Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

[uit het zangdicht: Arnold.]

In het land van Utopeia
groent en blauwt ene eeuwige mei,
glanst ene eeuwige lentezonne,
zingt eene eeuwige vogelenrei,
blinken marmeren sloten tussen
myrtenwoud en waterkant,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

In het land van Utopeia
draagt elk herder vurige min
tot het puur etherisch wezen
ener vorstelijke engelin,
wier getrouwe wederminne
zedens tart en edelstand,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

Och het land van Utopeia!
Hoe gewillig het lief ook zij,
trilt haar luchtige volmaaktheid
des verliefde greep voorbij;
edoch hoe platonisch ook, hoe
feller zijne liefde brandt,
en het is een zalig land
't land van Utopeia.

Al de gedichten (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:53 Reageer op dit bericht

1 reactie op dit bericht

The Labeo's6 april 2013 om 19:12

Goede avond , Dorake. Mooi gedicht.

cimg0522o.jpg
Vandaag: Kira Corné - Hé Lekker Ding.
 Muzikale groetjes, xxx
The Labeo's

Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

ontevreden

Een gedicht van Gerrit van de Linde 1808-1858

Op iemand ontevreden

Zeg, wandelaar, zeg,
Je moet niet denken, dat ik voor mijn plezier hier leg.

Mengelpoezy - grafschriften

schrijver

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

gaven

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

De goede wijn is een der goede gaven

De goede wijn is een der goede gaven,
Waarmede God ons, armen, heeft bedeeld,
De goede dronk, waarmede wij ons laven,
Is hemels en een lust, die nooit verveelt.

Aldus verblijdt hij zich, die is genezen,
En thans de dingen weder juist ervaart,
De goede wijn bevrucht zijn ganse wezen,
Gelijk de regen drenkt de goede aard.

Najaarsvruchten (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:48 Reageer op dit bericht

leentje

Een gedicht van Willem Ockerse 1760-1826

Op de dood van Leentje

[een uur na hare geboorte, met hare moeder overleden]

Leentje, ontwaakt van ’t lange slapen,
Wierp een blikje om zich heen,
Zag, dat hier niets was te rapen
Dan ellende en droef geween.
Leentje sloot haar schuldloze ogen;
’t Sterven was voor haar gewin,
Ze is toen juichende gevlogen,
Moeder na, ten hemel in.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:39 Reageer op dit bericht

kruisiging

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

DE KRUISIGING

Kom mee, kom mee, daar is wat schoons te zien:
Daar wordt een man gekruist op Golgotha.

Multatuli..

===========================================

Een bende rukt ter bergkruin, de adelaren
van Romen aan de spits ; - daar rond en achter
een wild getier, gejoel, gejuich: want boven wacht er
zo'n heerlijk schouwspel! Voort! Als woeste baren

golft alles opwaarts. Midden in de scharen
strompelt een doodsbleek man, en zie: de wacht der
soldaten zweept hem voort, en ieder tracht er,
door 't volk heendringend, toch hem eens te ontwaren.

Recht aardig! En daarbij, betraande vrouwen
omringen hem; zijn moeder ook en teder
staart zij hem aan: - helaas ! geknoopte touwen

doorstriemen 't lichaam, maar nog eindloos wreder
dan 't wreed gefolter! Moeders blikken snijden
door 't stervend harte des gebenedijde.


1886

schrijver

Geschreven door Dora om 10:44 Reageer op dit bericht

maneschijn

Een gedicht van Margriet van Essen 1751-1793

Aan het venster, bij maneschijn.

Nacht en stil is 't, om mij heen
Al 't gewoel des daags verdween.
Slechts de lieve maan beschijnt
Mij, door zorgen afgepijnd.

Duizend tranen zijn gestort,
Duizend zorgen afgekort:
En, mij arme, die hier lij,
Is de middernacht zelf blij!

Zachtkens juich ik in mijn deel,
Mij is alles evenveel.
Niets van 't geen het oog bekoort
Is er, dat mijn ruste stoort.

Mag ik maar, vol zuiver vuur,
U, bewondren - o natuur!
Mag ik maar, ootmoedig stil,
Gaan, waar God mij leiden wil!

O wat wens ik mij dan meer?
'k Heb dan al wat ik begeer,
En, zo 'k ooit, door onspoed ween,
'k Zie dan, door dit leven heen.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:55 Reageer op dit bericht

rust

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Rust

Geen smijdig goud of elpenbeen,
Geen zuilbalk, verr' in 't West gesneên,
Bewelft mijn kamers en portalen.
Geen zijden val- of plooigordijn
Onttrekt mijn oog de zonneschijn
In slaapsalet of etenszalen.

'k Heb Hessens schatkist, met het bloed
Van menslijk slachtvee aangevoed,
Noch Fredriks spaarpot leeggeplonderd;
En voer in 't bonte koordlivrei
Geen vetgemeste Huurlakei
Wanneer mijn koets door 't Hofspui dondert.

Maar 'k heb, bij 't oefengraag verstand,
Mijn Dichterlijke luit ter hand,
En niet geheel onvruchtbare ader.
Zie daar mijn aanzien, schat en lust:
Zie daar de bloemhof van mijn rust,
Waar uit ik 's levens honing gader!

Met dit mijn sober deel te vreên,
Vermoei ik 't lot niet met gebeên
Om 't nutloos meer, 't bedrieglijk beter;
Maar dank die 't lastig arbeidszweet
En 't armoed-rillen enden deed
In 't matig van de thermometer.
Thans moog, dit enige is mijn beê,

Mijn golfje op de levenszee
In kalme zwelling strandwaart rollen!
En doe geen wissling meer van maan
Een stormend springgetij ontstaan,
Dat wind en baren help aan 't hollen!

Wat draagt men, hellende over 't graf,
Hier, hooggetopte duinen af,
Daar, bergen op in vlakke heiden,
Op dat het alomvattend oog
Langs 't eindloos zeeruim weiden moog,
En de avondzon te bed geleiden?

Uw zon, o stervling, daalt eerlang!
Reeds helt zij naar haar ondergang,
En de eeuwigheid gaat voor u open.
Wend, wend uwe ogen derwaart heen,
Bereid uw laatste legersteen,
In plaats van bergen op te hopen.

O zalig, wie des aardrijks schoot
't Herbergzaam bed der rust ontsloot
In uitzicht op volmaakter morgen!
Genadige Almacht, geef ons dit;
En, wie hier bedel' of bezitt',
Gij zult voor zijn behoefte zorgen.



's Gravenhage,



1806.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:36 Reageer op dit bericht

stemmen

Een gedicht van C.S. van Adama van Scheltema 1877-1924

Zingende stemmen

Zachte stemmen zingen door het leven,
Stromend over aller harten grond,
Doch de dromen die zij ruisend weven,
Doch de beelden die zij wekken, zweven
Zelden omhoog uit een zingende mond.

In de onverzadelijke vlagen
Van het leven gaat hun lied te loor,
En bezij de paden, waar wij jagen,
Naar de bodem onzer luide dagen,
Neigt maar zelden een aandachtig oor.

Maar op 's harten grond murmlen de beken,
Waar een ongeweten licht in speelt,
Waar de stemmen van dit leven breken,
Doch waar nieuwgeboren stemmen spreken
Rondom menig stil verzonken beeld.

En de beken aller harten glijden
Samen tot één fonkelende stroom,
Stroom van schoonheid onder 's levens lijden,
Aller stemmen dragend naar dien wijde
Zee-gelijke en oneindige droom.

Luisterend, met donker zachte ogen,
Staan wie dichters heten aan die vliet:
Dromend over menig beeld gebogen,
Zingen zij, als 't ruisend riet bewogen...
Zingen zij uw vliedend levenslied:

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

vreemdeling

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De vreemdeling

Laat mij alleen.
dit is de tweesprong onzer wegen.
gij hebt mij tot de verste rand geleid.

maar keer hier om, ween niet.
gij kunt de laatste tocht naast mij niet schrijden,
noch ik met u, gij gaat hem eens alleen.

gij zijt mij nochtans onverdeeld verpand:
ik heb uw bloed de donkre kus gegeven
van hen, die boven dood en leven
ontstegen zijn. ik ben hun afgezant.

ik beid uw komst.

wij zullen eens de zwarten wijn
van dood en donker uit één beker drinken,
wij zullen stromend in elkaar verzinken
en eeuwig zijn.

vaarwel.
ik keer niet weer.
maar gij komt zelve, later.
vaarwel. het water
roept voor de derde keer.

Gedichten (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:54 Reageer op dit bericht

leergierig

Een gedicht van Contantijn Huygens 1596-1687

Leergierig

Jan, was ik toch als boek geboren, zei Katrijn,
zo kon je dag en nacht met mij bezig zijn
als met je boeken nu. Wel, zei Jan, en lachte,
ik dank je voor je vondst, je hebt zeer goê gedachten:
een boek was naar mijn zin, als ík maar kiezen zou
wélk boek het wezen mocht. Welk boek dan? zei de vrouw.
Een almanak, sprak Jan, die zou mij 't liefste wezen,
dan had ik ieder jaar een nieuw boek om te lezen.

Sneldichten

schrijver

Geschreven door Dora om 13:15 Reageer op dit bericht

mist

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

MIST

Zie nu 't vorm-slorpend grijs fantoom van mist
Zich vlijend om 't gebied van stad en land;
De lichten schijnen met een matte brand,
Gehuld in damp'ge waâ van amethyst.

't Lijkt àl verwazigd wat ik helder wist
Gezien door dof-beslagen, glazen wand,
Waarboven zich de grauwe hemel spant,
In nevelzee, half zichtbaar, half gegist.

Het maanlicht worstelt om met flauw geglim
Te dringen door het klamme grijze rag,
Dat om het aard-gelaat zweeft als een schim.

Want wind-stil weegt de kalmte van de dag,
Geboren uit de tranen van de kim,
Nog neder op de nacht met vreemd gezag.

Tonen en Tinten

schrijver

Geschreven door Dora om 13:36 Reageer op dit bericht

geloven

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Geloven

Wanneer ik nu in de oude bladen lees
En zie het wonder beeld-werk van die tijden,
Die nog voor 't heil-begerig oog belijden
Een geloven, dat hoog boven werelds vrees

En hel en dood en wat het meeste dees
Tijden onteert : kil onverschillig lijden
Van weedom, hief tot 't hoogste heil verbeiden,
Des dervend nu doolt menig hart als wees;

Dan voel ik in wie nu dichtste bij mij woont
Al schijnt ook de aard van heiligheid verlaten
En 't schoonst verjaagd door ongeloof verwaten,

Dat toch de God, die in het diepst hart woont,
Nog niet verscheidde en licht me in ziele-pracht
Een eenzaam wacht-vuur, rondom donkre nacht.

Proza en poëzie (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

de laster

Een gedicht van Lieuwe Schipper 1808-1870

DE LASTER

Hoe de laster smaal',
En door vuige taal,
Deugd haar kroon bezwalke, -
't Schendend lipvenijn,
Schoon het de aard' verschalke,
God verblindt geen schijn!

Zie, de nevel zwicht,
Voor het zonnelicht,
Dat de waarheid bloot leit;
En de pest der aard',
Staat, in al zijn snoodheid,
Naakt geopenbaard.

Wat zijn helse tocht,
Gruwlijks samenwrocht,
Tot zijn naastens smarte, -
't Plet zijn eigen kop -
God doorzag zijn harte,
En stond wrekend op!

De Liereman (1844)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

maantje

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1875

Het maantje

De maan loopt door de wolken,
Zo zachtjes en zo snel;
De kindren komen buiten,
« 0, knaapje, ziet ge 't wel? »

Toen stak het kleine knaapje
Naar haar zijn armkens uit,
En wou het maantje hebben,
En weende en schreide luid.

lk kan het u niet geven :
0, zo ge later, kind,
Ook 't levensheil woudt hebben,
Dat men op aard niet vindt,

Denk dan aan 't zilvren maantje,
Dat door de wolken loopt,
En dat hij veel moet lijden,
Die op 't onmooglijk hoopt.

Gedichten (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

blindgeboren

Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647

Sonnet - Wanneer door 's werelds licht de blindgeboren jongen

Wanneer door 's werelds Licht de blindgeboren jongen
Gezicht verkreeg, hij stond verwonderd en bedeesd.
Beweging, verwe, stal van plant, van mens, van beest,
Verbluften zijn gedacht' en liefelijk besprongen.

Voorts sloten, torens, schier ten hemel hoog gesprongen,
Het tijd-verdrijf van 's mensen onderwind-al-geest;
Maar de zienlijke god, de schone zonne, meest.
Zijn tonge zweeg, 't gemoed dat riep om duizend tongen.

Even aleens, mijn licht, wanneer gij mij verschijnt
En dat mijn ziel ontdekt uw ziels sieraden vijndt,
Die 't oge mijns gemoeds, dat t' haarwaarts strekt, ontmoeten

Zo zwelt mijn hart van vreugd en van verwondring diep
En danke jegens u en jegens die u schiep,
Totdat het berst en valt gebroken voor uw voeten.

-----------------------------------
uit: Liederen en gedichten
-----------------------------------
's werelds Licht - Christus
bedeesd - verbijsterd
schier ten hemel hoog gesprongen - bijna tot de hemel reikend
onderwind-al-geest - het alles ondernemende verstand
ontdekt uw ziels sieraden vijndt - de schoonheid van uw ziel vindt blootliggen

schrijver

Geschreven door Dora om 11:10 Reageer op dit bericht

doodsangst

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Doodsangst

Niet in de winter, wanneer dagen duister
Als nachten zijn, wier zwaarte mij verdrukt,
Maar in de zomer, als de bloei, de luister
Van dag en nacht, het bevend hart verrukt.

Niet in de winter als deuren en ruiten
Kreunen bij 't woedend waaien van de wind
Maar in de zomer, als vogels hoog fluiten
De dag laat eindigt en weer vroeg begint,

Vrees ik de Dood, haat ik hem machteloos,
Ik heb het leven zó lief en het gaat
Buiten mijn macht genaadloos naar één eind.

O, Vriend, lach niet meer. Maar een korte poos
Eer de wrede Dood ons beiden verslaat
En onze Vriendschap in het niet verdwijnt.

Liederen (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

bruisend

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Bruisend zwalpt

Bruisend zwalpt me over 't hoofd ene zee;
Wervelwind warrelt woest, rukt me mee...
En de sterren verzwinden, verslinden elkander.
Gans in gloed staat 't heelal,
Doodsgebrul, angstgeschal,
Klinkt overal!
De zon alleen, die hemelsalamander
Vonkelt tevreên op mijn vreeslijke val.

Uilgekras, slanggesis mij begroet,
't Spuwt naar mij, al wat kruipt, al wat wroet:
En de nietige mensen verwensen mijn pogen.
Brak ik stout slavernij
'Sla hem dood!' - roepen zij,
'Doof 't medelij!'
Het graf alleen, die moeder helser logen,
Opent de boezem en hunkert naar mij.

Vrouwentroost, kindermin vind ik niet,
Ach! mijn val baart hun zelfs geen verdriet...
En mijn aaklige blikken verschrikken hen zeker.
Gij, door min mij gejond,
Kom tot mij, 'k ben gewond!
Maak mij gezond...
De liefde zelf, die zoete balsembeker,
Vlucht en verloochent de stervende hond.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:22 Reageer op dit bericht

mijnwerkers

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Mijnwerkers

Zij dalen zwijgend in de don'kre grond,
Met bleke lippen en verflensende ogen,
Vervloekend de hardvochtig-valse logen,
Die hen tot nacht doemt, als de morgenstond
Met nieuwe glansen rijst, en schitt'rend-bont,
Van zuiv're zonneschoonheid overtogen,
Het land lacht in het licht, en uit den hoge
Een zoele vrede nederzijgt in 't rond.

Dan zinken zij in zwarte, kille mijnen,
Gebogen in hun jeugd, half-wezenloos,
Gedwee hun beurt verbeidend bij de schacht.

En bukkend moeten ze in de grond verkwijnen,
In muffe damp — daarboven bloeit de roos! —
Gevaren duldend in hun somb're nacht.

Tonen en tinten (1900)

Illustratie: Mijnwerker door Jan Toorop (1858-1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:12 Reageer op dit bericht

bui

Een gedicht van Anthony Winkler Prins 1817-1908

Bui

Grimmig snellen rondgerolde wolken,
Eindeloos grote kluwens, aan door 't blauw.
Doodse stilte! Toch, ze naadren gauw,
Scherp weerspiegeld in de molenkolken.

Schelle fonkling van miljoenen dolken;
Dan de donder; en, van regen lauw,
Schudt de wind de hechte molenbouw,
Loeit het rund, dat wegvlucht, ongemolken.

Zuiver, als geslepen edelstenen
In een rand van donker goud gevat,
Spiedt de klaproos door de halmen henen,

Glanst de koornbloem helder na het bad;
En het paard, met glimmend stijve benen,
Scheert de klaver, koel en druipend nat.

Sonnetten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:31 Reageer op dit bericht

avondgeluiden

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

AVONDGELUIDEN

Er moeten witte hoeven achter de zoom staan
van de blauwe velden langs de maan
's avonds hoort gij aan de verre steenwegen
paardenhoeven
dan hoort gij alles stille waan
van verre maanfonteinen zijpelt plots water
- gij hoort plots het zijpelen
van avondlik water -
de paarden drinken haastig
en hinniken
dan hoort men weer hun draven stalwaarts

schrijver

Geschreven door Dora om 12:15 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten