Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Ze nam en zwolg hem in

Ze nam en zwolg hem in, ìn hare ogen,
En sprong vooruit en greep hem en gedogen
wou ze niet dat hij sprak, ze drukte hem
De lippen met de hare toe, hun stem
Werd niet gehoord, heel lang, ze zat dichtbij
Tegen hem aan en boog zich, en voorbij
Zijn borst, haar hals omhoog, stilde ze zo
haar dorst, soms snikkend en ter nauwerno
Ademend. Eind'lijk viel haar hoofd terzij,
En op zijn schouder brak ze in geschrei.

------------------------------
Fragment uit de Mei (1889)

Mei II

schrijver

Geschreven door Dora om 17:20 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

tortelduifjes

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

De tortelduifjes.

het kind.

Welke lieve tortelduifjes,
Rood van pootjes, blank van kuifjes;
Wonend onder d' eigen boom,
Drinkend aan de eigen stroom,
En op 't eigen dak gezeten.
Vliegen zie ik ze allebei,
Samen opstaan, slapen, eten,
Samen vrolijk met de mei.
'k Wilde de oorzaak daarvan weten,
Lieve moeder!

de moeder.

Wel, Cathrijn!
't Is dat beide zusters zijn.

Gedichtjes voro kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:21 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Liedje

Ik wou dat ik een liedje vond
Iets liefs dat iedereen verstond
Zo 'n mooi - zo'n heel klein, zo een fijn
Ik zou het ieder zeggen!

Ik wou dat 'k grote vleugels vond
Om in de wijde avondstond
Te vliegen naar de zonneschijn
Ik zou ze ieder zeggen!

Ik wou dat ik een meiske vond
Ik zou haar kussen op haar mond.
Ik zou - o! 'k zou gelukkig zijn
En het aan niemand zeggen

Zwerversverzen (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:02 Reageer op dit bericht

hemelvaart

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

HEMELVAART

Als ik beklim de zilvren treden,
Langzaam, en de aarde diep beneden,
Een klein insect in avondglans,
De vonk doet spranklen van zijn dans,

Laat mij dan in mijn armen dragen
De zacht gepelsde, die behagen
Zelfs in de schim zijns meesters vindt,
Warm aan zijn borst zich vleit, en spint;

En dat de hond, wild als een jongen,
Over de heemlen aangesprongen,
Blaffend met meteoren vecht,
En kwisplend ze aan mijn voeten legt;

Het milde rund laat met mij komen,
Het is misschien wat log voor dromen,
a denk, dat het toch ongevraagd
Zijn uier naar de melkweg draagt;

Dat ook de krekel, op wiens zingen
Ik vaak tot voor de troon mocht dringen,
Nu ik nog nader ben bij Hem,
Mij overweldge met zijn stem;

Laat dan de valk, die zonder vrezen
Tot in het hart der zon kan lezen,
De vleuglen uit elkander slaan,
Zodat de deuren opengaan,

En ik tezaam met mijn geleide,
Op een bebloemde lenteweide,
Een door de wind gebogen vlam,
Zal nederknielen voor het lam.

Het aardsche paradijs (1927)


schrijver

Geschreven door Dora om 10:59 Reageer op dit bericht

meidag

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

MEIDAG

De kerzelaar zijn trouwgewaad
heeft aangedaan:
vandage moet hij, meidag is ‘t,
ter bruiloft gaan.

Elk taksken is een priem nu, die,
bewonden, wit,
tot tenden, in een witte schee
van blommen zit.

Beruwrijmd, was hij schoon, wanneer
de winter woei:
veel duizendmaal is schoonder nu
zijn blomgebloei.

Te winter was zijn schoonheid als
een beeltenis
des levens; koud en ijdel, zo
de schaduwe is.

Geen schaduwbeeld en is hij nu,
geen schijn, maar al
dat schoon is, al dat levende, en
dat liefgetal.

‘t Is bruiloft, en ‘t is zonneweer:
de zomermeid
de bruidegom verwacht, die haar
was toegezeid.

Rijmsnoer I

schrijver

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

grafbeplanting

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Grafbeplanting

Op het zwijgend erf der doden
Moet de treurwilg zijn gezet
Maar de popel ruise er nevens:
Bij de rouw het stil gebed.

Op het zwijgend erf der doden
Sta de donk're beuk in de aard;
Maar de meidoorn sta er nevens:
Aan de weemoed hoop gepaard.

Op het zwijgend erf der doden
Bloeie 't roosje in de schauw,
Maar 't vergeet-mij-nietje er nevens:
vluchtigheid en liefdetrouw.

Rust een weinig (1891)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:03 Reageer op dit bericht

het zonnespel

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Het zonnespel

Zacht daalde een zondagsrust, ik lei mij dromend
In ’t geurig bloemgoud, dat de wei bemint,
En voor mij rees, het groene veld omzomend,
Een berg van beuken, wuivend op de wind.

Ik zag hun toppen, beurtlings licht en donker,
In vlammend opgaand en weer uitgeblust,
Zich tot dit spel van schaduw en geflonker
Alle gewillig lenen, onbewust.

Doch ik, de blik gericht, het hoofd geheven,
Zocht naar de speler, die deez’ scherts begon,
En vond hem, waar de zomerwolken dreven
In stille stoeten langs dat schild: de zon.

Toen, turend, werd ook ik gelijk die bomen
Een door het hemels licht beschenen kind,
En voelde vreugde en weemoed me overkomen,
In beide zwelgend, en voor beide blind.

Nalezing II (1916 – 1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:55 Reageer op dit bericht

macht

Een gedicht van Omer Karel de Laey 1876-1909

Macht

Uit de vuilberookte smisse,
lijk 'n duivel, keek de smid
en z'n ogen, onder hunne
zwarte wimpers, blekten wit.

Opgezwollen lijk 'n padde,
wrocht de blaasbalg en hij spoog,
dat de vlam, in blauwe bekken,
door de wijde kave vloog.

Langs de strate, half bedeesd, in
't zomerzand, op hunne knien,
zaten jongens, naar de krinkels
van het dansend vuur, te zien.

Met z'n armen, taai lijk vlegels,
wonk de smid op hen en stond,
vaste, vóór z'n stalen aambeeld,
lijk genageld aan de grond.

In z'n vuisten, zat 'n tange,
die 'n gloeiend ijzer greep
en het, lijk 'n rode kreefte,
tussen heure benen neep.

En hij kleunde, met de moker,
op de hoepel van 'n wiel,
dat het grijmsel, door de daver,
van de zolderribben viel.

De Gids jaargang 1903

schrijver

Geschreven door Dora om 20:50 Reageer op dit bericht

levenslust

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Levenslust

Men staakt het sombre treuren,
wanneer de lente zingt,
en als met ‘t bloemengeuren,
de hoop in ‘t harte dringt.

Naar ‘t dorpke trekt de jongen
zo fris, zo welgezind;
daar komt hem toegesprongen
een blozend boerenkind.

Ter stede komt het meisje,
zij zoekt haar huisgerief;
maar vindt ook menig meisje
een flinke hartendief.

Zo toont zich, naar gewendte,
de zoele levenslust,
wanneer de gulle lente
de harten wakker kust.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:51 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Mijn dag en was niet oud genoeg


Mijn dag en was niet oud genoeg,
mijn hart en was niet koud genoeg,
dat zwaar de vlijme twijfel-ploeg
mijn vree niet breke ...
Zo schijn 'k (misschien der vreugd bestemd)
een vrouw, die, vreemder angst beklemd,
oneindig naait haar doden-hemd
steke bij steke.

En 'k naai mijn eigen weifel-kleed,
zorgvuldig zo't mijn vrezen sneed,
volhardend: tot gelaten leed
ten zoom gerake,
of achterwarend-zoet gelaat
bij onbegrepen dageraad,
met onverwacht en blij gewaad
de Liefde nake

De Boom-gaard der Vogelen en der Vruchten (1903 - 1905))

schrijver

Geschreven door Dora om 12:02 Reageer op dit bericht

lentezang

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

Lentezang

Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
Geen blinkende kluister,
Die 't beekje meer knelt;
Het stormen is over;
De buien zijn heen;
Wat ritselt in 't lover,
Is zefir alleen.

Vol bloeisel van boven,
Vol bloemen omlaag,
Staan velden, en hoven,
En telgen, en haag!
De Vrolijkheid dartelt,
In klaverrijk Gras;
Zij wemelt, zij spartelt,
In vlieten en plas.

De wouden herhalen
Hun feestelijk lied:
Ook zwijgt, in de dalen,
De Leeuwerik niet.
Van Echo vervangen,
Bij 't rijzen der maan,
Heft GIJ nog uw zangen,
O Nachtegaal, aan!

Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
Geen blinkende kluister,
Die 't beekje meer knelt!
Ontvlucht nu de steden,
Wie vreugde begeert!
Ontvlucht ze nog heden -
De Lente regeert!

schrijver

Geschreven door Dora om 16:28 Reageer op dit bericht

moedeloosheid

Een gedicht van Virginia Loveling 1834-1875

Moedeloosheid

Als men vermoeid en levensmoede,
Voorbij een eenzaam kerkhof gaat,
Waar soms een zandig terpje oprijst,
En hier en daar een kruisje staat,
Dan haakt het hart in stom verlangen,
Na zoveel lijden doorgestreefd,
Om ook te rusten onder de aarde,
Bij hen, die men vergeten heeft.

Als men mij daar heeft heengedragen,
En u het zondagklokje wekt,
En gij door 't huivrig morgenscheemren,
Mistroostig naar het kerkje trekt,
Dan zult gij op die deken staren,
Zo groen en vochtig uitgebreid :
De dood is beter dan het leven,
En zacht de slaap der eeuwigheid!

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:43 Reageer op dit bericht

kom

Een gedicht van J.J.Stoppelaar 1884-1945

Kom laat ons gaan

Kom, laat ons saam de weg op gaan.
Ik weet een bergbeek en een brug,
Daar vindt het hart zich weer terug.
Men kan er uren blijven staan,
Want niemand zal ons vragen doen.
Daar op de donkere terrassen
Groeit jonge rijst in zilveren plassen,
De wereld is er jong, en groen.
De bergen zijn er donker blauw,
Zo hooggestapeld in hun bouw.
Zie, aan hun voeten uitgespreid
Liggen de velden neergevleid.
Hier is het dat men weder wéét,
Al wat men in de dag vergeet.
Kom laat ons saam dien kant op gaan
En wachten op de jonge maan.

Het verlost verlangen (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:24 Reageer op dit bericht

doller

Een gedicht van W.L.Penning 1841-1924

Doller dan ooit is 't losgebroken

Doller dan ooit is 't losgebroken
En mensen worden wilde beesten;
Hels viert het kwaad zijn gloriefeesten –
Tot de overmacht heeft rechtgesproken,
Of nieuwe vecht-stof uitgezaaid:
Vergif in de' oogst dien 't erfkroost maait.

Aan 't schaakbord peinzen de ingewijden;
En elke zet, na bede om Zegen,
Stormt zwaar 't onmondig mensdom tegen –
Dat, honds gehoorzaam wie 't doet lijden,
In gruwzaam onderlingen strijd
Zijn God vraagt hoe 't zich ooit bevrijdt?

De wereld, zat van 't weerszijds beulen,
Vloekte al wat oorlog stookte in 't duister,
Uit klauwen keert ze in kooi en kluister;
Slaafs – waar haar meesters weer gaan heulen,
Trouwloos op nieuwen krijg bedacht –
Verkropt zij 't wee, en Heerszucht lacht.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

men

Een gedicht van Hadewijch 1225-1275

Men moet in allen tide

Men moet in allen tide
Der minnen wesen blide
Ende hare volghen in elke side,
In allen weghen daer si gheleidt;
Men moet hare leven blide
Ende den rouwe dan also na ghereidt.


(Men moet ten allen tijde
blij zijn om de liefde
en haar overal volgen,
langs alle wegen waarop ze voorgaat;
men moet om haar blij zijn
en dan even bereid te lijden.)

Strofische gedichten (13de eeuw) fragment

schrijver

Geschreven door Dora om 13:33 1 reactie Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Mijn hart is dood...

Mijn hart is dood! – Wie zal het begraven?
Wie zal het kisten? – Mijn hart is dood!
Vaak schroeide ‘t van dorst, en géen kwam ‘t laven;
de honger verteerde ‘t, geen schafte brood…
Mijn hart is dood! Wie zal het begraven?
Wie zal het kisten? – Mijn hart is dood.

Mijn hart is dood… ! Men legge ‘t te rusten,
te rusten in ‘t eerste, beste graf.
Kom ál nu, mijn liefden, mijn jonge lusten,
kom allen nu nader en leg het af..
Mijn hart is dood… ! Men legge ‘t te rusten,
te rusten in ‘t eerste, beste graf!

Mijn hart is dood… Kom allen nu samen,
mijn jonge liefden, een laatste keer.
En noem het éens nog met de oude namen,
en koos en vertroetel het als weleer…
Mijn hart is dood… Kom allen nu samen,
mijn jonge liefden, een laatste keer.

Van alle de oudste, Gij, bruine blonde,
Gij eerste liefde en de reinste mee,
sluit Gij, zacht zoenend, zijn brede wonde,
zoen weg al ‘t kwaad, dat het éens U dee,
van alle de eerste, Gij, bruine blonde,
mijn oudste liefde en de beste mee.

Gij, donkre Fee, met uw zeediepe ogen,
Gij liefde van vuur met uw kussen van vlam,
raap Gij het lijk op, uit mededogen,
draag Gij het mede als een arm dood lam,
Gij, donkre Fee, met uw zeediepe ogen,
Gij liefde van vuur met uw kussen van vlam.

En Gij, o slanke, Gij, ranke, blanke,
Gij schoonste en zoetste, die ‘t heeft bemind,
leg Gij het te slapen,- o ‘k dank U, danke!-
leg Gij het slapen gelijk een kind….
o Gij, mijn slanke, mijn ranke, blanke,
leg Gij het slapen gelijk een kkind.

Dek Gij het toe met cypressentwijgen
en strooi heel zachtjes er aarde op neer,
en keer dan huiswaarts met plechtig zwijgen,
vergeet zijn graf, en keer nimmer weer….
Dek Gij het toe met cypressentwijgen,
en strooi, voor eeuwig, er aarde op neer.

Claribella (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:31 Reageer op dit bericht

vogel

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Gelijk een vogel

Gelijk een vogel moede nederstrijkt
Op 't nestje in loovren veilig weggeborgen,
En 't kopje slapend buigt totdat de morgen
Blij uit haar lichte wolkwaranden kijkt,

En zachtjes zegt: ‘mijn hele hemel prijkt
Alreê met rozen van mijn liefde en zorgen...’
En 't is hem wèl dat nacht is opgeborgen -
Hij rept de vleuglen al, zijn moeheid wijkt! -

Zo strijk ik telkens, Liefste, moede neder
Op 't nestje van uw liefde, tussen lover
Van fijne huislijkheid, en als ge u over

Mij neigt na rust, ontwaakt mijn ziel of teder
Haar wekte morgenglans tot Dag van Zegen -
Zij stijgt in 't licht het Licht der Liefde tegen

Serena (1898)

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

bloemen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

BLOEMEN-TENTOONSTELLING IN DE HAARLEMMERHOUT.

Wat tronen opgericht — en geen vorstinnen!
Hoe heffen zwarte stammen 't dak omhoog
Van baldakijn of luchten glorie-boog,
Hoe wijken hier bossaadjen tot beminnen

Verlokkend, zoden om de dans te ontginnen
Van reien, daar zich licht-gewiekt bewoog
De voet, die droeg de schoonste bloem omhoog:
Gestalte, onwis zijn 't vrouwen of godinnen?

Geef, vorsten, macht mij dat ik hier ze stuwe,
De stoeten, volgend mijner ritmen dwang -
Wat god zou dans en 't dansend zingen vieren?

Of volken, zo nu heerschappij werd uwe
Begift'ging, stuur naar hier der driften drang
Dat hier mijn maat haar rustloos stormen stiere.

April 1910.

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

Hoe?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met neusje fijn en oortjes fijn
en zachte haartjes als satijn?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met oogjes blauw als morgendauw
En rode lipjes als karmijn?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met lidjes rond, en lachgezond
en lonkend lachend zonder grijn?

Voor 't kind - De Gids (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht

maannacht

Een gedicht van Alex Guttelimg 1884-1910

Maannacht

De sterren glommen stil en breder
Als parels in der neevlen zee,
Zilver-doorvloeid was 't maanlicht weder,
Wij liepen zwijgend en tevree.

Vol was de maan, wier stralen banden
In zuivre kring de dampen grijs,
Gelijk een meer in marmren randen
Omcirkelend een hel paleis.

De wegen lijnden blank door donker.
Bomen geveld de bermen langs
Leken op eindeloos gekronkel
Van slangen bleek van schubbenglans.

En in het smallere bospad straalden
Bemoste stammen sneeuwgelijk,
Door kruinen zilvren schimmen daalden
En dwaalden door hun sprookjesrijk.

Hun sluiers wuifden... bleke haren...
Blanke gewaden... manegloed...
Was het de ritseling dier scharen,
Dat kilte rilde door ons bloed?

't Gehakte hout lag klaar in stapels:
Altaren, Druïden-dienst bereid.
Wuifden daarheen die bleke rafels?
Wat vreemde zucht zwol wijd en zijd?

Ons voeten stootten donkre vormen
Als vreemd gedierte op witte grond,
En angst-ontroering kwam bestormen
Ons hart dat nergens uitweg vond.

Opeens een poort van 't woud, en heide
Lag vredig wijd... geen dampen grauw:
Helstralend maan en sterren spreidden
Hun schijnslen door het glanzend blauw.

En bij een vijver tredend schouwden
We in donkre spiegel 't maanbeeld klaar,
Zuiver en rond, en de onverflauwde
Sterren, doodstil, omkringden haar.

Doorgloeide wolken (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten