk, die zonder vrezen
Tot in het hart der zon kan lezen,
De vleuglen uit elkander slaan,
Zodat de deuren opengaan,

En ik tezaam met mijn geleide,
Op een bebloemde lenteweide,
Een door de wind gebogen vlam,
Zal nederknielen voor het lam.

Het aardsche paradijs (1927)


schrijver

Geschreven door Dora om 10:59 Reageer op dit bericht

meidag

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

MEIDAG

De kerzelaar zijn trouwgewaad
heeft aangedaan:
vandage moet hij, meidag is ‘t,
ter bruiloft gaan.

Elk taksken is een priem nu, die,
bewonden, wit,
tot tenden, in een witte schee
van blommen zit.

Beruwrijmd, was hij schoon, wanneer
de winter woei:
veel duizendmaal is schoonder nu
zijn blomgebloei.

Te winter was zijn schoonheid als
een beeltenis
des levens; koud en ijdel, zo
de schaduwe is.

Geen schaduwbeeld en is hij nu,
geen schijn, maar al
dat schoon is, al dat levende, en
dat liefgetal.

‘t Is bruiloft, en ‘t is zonneweer:
de zomermeid
de bruidegom verwacht, die haar
was toegezeid.

Rijmsnoer I

schrijver

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

grafbeplanting

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Grafbeplanting

Op het zwijgend erf der doden
Moet de treurwilg zijn gezet
Maar de popel ruise er nevens:
Bij de rouw het stil gebed.

Op het zwijgend erf der doden
Sta de donk're beuk in de aard;
Maar de meidoorn sta er nevens:
Aan de weemoed hoop gepaard.

Op het zwijgend erf der doden
Bloeie 't roosje in de schauw,
Maar 't vergeet-mij-nietje er nevens:
vluchtigheid en liefdetrouw.

Rust een weinig (1891)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:03 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten