Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Willem G. van Focquenbroch 1640-1670

ZING-ZANG

IK heb het, bij mijn zolen,
Dan eindlijk op mijn huid;
Mijn hartje brandt op kolen
En springt mijn vel schier uit.
De stralen van uw ogen,
Bestuurd door Venus' kind,
Die doen mij vast verdrogen
Als stokvis in de wind.

’k Heb van de nacht gekreten
ruim twee paar emmers vol:
’k Heb schier de damp vergeten,
Zo is mij ’t hoofd op hol:
’k Heb mijn gekrulde lokken
Zo kaal geplakt om jou,
Dat men uit al de vlokken
Zes ballen maken zou.

Ach, moet dit langer duren,
Zo geef ik ’t hagje op,
Al zou ik bij mijn buren
Gaan lenen bast, balk en strop;
Want ik wil, bij Sint Felten,
Eer derven als een man,
Dan zo door u te smelten,
Als boter in de pan.

Ach laat mijn ongelukken
U porren tot gena:
Zie, hoe mijn hart op krukken
U huppelt achter na:
Ei, wil dat eens ontvangen,
En koestren in uw schoot;
Wilt gij mij niet zien hangen,
Ruim tien jaar voor mijn dood.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:02 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

regen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Regen

Schaduwen van wie er gaat
ingedoken over straat,
kleren, hoofd en voetenhak
weggeëffend, grauw en vlak
als lei.

Tuin en schutting allebei,
heesters, perken en jasmijnen
opgetild in een verdwijnen
en het uitgerafeld pad
heeft ook zijn stil verlies gehad.

Tussen bleke huizenmuren
hangt de dag van trage uren,
evenwicht naar alle zijd;
in de stilstand van de tijd
lekt het sijpend ogenblik
tik, tik.

Gemengde Verzen III (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:16 Reageer op dit bericht

regina

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Regina

Regina telt maar vijftien jaren,
En hoe bekoorlijk is ze reeds!
Haar halsje omgolven guldene haren,
Haar mondje omdanst een lachje steeds.
't Eenvoudigst mutsje dekt haar kopje,
De stof haars kleeds is grof katoen. -
Ei! klinkklank heeft het rozenknopje
Om lief te wezen niet van doen.
Wanneer zij op de dag des Heeren
Soms met hare ouders wandlen gaat,
Dan let geen mens op hare kleren,
Maar allen treft haar zoet gelaat.
Dan volgen aller gretige ogen
Het ranke maagdelijn getrouw,
En murmelt menigeen bewogen:
Dat meisje wilde ik wel tot vrouw!

Is hare schoonheid uitgelezen,
Haar hart is mede louter goud:
Dat zegt haar rozig, blozig wezen
Elkeen, die 't eenmaal heeft aanschouwd.
En de engel Gods, die hare gangen
Vol teerheid overal bespiedt,
Die kleurt er nooit een blos de wangen,
Als hij in 't reine zieltje ziet.
Nog hete 't meisje twee-, driemalen
Der nieuwe lente wellekom,
Dan zal ze, o liefde, u tol betalen,
Dan zweeft een vrijerszwerm haar om.
En vlecht u een de mirtebloemen
Om 't blonde hoofd, o maagdelijn!
Mag een zich uwen bruigom noemen,
Wat hemel zal hem de aarde zijn!

Liederen

schrijver

Geschreven door Dora om 11:11 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Avond

Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.

Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armlijk loof dat om de zerken groeit.

Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zo zeggend: ‘Ook de grootste liefde kan niet tegen
De dood die niets ontziet en alles slecht'

Verzamelde gedichten deel1 (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:27 Reageer op dit bericht

blind

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Op een blind geboren maar uitstekend schoon kind.

Onthield u 't Lot, bevallig wicht,
Bij zo veel schoons het zonnelicht,
't Was niet uit wrok, maar medelijden.
Het maakte u, als Cupido, blind;
Maar 't wilde, o albekorend kind,
U voor Narcissus' ramp bevrijden.

1795

Mengelpoezy I

schrijver

Geschreven door Dora om 20:43 Reageer op dit bericht

lippen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Ik kus uw lippen

Ik kus uw lippen en uw ogen,
Ik kus uw haren en uw mond,
Ik kus mij moede en gezond;
Kussende ben ik rondgetogen.

Gij glimlacht en gij wilt gedogen
Dat ik uw hand kus en uw voet.
Ik eet uw vlees en drink uw bloed
Ik kus uw lippen en uw ogen.

Ik kus u in de vroege morgen,
Ik kus u 's avonds en des nachts.
Ik kus u stil en onverwachts,
Ik kus u heftig en verborgen.

Uw Liefde is zo wijd en vrij,
Zo vol van deernis en ontferming,
Dat ik nooit buiten uw bescherming
Verdwalen kan; ik kus u blij.

De Levensgift (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

hoofd

Een mooi gedicht van Hans Uding

GEEN RUIMTE IN MIJN HOOFD

Géén ruimte in mijn hoofd, ik oog toch normaal
ik weet het begin niet te vinden, het is weg
weet niet meer waar ik de dingen leg
mijn verstand is zoek, is aan de haal

mijn echte ik is verdwenen, waar zou het toch zijn
ik wil het weer terug, het doet mij zo pijn,
toen kreeg ik visite van een lieve vriendin
kreeg hoop en zag in het leven weer zin

ik gaf haar de sleutel van mijn treurige hart
keek naar de chaos en rotzooi met smart
nu kan zij altijd bij mij naar binnenkomen
samen in mijn opgeruimde hart wonen

het was puin ruimen in mijn leven,
dat zij mij terug heeft gegeven
zonder haar hulp was ik zovér nooit gekomen
ook de ruimte in mijn hoofd is weer te bewonen



schrijver

Geschreven door Dora om 19:10 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Giza Ritschl 1869-1942

Mijn liefde

Mijn liefde ging in weemoed over,
Voorbij is de pracht, het licht, de tover,
Gedoofd zijn de vlammen, geblust het licht,
Nu ga en sta ik met blind gezicht.

Mijn ziel werd zeer zwaar beproefd,
Mijn hart ziek en diep bedroefd;
Mijn gemoed heel somber, kil en koud,
Mijn trekken vaal, moe en oud.

Mijn leven gaat nu doelloos heen,
Ik leef, doch ach, in vrees alleen;
In kwelling, onrust, angst en nood,
Ik verwacht niets meer, alleen de dood.

De Beweeging jaargang 10 (1914)

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van W.L. Penning 1841-1924

In de nacht

Hoe vaak in dromen eensklaps mist' ik u...
En angstig zoekend - want in lijfsgevaren,
Hulp'loos in doodsgevaren wist ik u -
Zoekend die mij zocht, raadloos bleef ik waren;
En denkend mij úw angst, slaakte ik een kreet -
Die juichtoon werd, naast u me ontwaken deed!

In dromen voorgevoeld had ik uw dood.
Nu hij u wegnam, hoor ik vaak in dromen
Uw stem zo klaar als ik die ooit genoot,
En zie ik u blijmoedig naderkomen;
Zalig verrast, klopt dan mijn hart zó luid
Dat ik ontwaak....
En 't sprookje is gruwzaam uit.

schrijver

Geschreven door Dora om 09:34 Reageer op dit bericht

april

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Half-april

gij blauwgekaakte wolken daar
halfwit omtrent uw boorden,
die gruwzaam in de hemel moert,
en grimt in ’t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
de baas nog hier? ’t Is half april!

’t Is onbermhertig koud; en ’t kan,
de zonne ondanks gebeuren,
dat ’s morgens, al dat gers is, wit
geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
des winters? Wij zijn wintermoe!

’t Moet zomer zijn, geen koude lucht,
die bijt en straalt; ’t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit,
of weer in ’t gers gekropen,
van schuchterheid, voor ’t nijpen van
de hardgevuiste winterman!

Staat op, gij oosters zonnelicht,
en schiet, bij volle grepen,
uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
des konings kind! te late al is ’t!

Hallelu-jah! dan zingen zal,
dat ’t wederklinkt alomme,
de gorgel los, de vogel en
de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
en kondigen den Koning aan.

12-04-1897

--------------------------------------
Moeren: morrelen
Gers: gras
Gorgel: keel,strottenhoofd

Laatste verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 14:24 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

[uit het zangdicht: Arnold.]

In het land van Utopeia
groent en blauwt ene eeuwige mei,
glanst ene eeuwige lentezonne,
zingt eene eeuwige vogelenrei,
blinken marmeren sloten tussen
myrtenwoud en waterkant,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

In het land van Utopeia
draagt elk herder vurige min
tot het puur etherisch wezen
ener vorstelijke engelin,
wier getrouwe wederminne
zedens tart en edelstand,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

Och het land van Utopeia!
Hoe gewillig het lief ook zij,
trilt haar luchtige volmaaktheid
des verliefde greep voorbij;
edoch hoe platonisch ook, hoe
feller zijne liefde brandt,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

Al de gedichten (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:53 1 reactie Reageer op dit bericht

ontevreden

Een gedicht van Gerrit van de Linde 1808-1858

Op iemand ontevreden

Zeg, wandelaar, zeg,
Je moet niet denken, dat ik voor mijn plezier hier leg.

Mengelpoezy - grafschriften

schrijver

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

gaven

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

De goede wijn is een der goede gaven

De goede wijn is een der goede gaven,
Waarmede God ons, armen, heeft bedeeld,
De goede dronk, waarmede wij ons laven,
Is hemels en een lust, die nooit verveelt.

Aldus verblijdt hij zich, die is genezen,
En thans de dingen weder juist ervaart,
De goede wijn bevrucht zijn ganse wezen,
Gelijk de regen drenkt de goede aard.

Najaarsvruchten (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:48 Reageer op dit bericht

leentje

Een gedicht van Willem Ockerse 1760-1826

Op de dood van Leentje

[een uur na hare geboorte, met hare moeder overleden]

Leentje, ontwaakt van ’t lange slapen,
Wierp een blikje om zich heen,
Zag, dat hier niets was te rapen
Dan ellende en droef geween.
Leentje sloot haar schuldloze ogen;
’t Sterven was voor haar gewin,
Ze is toen juichende gevlogen,
Moeder na, ten hemel in.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:39 Reageer op dit bericht

kruisiging

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

DE KRUISIGING

Kom mee, kom mee, daar is wat schoons te zien:
Daar wordt een man gekruist op Golgotha.

Multatuli..

===========================================

Een bende rukt ter bergkruin, de adelaren
van Romen aan de spits ; - daar rond en achter
een wild getier, gejoel, gejuich: want boven wacht er
zo'n heerlijk schouwspel! Voort! Als woeste baren

golft alles opwaarts. Midden in de scharen
strompelt een doodsbleek man, en zie: de wacht der
soldaten zweept hem voort, en ieder tracht er,
door 't volk heendringend, toch hem eens te ontwaren.

Recht aardig! En daarbij, betraande vrouwen
omringen hem; zijn moeder ook en teder
staart zij hem aan: - helaas ! geknoopte touwen

doorstriemen 't lichaam, maar nog eindloos wreder
dan 't wreed gefolter! Moeders blikken snijden
door 't stervend harte des gebenedijde.


1886

schrijver

Geschreven door Dora om 10:44 Reageer op dit bericht

maneschijn

Een gedicht van Margriet van Essen 1751-1793

Aan het venster, bij maneschijn.

Nacht en stil is 't, om mij heen
Al 't gewoel des daags verdween.
Slechts de lieve maan beschijnt
Mij, door zorgen afgepijnd.

Duizend tranen zijn gestort,
Duizend zorgen afgekort:
En, mij arme, die hier lij,
Is de middernacht zelf blij!

Zachtkens juich ik in mijn deel,
Mij is alles evenveel.
Niets van 't geen het oog bekoort
Is er, dat mijn ruste stoort.

Mag ik maar, vol zuiver vuur,
U, bewondren - o natuur!
Mag ik maar, ootmoedig stil,
Gaan, waar God mij leiden wil!

O wat wens ik mij dan meer?
'k Heb dan al wat ik begeer,
En, zo 'k ooit, door onspoed ween,
'k Zie dan, door dit leven heen.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:55 Reageer op dit bericht

rust

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Rust

Geen smijdig goud of elpenbeen,
Geen zuilbalk, verr' in 't West gesneên,
Bewelft mijn kamers en portalen.
Geen zijden val- of plooigordijn
Onttrekt mijn oog de zonneschijn
In slaapsalet of etenszalen.

'k Heb Hessens schatkist, met het bloed
Van menslijk slachtvee aangevoed,
Noch Fredriks spaarpot leeggeplonderd;
En voer in 't bonte koordlivrei
Geen vetgemeste Huurlakei
Wanneer mijn koets door 't Hofspui dondert.

Maar 'k heb, bij 't oefengraag verstand,
Mijn Dichterlijke luit ter hand,
En niet geheel onvruchtbare ader.
Zie daar mijn aanzien, schat en lust:
Zie daar de bloemhof van mijn rust,
Waar uit ik 's levens honing gader!

Met dit mijn sober deel te vreên,
Vermoei ik 't lot niet met gebeên
Om 't nutloos meer, 't bedrieglijk beter;
Maar dank die 't lastig arbeidszweet
En 't armoed-rillen enden deed
In 't matig van de thermometer.
Thans moog, dit enige is mijn beê,

Mijn golfje op de levenszee
In kalme zwelling strandwaart rollen!
En doe geen wissling meer van maan
Een stormend springgetij ontstaan,
Dat wind en baren help aan 't hollen!

Wat draagt men, hellende over 't graf,
Hier, hooggetopte duinen af,
Daar, bergen op in vlakke heiden,
Op dat het alomvattend oog
Langs 't eindloos zeeruim weiden moog,
En de avondzon te bed geleiden?

Uw zon, o stervling, daalt eerlang!
Reeds helt zij naar haar ondergang,
En de eeuwigheid gaat voor u open.
Wend, wend uwe ogen derwaart heen,
Bereid uw laatste legersteen,
In plaats van bergen op te hopen.

O zalig, wie des aardrijks schoot
't Herbergzaam bed der rust ontsloot
In uitzicht op volmaakter morgen!
Genadige Almacht, geef ons dit;
En, wie hier bedel' of bezitt',
Gij zult voor zijn behoefte zorgen.



's Gravenhage,



1806.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:36 Reageer op dit bericht

stemmen

Een gedicht van C.S. van Adama van Scheltema 1877-1924

Zingende stemmen

Zachte stemmen zingen door het leven,
Stromend over aller harten grond,
Doch de dromen die zij ruisend weven,
Doch de beelden die zij wekken, zweven
Zelden omhoog uit een zingende mond.

In de onverzadelijke vlagen
Van het leven gaat hun lied te loor,
En bezij de paden, waar wij jagen,
Naar de bodem onzer luide dagen,
Neigt maar zelden een aandachtig oor.

Maar op 's harten grond murmlen de beken,
Waar een ongeweten licht in speelt,
Waar de stemmen van dit leven breken,
Doch waar nieuwgeboren stemmen spreken
Rondom menig stil verzonken beeld.

En de beken aller harten glijden
Samen tot één fonkelende stroom,
Stroom van schoonheid onder 's levens lijden,
Aller stemmen dragend naar dien wijde
Zee-gelijke en oneindige droom.

Luisterend, met donker zachte ogen,
Staan wie dichters heten aan die vliet:
Dromend over menig beeld gebogen,
Zingen zij, als 't ruisend riet bewogen...
Zingen zij uw vliedend levenslied:

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

vreemdeling

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De vreemdeling

Laat mij alleen.
dit is de tweesprong onzer wegen.
gij hebt mij tot de verste rand geleid.

maar keer hier om, ween niet.
gij kunt de laatste tocht naast mij niet schrijden,
noch ik met u, gij gaat hem eens alleen.

gij zijt mij nochtans onverdeeld verpand:
ik heb uw bloed de donkre kus gegeven
van hen, die boven dood en leven
ontstegen zijn. ik ben hun afgezant.

ik beid uw komst.

wij zullen eens de zwarten wijn
van dood en donker uit één beker drinken,
wij zullen stromend in elkaar verzinken
en eeuwig zijn.

vaarwel.
ik keer niet weer.
maar gij komt zelve, later.
vaarwel. het water
roept voor de derde keer.

Gedichten (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:54 Reageer op dit bericht

leergierig

Een gedicht van Contantijn Huygens 1596-1687

Leergierig

Jan, was ik toch als boek geboren, zei Katrijn,
zo kon je dag en nacht met mij bezig zijn
als met je boeken nu. Wel, zei Jan, en lachte,
ik dank je voor je vondst, je hebt zeer goê gedachten:
een boek was naar mijn zin, als ík maar kiezen zou
wélk boek het wezen mocht. Welk boek dan? zei de vrouw.
Een almanak, sprak Jan, die zou mij 't liefste wezen,
dan had ik ieder jaar een nieuw boek om te lezen.

Sneldichten

schrijver

Geschreven door Dora om 13:15 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten