Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

mist

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

MIST

Zie nu 't vorm-slorpend grijs fantoom van mist
Zich vlijend om 't gebied van stad en land;
De lichten schijnen met een matte brand,
Gehuld in damp'ge waâ van amethyst.

't Lijkt àl verwazigd wat ik helder wist
Gezien door dof-beslagen, glazen wand,
Waarboven zich de grauwe hemel spant,
In nevelzee, half zichtbaar, half gegist.

Het maanlicht worstelt om met flauw geglim
Te dringen door het klamme grijze rag,
Dat om het aard-gelaat zweeft als een schim.

Want wind-stil weegt de kalmte van de dag,
Geboren uit de tranen van de kim,
Nog neder op de nacht met vreemd gezag.

Tonen en Tinten

schrijver

Geschreven door Dora om 13:36 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

geloven

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Geloven

Wanneer ik nu in de oude bladen lees
En zie het wonder beeld-werk van die tijden,
Die nog voor 't heil-begerig oog belijden
Een geloven, dat hoog boven werelds vrees

En hel en dood en wat het meeste dees
Tijden onteert : kil onverschillig lijden
Van weedom, hief tot 't hoogste heil verbeiden,
Des dervend nu doolt menig hart als wees;

Dan voel ik in wie nu dichtste bij mij woont
Al schijnt ook de aard van heiligheid verlaten
En 't schoonst verjaagd door ongeloof verwaten,

Dat toch de God, die in het diepst hart woont,
Nog niet verscheidde en licht me in ziele-pracht
Een eenzaam wacht-vuur, rondom donkre nacht.

Proza en poëzie (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

de laster

Een gedicht van Lieuwe Schipper 1808-1870

DE LASTER

Hoe de laster smaal',
En door vuige taal,
Deugd haar kroon bezwalke, -
't Schendend lipvenijn,
Schoon het de aard' verschalke,
God verblindt geen schijn!

Zie, de nevel zwicht,
Voor het zonnelicht,
Dat de waarheid bloot leit;
En de pest der aard',
Staat, in al zijn snoodheid,
Naakt geopenbaard.

Wat zijn helse tocht,
Gruwlijks samenwrocht,
Tot zijn naastens smarte, -
't Plet zijn eigen kop -
God doorzag zijn harte,
En stond wrekend op!

De Liereman (1844)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

maantje

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1875

Het maantje

De maan loopt door de wolken,
Zo zachtjes en zo snel;
De kindren komen buiten,
« 0, knaapje, ziet ge 't wel? »

Toen stak het kleine knaapje
Naar haar zijn armkens uit,
En wou het maantje hebben,
En weende en schreide luid.

lk kan het u niet geven :
0, zo ge later, kind,
Ook 't levensheil woudt hebben,
Dat men op aard niet vindt,

Denk dan aan 't zilvren maantje,
Dat door de wolken loopt,
En dat hij veel moet lijden,
Die op 't onmooglijk hoopt.

Gedichten (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

blindgeboren

Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647

Sonnet - Wanneer door 's werelds licht de blindgeboren jongen

Wanneer door 's werelds Licht de blindgeboren jongen
Gezicht verkreeg, hij stond verwonderd en bedeesd.
Beweging, verwe, stal van plant, van mens, van beest,
Verbluften zijn gedacht' en liefelijk besprongen.

Voorts sloten, torens, schier ten hemel hoog gesprongen,
Het tijd-verdrijf van 's mensen onderwind-al-geest;
Maar de zienlijke god, de schone zonne, meest.
Zijn tonge zweeg, 't gemoed dat riep om duizend tongen.

Even aleens, mijn licht, wanneer gij mij verschijnt
En dat mijn ziel ontdekt uw ziels sieraden vijndt,
Die 't oge mijns gemoeds, dat t' haarwaarts strekt, ontmoeten

Zo zwelt mijn hart van vreugd en van verwondring diep
En danke jegens u en jegens die u schiep,
Totdat het berst en valt gebroken voor uw voeten.

-----------------------------------
uit: Liederen en gedichten
-----------------------------------
's werelds Licht - Christus
bedeesd - verbijsterd
schier ten hemel hoog gesprongen - bijna tot de hemel reikend
onderwind-al-geest - het alles ondernemende verstand
ontdekt uw ziels sieraden vijndt - de schoonheid van uw ziel vindt blootliggen

schrijver

Geschreven door Dora om 11:10 Reageer op dit bericht

doodsangst

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Doodsangst

Niet in de winter, wanneer dagen duister
Als nachten zijn, wier zwaarte mij verdrukt,
Maar in de zomer, als de bloei, de luister
Van dag en nacht, het bevend hart verrukt.

Niet in de winter als deuren en ruiten
Kreunen bij 't woedend waaien van de wind
Maar in de zomer, als vogels hoog fluiten
De dag laat eindigt en weer vroeg begint,

Vrees ik de Dood, haat ik hem machteloos,
Ik heb het leven zó lief en het gaat
Buiten mijn macht genaadloos naar één eind.

O, Vriend, lach niet meer. Maar een korte poos
Eer de wrede Dood ons beiden verslaat
En onze Vriendschap in het niet verdwijnt.

Liederen (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

bruisend

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Bruisend zwalpt

Bruisend zwalpt me over 't hoofd ene zee;
Wervelwind warrelt woest, rukt me mee...
En de sterren verzwinden, verslinden elkander.
Gans in gloed staat 't heelal,
Doodsgebrul, angstgeschal,
Klinkt overal!
De zon alleen, die hemelsalamander
Vonkelt tevreên op mijn vreeslijke val.

Uilgekras, slanggesis mij begroet,
't Spuwt naar mij, al wat kruipt, al wat wroet:
En de nietige mensen verwensen mijn pogen.
Brak ik stout slavernij
'Sla hem dood!' - roepen zij,
'Doof 't medelij!'
Het graf alleen, die moeder helser logen,
Opent de boezem en hunkert naar mij.

Vrouwentroost, kindermin vind ik niet,
Ach! mijn val baart hun zelfs geen verdriet...
En mijn aaklige blikken verschrikken hen zeker.
Gij, door min mij gejond,
Kom tot mij, 'k ben gewond!
Maak mij gezond...
De liefde zelf, die zoete balsembeker,
Vlucht en verloochent de stervende hond.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:22 Reageer op dit bericht

mijnwerkers

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Mijnwerkers

Zij dalen zwijgend in de don'kre grond,
Met bleke lippen en verflensende ogen,
Vervloekend de hardvochtig-valse logen,
Die hen tot nacht doemt, als de morgenstond
Met nieuwe glansen rijst, en schitt'rend-bont,
Van zuiv're zonneschoonheid overtogen,
Het land lacht in het licht, en uit den hoge
Een zoele vrede nederzijgt in 't rond.

Dan zinken zij in zwarte, kille mijnen,
Gebogen in hun jeugd, half-wezenloos,
Gedwee hun beurt verbeidend bij de schacht.

En bukkend moeten ze in de grond verkwijnen,
In muffe damp — daarboven bloeit de roos! —
Gevaren duldend in hun somb're nacht.

Tonen en tinten (1900)

Illustratie: Mijnwerker door Jan Toorop (1858-1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:12 Reageer op dit bericht

bui

Een gedicht van Anthony Winkler Prins 1817-1908

Bui

Grimmig snellen rondgerolde wolken,
Eindeloos grote kluwens, aan door 't blauw.
Doodse stilte! Toch, ze naadren gauw,
Scherp weerspiegeld in de molenkolken.

Schelle fonkling van miljoenen dolken;
Dan de donder; en, van regen lauw,
Schudt de wind de hechte molenbouw,
Loeit het rund, dat wegvlucht, ongemolken.

Zuiver, als geslepen edelstenen
In een rand van donker goud gevat,
Spiedt de klaproos door de halmen henen,

Glanst de koornbloem helder na het bad;
En het paard, met glimmend stijve benen,
Scheert de klaver, koel en druipend nat.

Sonnetten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:31 Reageer op dit bericht

avondgeluiden

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

AVONDGELUIDEN

Er moeten witte hoeven achter de zoom staan
van de blauwe velden langs de maan
's avonds hoort gij aan de verre steenwegen
paardenhoeven
dan hoort gij alles stille waan
van verre maanfonteinen zijpelt plots water
- gij hoort plots het zijpelen
van avondlik water -
de paarden drinken haastig
en hinniken
dan hoort men weer hun draven stalwaarts

schrijver

Geschreven door Dora om 12:15 Reageer op dit bericht

half-maart

Een gedicht van W.L. Penning 1841-1924

Half-maart

Door klonter-sneeuw in bijna duister,
Na somb're dag zwoegt ge eenzaam voort;
In kolk of wolk, niets roert of ruist er;
Maar laag in 't West — zie schemerluister
Als rozetuin door avondpoort!

Daarheen, van 't nest op kille twijgen,
Rolt warm-vertrouwlijk meerlgefluit;
Als bloesem voelt ge een sneeuwvlok zijgen;
En hoor, om ons op streek te krijgen
Zond Lente al feestmuziek vooruit!

Levensavond (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:10 Reageer op dit bericht

plekje

Een gedicht van Cornelis ten Hoet 1796-1832

Aan mijn geboorte-plekje

Heilige geboortegrond,
Plekje, waar mijn wieg eens stond,
Waar ik 's levens teedre jeugd
Heb doorleefd in reine vreugd!

Wonderschoon, bekoorlijk oord,
Dat de zangen hebt gehoord,
Waar, verrukt of weemoedsvol,
Eens mijn jonge borst van zwol!

Berg- en dal- en bronrijk land,
Waar ik, aan der liefde hand,
’t Heil, zo lang door mij gezocht,
Zoet en volop smaken mocht!

O, steeds voel ik mij verrukt,
Als mijn voet uw heuvlen drukt,
Of door uw valleien treedt,
En mijn blik uw omkreits meet.

Maar onrustig jaagt mij ’t hart;
‘k Word beklemd van heimwee-smart,
Van verlangens boezempijn,
Als ik ver van u moet zijn.

Heilige geboortegrond!
Tot mijn laatste levensstond
Hang ik aan u, als een kind,
Dat zijn moeder teer bemint.

Citherklanken (1832)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:21 Reageer op dit bericht

blij zijn

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Zal ik nu blij zijn

Zal ik nu blij zijn, enkel om bloemen,
Enkel om bloemen en lenteblauw?
Zal ik vergeten, nu bijen zoemen,
Zal ik vergeten waarom ik rouw?

Zal ik nu dromen, enkel om rozen,
Enkel om rozen en zonneschijn?
Zal ik vergeten mijn hart bevrozen?
Zal ik vergeten mijn wondepijn?

Zal ik nu zingen, om blauwe seringen,
Enkel om bloemen en anders niet?
Zal ik nu zingen, wijl meerlen zingen,
Zal ik nu zingen een meielied?

De Gids (1907)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:07 Reageer op dit bericht

knotwilg

Een gedicht van Th. van Ameide

De knotwilg

Wie 's levens moker maar getroost laat beuken,
doch in zich 't beeld bewaart, dat eens hem blonk,
die voelt wel eindlijk in zijn oude tronk
een vastheid groeien, die geen lot kan deuken.

Al staat hij krom en armelijk ontwricht
ergens alleen, ver van de blanke vlieten,
door iedre nieuwe lent gedreven schieten
lenige twijgjes naar het heilig licht.

Gans uitgehold en meer dan half gekloofd,
verwint zijn taaie leven alle wonden:
zijn gulden bloesems geuren in het ronde,
een zilvren blarenkrans omstraalt zijn hoofd.

schrijver 

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

Een gedicht van René de Clerq 1877-1932

Ria spreekt:

Liefste, kom uit,
de harde stenen uit.
Voel mee de teerheid van het kruid.
Hoor, is 't de merel, die daar fluit?

Bloemen, bloemen!
Ze blinken blank en rood en geel.
Een zacht viooltje ontluikt de steel.
Laat staan, er zijn er nog niet veel.

Zie, de linde,
levend goud om 't oude brons.
Er is al groen, getjilp, gegons. -
Zie de linde: zij bloeit voor ons.

En de wolken!
Ze varen hoog, ze varen gauw,
een zuiv're sneeuw van zee en dauw.
Wolken en zon in 't frisse blauw.

Liefste, kom uit,
de harde stenen uit.
Elkander tegen door het kruid!
Is de aarde niet als ik: een bruid?

Nagelaten gedichten (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:25 Reageer op dit bericht

duister

Een gedicht van Hendrik Peeters 1825-1893

ZWART IS HET DUISTER

Zwart is het duister
Waarmee 't gewaad
Van 't middernachtuur
Onze aarde omslaat.

Hecht zich de ellende aan onze schreên,
Dan is het donker om ons heen.

Maar 't diepe duister
Van 's hemels trans
Geeft aan de sterren
Meer gloed en glans.

Wanneer de ellend' bij ons zich vest,
Dan kent men onze ziel het best.

Meibloesem (1847)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:07 Reageer op dit bericht

moederziel

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Moederziel alleen

Moederziel alleen ien 't huuske,
Leest ze bij 'et groote licht
(Kumt al gauw heur achtste kruuske,
Scharp, Goddank! blieft nog 't gezicht)
Leest ze ien 't Evangelieboek
Zonder bril nog even kloek.

Wâ ze leest? Ze leest de naomen
En de daotums, dag en jaor,
Van heur kienders, toen ze kwaomen,
Trouwden, stierven - allegaor;
Ook den daotum, naom en van
Van heur braoven zaolgen man.

Ielke naom deur haor gelezen
Brengt 'en leven veur den geest,
Dâ zoo dierbaor haor veurdezen
As heur leven is geweest;
Ielke daotum wekt ien 't hart
De ouwe moedervreugd en -smart.

En dan wordt ze diep bewogen:
Allen ziet ze veur zich staon,
Allen schouwt ze weer ien de oogen,
Allen sprêkt ze vriendlik aon. -
Starft ook alles um haor heen,
Een moeder-ziel is nooit alleen!

Kriekende Kriekseke (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:55 Reageer op dit bericht

jaarfeest

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Elianes jaarfeest

’t Gedicht
Uit plicht
Gelukt niet licht,
Maar hinkt aan ijzren boeien:
’t Heeft vier,
Noch zwier,
Noch bloei noch tier,
En kruipt in plaats van vloeien.

Maar brandt
De hand,
Die ’t speeltuig spant,
Van ’t innig boezemgloeien;
Geen toon
Zo schoon
Bij mens en Goôn,
Dan die het hart ontvloeien.

Voor mij,
Ik wij’
Mijn Poëzy
Geen dorre plichtbetoning:
Haar lied
Klinkt niet
Op vreemd gebied;
De Dichtluim kent geen Koning.

Doch kon
Een bron,
Die eens begon,
Steeds onuitputbaar springen,
Hoe blij
Zou zij
Op ’t Feestgetij
Van Eliane zingen!

Dan ach!
Ik mag
Die blijde dag
Met geen gezang begroeten:
De smart,
Die ’t hart
Te fel benart,
Maakt Zang- en Speelkunst voeten.

Daar ’t leed
Zo wreed
De borst doorsneed,
En tranen drongen uit de ogen,
Zou daar
’t Bezwaar
De zangrige aâr
Niet tevens op doen drogen?

De gloed
Van ’t bloed
In zilten vloed
Van staâg geween verdronken,
Is al
’t Geschal
Van Feest of Bal
Niet weer in staat te ontvonken.

Neen, zang
Waar dwang
En hartgeprang;
Doch waar voor zuivre wensen
Ons heil
Slechts veil
In ’t hoogste peil,
Dan maakte u dit mijn hart de zaligste aller mensen.

De Dichtwerken XIII (1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:26 Reageer op dit bericht

verscheiden

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

VERSCHEIDEN

Een aarzlend reiken
Naar de overzij,
Een angst, een wijken,
Een: neen niet míj,

Nog één gedachte,
Een snelle droom,
Over het zachte
Van bloem en boom,

Een laatst verlangen
Naar akkerland,
Hoe de appels hangen,
Het najaar brandt;

Dan het doorwaden,
Het nieuwe pad,
't In Licht zich baden,
De poort der stad…

Wat hij van de aarde
Als liefste buit
Voor zich bewaarde,
Hier spruit het uit.

De armen vol rozen
En gloeiend fruit,
Over dit blozen
Gesprenkeld kruid,

Bekranst de haren,
En warm de kin
Drukkend in de aren,
Zo treedt hij in.

Het Aardsche paradijs (1927) Sproken

schrijver

Geschreven door Dora om 16:47 Reageer op dit bericht

maart

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Maart

Nu gaat de felle koude
Al meer en meer voorbij
En komen wij al zachtjes
In ander jaargetij.

De zwarte spreeuwen komen
Terug naar 't oude nest,
En wandlen op de daken
En pruttlen al haar best.

Ook vangt weer 't moedig haantje
Met zijn schel kraaien aan,
Terwijl de lieve hennen
Druk aan het leggen gaan.

En legde er een haar eitje,
Dan is zij recht voldaan
En roept: Kijk, al weer eentje!
Is dat niet knap gedaan?

Maar Maart is ook een wilde gast,
Een windzak en een bulderbast;
Hij kan geweldig razen,
En 't is zijn allerhoogste pret,
Als hij gauw iemand hoed of pet
Zo maar van 't hoofd kan blazen.
Ook waar hij parapluutjes ziet,
Spaart hij die niet,
Maar keert - zo'n guit der guiten! -
Die, flap! het binnenst buiten,
Zodat het heertje daar op straat
Nu ook weer doodverlegen staat.

Daar klautert in zijn glimmend pak
Die zwarte man hoog op het dak,
Omdat geen enkel ziertje roet
Daar in de schoorsteen blijven moet;
En weet ge, wat de tuinman doet?
Hij is aan 't snoeien van de bomen,
Waaraan, is het eens zomertijd,
Dan zeker veel meer vruchten komen.

Het goede schaap heeft op het veld
Haar allereerste jong gekregen,
En de arme moeder staat verlegen,
Want 't sneeuwt en hagel met geweld,
En daar kan 't arme lam niet tegen.
Nu komt het meisje van de boer
En brengt aan de oude drank en voer,
En neemt haar mede naar de stal,
Waar 't lam ook veilig wezen zal.

De twaalf maanden van het jaar (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:46 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten