Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

Hoe?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met neusje fijn en oortjes fijn
en zachte haartjes als satijn?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met oogjes blauw als morgendauw
En rode lipjes als karmijn?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met lidjes rond, en lachgezond
en lonkend lachend zonder grijn?

Voor 't kind - De Gids (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

maannacht

Een gedicht van Alex Guttelimg 1884-1910

Maannacht

De sterren glommen stil en breder
Als parels in der neevlen zee,
Zilver-doorvloeid was 't maanlicht weder,
Wij liepen zwijgend en tevree.

Vol was de maan, wier stralen banden
In zuivre kring de dampen grijs,
Gelijk een meer in marmren randen
Omcirkelend een hel paleis.

De wegen lijnden blank door donker.
Bomen geveld de bermen langs
Leken op eindeloos gekronkel
Van slangen bleek van schubbenglans.

En in het smallere bospad straalden
Bemoste stammen sneeuwgelijk,
Door kruinen zilvren schimmen daalden
En dwaalden door hun sprookjesrijk.

Hun sluiers wuifden... bleke haren...
Blanke gewaden... manegloed...
Was het de ritseling dier scharen,
Dat kilte rilde door ons bloed?

't Gehakte hout lag klaar in stapels:
Altaren, Druïden-dienst bereid.
Wuifden daarheen die bleke rafels?
Wat vreemde zucht zwol wijd en zijd?

Ons voeten stootten donkre vormen
Als vreemd gedierte op witte grond,
En angst-ontroering kwam bestormen
Ons hart dat nergens uitweg vond.

Opeens een poort van 't woud, en heide
Lag vredig wijd... geen dampen grauw:
Helstralend maan en sterren spreidden
Hun schijnslen door het glanzend blauw.

En bij een vijver tredend schouwden
We in donkre spiegel 't maanbeeld klaar,
Zuiver en rond, en de onverflauwde
Sterren, doodstil, omkringden haar.

Doorgloeide wolken (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

makker

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1919

Makker, de dag is óp; lóóp, om je deel te halen

Makker, de dag is óp; lóóp, om je deel te halen
Van 't bare zonnegeld, van dauw en ochtenddoop,
En schater, sleetse zorg en nachtlijk leed ten koop,
Om 't spoelen van de wind en 't lied der wielewalen.

Makker, een open dag voor strijd en nieuwe hoop.
Hij schuurt het hart weer blank, hij vult de lege schalen,
Zó: heil de jonge dag! de wijn mag niet verschalen,
Wijl 's nachts om onze peêl de broze weemoed sloop.

Een donk're rozelaar, een vroege verzen-schrijver,
Een bronstig peerd, dat draaft, de lucht welft stil en strak,
Een vogel rijst en daalt en scheert de koele vijver...

Makker, de dag is schóón, die door de windsels brak!
Hij schrijdt in jong geweld en spilt zijn vreugd en ijver.
En géén keert leeg naar huis, die hèm de hand toestak.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:10 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Het lied van de wijn

Ik treed naar buiten op 't balkon
en adem in de winternacht,
nog staat de tafel achter mij
gevuld met d' uitverkoren vracht
van spijzen kostelijk bereid,
der vruchten kleurge overvloed
en restend in een enkel glas
wat wijn, rood als ons bloed.

Zij gingen heen - hun harde tred
ver-echoot door de lege straat;
de zwarte nacht gelijkt een stolp
die over 't kleine leven staat,
waarbinnen het begrensde spel
òns leven, veilig wordt behoed
tot aan de tijd dat plotseling staakt
de maatgang van ons bloed.

De wind vlaagt over mijn gelaat
en koud en later wordt het uur,
ik treed weer binnen het vertrek
en zet mij eenzaam naast het vuur
en denk aan het voorbije feest
van vriendschap en van overvloed
- ik glimlach om de volle vreugd'
van 't jong en krachtig bloed.

Dàn, met een lang-gewend gebaar
heb ik het ledig glas gevat,
en uit een grauw-bestoven fles
schenk ik het oud en nobel nat,
dat in het helder lamplicht wint
een diepe kleur, een donk're gloed
- zo werd eenmaal dit ledig lijf
gevuld met stromend bloed.

Ik hef het fonkelend kristal
tegen het witte licht omhoog,
opdat ik goed en algeheel
voortaan oprecht beseffen moog
hoe deze dunne, glazen schaal,
ontstegen aan de vaste voet,
het onnaspeurbaar raadsel bergt
van 't eigen, brandend bloed.

En dalend trager naar mijn mond
zie ik als in een diepe droom,
bevangen door een snelle roes,
bedwelmd door 't edele aroom,
een glooiend landschap waar de zon
de jonge trossen rijpen doet,
totdat ten langen lest zij zijn
zwaar van een bronstig bloed.

De donk're bruiden van dit land,
met donk're ogen, donker haar,
ik zie hoe dat hun rappe hand
berooft de knoestige druivelaar
als speelden zij een vluchtig spel;
zij hebben nimmer dit vermoed:
al bleef ik ver en vreemd van hen,
zij zinderen doen mijn bloed.

De droom vergaat en aan mijn mond
breng ik het glas met zekere hand,
in dit verkoren ogenblik
doorslaat mij bliksemend een brand,
een helder vuur, een snelle vlam,
en plotseling ken ik nu voorgoed
't verrukken vlagend van de wijn
zijn ziel, zijn bloed.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:16 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Willem G. van Focquenbroch 1640-1670

ZING-ZANG

IK heb het, bij mijn zolen,
Dan eindlijk op mijn huid;
Mijn hartje brandt op kolen
En springt mijn vel schier uit.
De stralen van uw ogen,
Bestuurd door Venus' kind,
Die doen mij vast verdrogen
Als stokvis in de wind.

’k Heb van de nacht gekreten
ruim twee paar emmers vol:
’k Heb schier de damp vergeten,
Zo is mij ’t hoofd op hol:
’k Heb mijn gekrulde lokken
Zo kaal geplakt om jou,
Dat men uit al de vlokken
Zes ballen maken zou.

Ach, moet dit langer duren,
Zo geef ik ’t hagje op,
Al zou ik bij mijn buren
Gaan lenen bast, balk en strop;
Want ik wil, bij Sint Felten,
Eer derven als een man,
Dan zo door u te smelten,
Als boter in de pan.

Ach laat mijn ongelukken
U porren tot gena:
Zie, hoe mijn hart op krukken
U huppelt achter na:
Ei, wil dat eens ontvangen,
En koestren in uw schoot;
Wilt gij mij niet zien hangen,
Ruim tien jaar voor mijn dood.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:02 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Regen

Schaduwen van wie er gaat
ingedoken over straat,
kleren, hoofd en voetenhak
weggeëffend, grauw en vlak
als lei.

Tuin en schutting allebei,
heesters, perken en jasmijnen
opgetild in een verdwijnen
en het uitgerafeld pad
heeft ook zijn stil verlies gehad.

Tussen bleke huizenmuren
hangt de dag van trage uren,
evenwicht naar alle zijd;
in de stilstand van de tijd
lekt het sijpend ogenblik
tik, tik.

Gemengde Verzen III (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:16 Reageer op dit bericht

regina

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Regina

Regina telt maar vijftien jaren,
En hoe bekoorlijk is ze reeds!
Haar halsje omgolven guldene haren,
Haar mondje omdanst een lachje steeds.
't Eenvoudigst mutsje dekt haar kopje,
De stof haars kleeds is grof katoen. -
Ei! klinkklank heeft het rozenknopje
Om lief te wezen niet van doen.
Wanneer zij op de dag des Heeren
Soms met hare ouders wandlen gaat,
Dan let geen mens op hare kleren,
Maar allen treft haar zoet gelaat.
Dan volgen aller gretige ogen
Het ranke maagdelijn getrouw,
En murmelt menigeen bewogen:
Dat meisje wilde ik wel tot vrouw!

Is hare schoonheid uitgelezen,
Haar hart is mede louter goud:
Dat zegt haar rozig, blozig wezen
Elkeen, die 't eenmaal heeft aanschouwd.
En de engel Gods, die hare gangen
Vol teerheid overal bespiedt,
Die kleurt er nooit een blos de wangen,
Als hij in 't reine zieltje ziet.
Nog hete 't meisje twee-, driemalen
Der nieuwe lente wellekom,
Dan zal ze, o liefde, u tol betalen,
Dan zweeft een vrijerszwerm haar om.
En vlecht u een de mirtebloemen
Om 't blonde hoofd, o maagdelijn!
Mag een zich uwen bruigom noemen,
Wat hemel zal hem de aarde zijn!

Liederen

schrijver

Geschreven door Dora om 11:11 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Avond

Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.

Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armlijk loof dat om de zerken groeit.

Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zo zeggend: ‘Ook de grootste liefde kan niet tegen
De dood die niets ontziet en alles slecht'

Verzamelde gedichten deel1 (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:27 Reageer op dit bericht

blind

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Op een blind geboren maar uitstekend schoon kind.

Onthield u 't Lot, bevallig wicht,
Bij zo veel schoons het zonnelicht,
't Was niet uit wrok, maar medelijden.
Het maakte u, als Cupido, blind;
Maar 't wilde, o albekorend kind,
U voor Narcissus' ramp bevrijden.

1795

Mengelpoezy I

schrijver

Geschreven door Dora om 20:43 Reageer op dit bericht

lippen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Ik kus uw lippen

Ik kus uw lippen en uw ogen,
Ik kus uw haren en uw mond,
Ik kus mij moede en gezond;
Kussende ben ik rondgetogen.

Gij glimlacht en gij wilt gedogen
Dat ik uw hand kus en uw voet.
Ik eet uw vlees en drink uw bloed
Ik kus uw lippen en uw ogen.

Ik kus u in de vroege morgen,
Ik kus u 's avonds en des nachts.
Ik kus u stil en onverwachts,
Ik kus u heftig en verborgen.

Uw Liefde is zo wijd en vrij,
Zo vol van deernis en ontferming,
Dat ik nooit buiten uw bescherming
Verdwalen kan; ik kus u blij.

De Levensgift (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

hoofd

Een mooi gedicht van Hans Uding

GEEN RUIMTE IN MIJN HOOFD

Géén ruimte in mijn hoofd, ik oog toch normaal
ik weet het begin niet te vinden, het is weg
weet niet meer waar ik de dingen leg
mijn verstand is zoek, is aan de haal

mijn echte ik is verdwenen, waar zou het toch zijn
ik wil het weer terug, het doet mij zo pijn,
toen kreeg ik visite van een lieve vriendin
kreeg hoop en zag in het leven weer zin

ik gaf haar de sleutel van mijn treurige hart
keek naar de chaos en rotzooi met smart
nu kan zij altijd bij mij naar binnenkomen
samen in mijn opgeruimde hart wonen

het was puin ruimen in mijn leven,
dat zij mij terug heeft gegeven
zonder haar hulp was ik zovér nooit gekomen
ook de ruimte in mijn hoofd is weer te bewonen



schrijver

Geschreven door Dora om 19:10 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Giza Ritschl 1869-1942

Mijn liefde

Mijn liefde ging in weemoed over,
Voorbij is de pracht, het licht, de tover,
Gedoofd zijn de vlammen, geblust het licht,
Nu ga en sta ik met blind gezicht.

Mijn ziel werd zeer zwaar beproefd,
Mijn hart ziek en diep bedroefd;
Mijn gemoed heel somber, kil en koud,
Mijn trekken vaal, moe en oud.

Mijn leven gaat nu doelloos heen,
Ik leef, doch ach, in vrees alleen;
In kwelling, onrust, angst en nood,
Ik verwacht niets meer, alleen de dood.

De Beweeging jaargang 10 (1914)

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van W.L. Penning 1841-1924

In de nacht

Hoe vaak in dromen eensklaps mist' ik u...
En angstig zoekend - want in lijfsgevaren,
Hulp'loos in doodsgevaren wist ik u -
Zoekend die mij zocht, raadloos bleef ik waren;
En denkend mij úw angst, slaakte ik een kreet -
Die juichtoon werd, naast u me ontwaken deed!

In dromen voorgevoeld had ik uw dood.
Nu hij u wegnam, hoor ik vaak in dromen
Uw stem zo klaar als ik die ooit genoot,
En zie ik u blijmoedig naderkomen;
Zalig verrast, klopt dan mijn hart zó luid
Dat ik ontwaak....
En 't sprookje is gruwzaam uit.

schrijver

Geschreven door Dora om 09:34 Reageer op dit bericht

april

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Half-april

gij blauwgekaakte wolken daar
halfwit omtrent uw boorden,
die gruwzaam in de hemel moert,
en grimt in ’t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
de baas nog hier? ’t Is half april!

’t Is onbermhertig koud; en ’t kan,
de zonne ondanks gebeuren,
dat ’s morgens, al dat gers is, wit
geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
des winters? Wij zijn wintermoe!

’t Moet zomer zijn, geen koude lucht,
die bijt en straalt; ’t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit,
of weer in ’t gers gekropen,
van schuchterheid, voor ’t nijpen van
de hardgevuiste winterman!

Staat op, gij oosters zonnelicht,
en schiet, bij volle grepen,
uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
des konings kind! te late al is ’t!

Hallelu-jah! dan zingen zal,
dat ’t wederklinkt alomme,
de gorgel los, de vogel en
de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
en kondigen den Koning aan.

12-04-1897

--------------------------------------
Moeren: morrelen
Gers: gras
Gorgel: keel,strottenhoofd

Laatste verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 14:24 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

[uit het zangdicht: Arnold.]

In het land van Utopeia
groent en blauwt ene eeuwige mei,
glanst ene eeuwige lentezonne,
zingt eene eeuwige vogelenrei,
blinken marmeren sloten tussen
myrtenwoud en waterkant,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

In het land van Utopeia
draagt elk herder vurige min
tot het puur etherisch wezen
ener vorstelijke engelin,
wier getrouwe wederminne
zedens tart en edelstand,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

Och het land van Utopeia!
Hoe gewillig het lief ook zij,
trilt haar luchtige volmaaktheid
des verliefde greep voorbij;
edoch hoe platonisch ook, hoe
feller zijne liefde brandt,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

Al de gedichten (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:53 1 reactie Reageer op dit bericht

ontevreden

Een gedicht van Gerrit van de Linde 1808-1858

Op iemand ontevreden

Zeg, wandelaar, zeg,
Je moet niet denken, dat ik voor mijn plezier hier leg.

Mengelpoezy - grafschriften

schrijver

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

gaven

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

De goede wijn is een der goede gaven

De goede wijn is een der goede gaven,
Waarmede God ons, armen, heeft bedeeld,
De goede dronk, waarmede wij ons laven,
Is hemels en een lust, die nooit verveelt.

Aldus verblijdt hij zich, die is genezen,
En thans de dingen weder juist ervaart,
De goede wijn bevrucht zijn ganse wezen,
Gelijk de regen drenkt de goede aard.

Najaarsvruchten (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:48 Reageer op dit bericht

leentje

Een gedicht van Willem Ockerse 1760-1826

Op de dood van Leentje

[een uur na hare geboorte, met hare moeder overleden]

Leentje, ontwaakt van ’t lange slapen,
Wierp een blikje om zich heen,
Zag, dat hier niets was te rapen
Dan ellende en droef geween.
Leentje sloot haar schuldloze ogen;
’t Sterven was voor haar gewin,
Ze is toen juichende gevlogen,
Moeder na, ten hemel in.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:39 Reageer op dit bericht

kruisiging

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

DE KRUISIGING

Kom mee, kom mee, daar is wat schoons te zien:
Daar wordt een man gekruist op Golgotha.

Multatuli..

===========================================

Een bende rukt ter bergkruin, de adelaren
van Romen aan de spits ; - daar rond en achter
een wild getier, gejoel, gejuich: want boven wacht er
zo'n heerlijk schouwspel! Voort! Als woeste baren

golft alles opwaarts. Midden in de scharen
strompelt een doodsbleek man, en zie: de wacht der
soldaten zweept hem voort, en ieder tracht er,
door 't volk heendringend, toch hem eens te ontwaren.

Recht aardig! En daarbij, betraande vrouwen
omringen hem; zijn moeder ook en teder
staart zij hem aan: - helaas ! geknoopte touwen

doorstriemen 't lichaam, maar nog eindloos wreder
dan 't wreed gefolter! Moeders blikken snijden
door 't stervend harte des gebenedijde.


1886

schrijver

Geschreven door Dora om 10:44 Reageer op dit bericht

maneschijn

Een gedicht van Margriet van Essen 1751-1793

Aan het venster, bij maneschijn.

Nacht en stil is 't, om mij heen
Al 't gewoel des daags verdween.
Slechts de lieve maan beschijnt
Mij, door zorgen afgepijnd.

Duizend tranen zijn gestort,
Duizend zorgen afgekort:
En, mij arme, die hier lij,
Is de middernacht zelf blij!

Zachtkens juich ik in mijn deel,
Mij is alles evenveel.
Niets van 't geen het oog bekoort
Is er, dat mijn ruste stoort.

Mag ik maar, vol zuiver vuur,
U, bewondren - o natuur!
Mag ik maar, ootmoedig stil,
Gaan, waar God mij leiden wil!

O wat wens ik mij dan meer?
'k Heb dan al wat ik begeer,
En, zo 'k ooit, door onspoed ween,
'k Zie dan, door dit leven heen.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:55 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten