ontevreden

Op iemand ontevreden
Zeg, wandelaar, zeg,
Je moet niet denken, dat ik voor mijn plezier hier leg.
Mengelpoezy - grafschriften

ontevreden
Zeg, wandelaar, zeg,
Je moet niet denken, dat ik voor mijn plezier hier leg.
Mengelpoezy - grafschriften

gaven
De goede wijn is een der goede gaven,
Waarmede God ons, armen, heeft bedeeld,
De goede dronk, waarmede wij ons laven,
Is hemels en een lust, die nooit verveelt.
Aldus verblijdt hij zich, die is genezen,
En thans de dingen weder juist ervaart,
De goede wijn bevrucht zijn ganse wezen,
Gelijk de regen drenkt de goede aard.
Najaarsvruchten (1936)

leentje
[een uur na hare geboorte, met hare moeder overleden]
Leentje, ontwaakt van ’t lange slapen,
Wierp een blikje om zich heen,
Zag, dat hier niets was te rapen
Dan ellende en droef geween.
Leentje sloot haar schuldloze ogen;
’t Sterven was voor haar gewin,
Ze is toen juichende gevlogen,
Moeder na, ten hemel in.

kruisiging
Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920
Kom mee, kom mee, daar is wat schoons te zien:
Daar wordt een man gekruist op Golgotha.
Multatuli..
===========================================
Een bende rukt ter bergkruin, de adelaren
van Romen aan de spits ; - daar rond en achter
een wild getier, gejoel, gejuich: want boven wacht er
zo'n heerlijk schouwspel! Voort! Als woeste baren
golft alles opwaarts. Midden in de scharen
strompelt een doodsbleek man, en zie: de wacht der
soldaten zweept hem voort, en ieder tracht er,
door 't volk heendringend, toch hem eens te ontwaren.
Recht aardig! En daarbij, betraande vrouwen
omringen hem; zijn moeder ook en teder
staart zij hem aan: - helaas ! geknoopte touwen
doorstriemen 't lichaam, maar nog eindloos wreder
dan 't wreed gefolter! Moeders blikken snijden
door 't stervend harte des gebenedijde.
1886

maneschijn
Nacht en stil is 't, om mij heen
Al 't gewoel des daags verdween.
Slechts de lieve maan beschijnt
Mij, door zorgen afgepijnd.
Duizend tranen zijn gestort,
Duizend zorgen afgekort:
En, mij arme, die hier lij,
Is de middernacht zelf blij!
Zachtkens juich ik in mijn deel,
Mij is alles evenveel.
Niets van 't geen het oog bekoort
Is er, dat mijn ruste stoort.
Mag ik maar, vol zuiver vuur,
U, bewondren - o natuur!
Mag ik maar, ootmoedig stil,
Gaan, waar God mij leiden wil!
O wat wens ik mij dan meer?
'k Heb dan al wat ik begeer,
En, zo 'k ooit, door onspoed ween,
'k Zie dan, door dit leven heen.

rust
Geen smijdig goud of elpenbeen,
Geen zuilbalk, verr' in 't West gesneên,
Bewelft mijn kamers en portalen.
Geen zijden val- of plooigordijn
Onttrekt mijn oog de zonneschijn
In slaapsalet of etenszalen.
'k Heb Hessens schatkist, met het bloed
Van menslijk slachtvee aangevoed,
Noch Fredriks spaarpot leeggeplonderd;
En voer in 't bonte koordlivrei
Geen vetgemeste Huurlakei
Wanneer mijn koets door 't Hofspui dondert.
Maar 'k heb, bij 't oefengraag verstand,
Mijn Dichterlijke luit ter hand,
En niet geheel onvruchtbare ader.
Zie daar mijn aanzien, schat en lust:
Zie daar de bloemhof van mijn rust,
Waar uit ik 's levens honing gader!
Met dit mijn sober deel te vreên,
Vermoei ik 't lot niet met gebeên
Om 't nutloos meer, 't bedrieglijk beter;
Maar dank die 't lastig arbeidszweet
En 't armoed-rillen enden deed
In 't matig van de thermometer.
Thans moog, dit enige is mijn beê,
Mijn golfje op de levenszee
In kalme zwelling strandwaart rollen!
En doe geen wissling meer van maan
Een stormend springgetij ontstaan,
Dat wind en baren help aan 't hollen!
Wat draagt men, hellende over 't graf,
Hier, hooggetopte duinen af,
Daar, bergen op in vlakke heiden,
Op dat het alomvattend oog
Langs 't eindloos zeeruim weiden moog,
En de avondzon te bed geleiden?
Uw zon, o stervling, daalt eerlang!
Reeds helt zij naar haar ondergang,
En de eeuwigheid gaat voor u open.
Wend, wend uwe ogen derwaart heen,
Bereid uw laatste legersteen,
In plaats van bergen op te hopen.
O zalig, wie des aardrijks schoot
't Herbergzaam bed der rust ontsloot
In uitzicht op volmaakter morgen!
Genadige Almacht, geef ons dit;
En, wie hier bedel' of bezitt',
Gij zult voor zijn behoefte zorgen.
's Gravenhage,
1806.

stemmen
Zachte stemmen zingen door het leven,
Stromend over aller harten grond,
Doch de dromen die zij ruisend weven,
Doch de beelden die zij wekken, zweven
Zelden omhoog uit een zingende mond.
In de onverzadelijke vlagen
Van het leven gaat hun lied te loor,
En bezij de paden, waar wij jagen,
Naar de bodem onzer luide dagen,
Neigt maar zelden een aandachtig oor.
Maar op 's harten grond murmlen de beken,
Waar een ongeweten licht in speelt,
Waar de stemmen van dit leven breken,
Doch waar nieuwgeboren stemmen spreken
Rondom menig stil verzonken beeld.
En de beken aller harten glijden
Samen tot één fonkelende stroom,
Stroom van schoonheid onder 's levens lijden,
Aller stemmen dragend naar dien wijde
Zee-gelijke en oneindige droom.
Luisterend, met donker zachte ogen,
Staan wie dichters heten aan die vliet:
Dromend over menig beeld gebogen,
Zingen zij, als 't ruisend riet bewogen...
Zingen zij uw vliedend levenslied:
Zingende stemmen (1914)

vreemdeling
Laat mij alleen.
dit is de tweesprong onzer wegen.
gij hebt mij tot de verste rand geleid.
maar keer hier om, ween niet.
gij kunt de laatste tocht naast mij niet schrijden,
noch ik met u, gij gaat hem eens alleen.
gij zijt mij nochtans onverdeeld verpand:
ik heb uw bloed de donkre kus gegeven
van hen, die boven dood en leven
ontstegen zijn. ik ben hun afgezant.
ik beid uw komst.
wij zullen eens de zwarten wijn
van dood en donker uit één beker drinken,
wij zullen stromend in elkaar verzinken
en eeuwig zijn.
vaarwel.
ik keer niet weer.
maar gij komt zelve, later.
vaarwel. het water
roept voor de derde keer.
Gedichten (1941)

leergierig
Jan, was ik toch als boek geboren, zei Katrijn,
zo kon je dag en nacht met mij bezig zijn
als met je boeken nu. Wel, zei Jan, en lachte,
ik dank je voor je vondst, je hebt zeer goê gedachten:
een boek was naar mijn zin, als ík maar kiezen zou
wélk boek het wezen mocht. Welk boek dan? zei de vrouw.
Een almanak, sprak Jan, die zou mij 't liefste wezen,
dan had ik ieder jaar een nieuw boek om te lezen.
Sneldichten

mist
Zie nu 't vorm-slorpend grijs fantoom van mist
Zich vlijend om 't gebied van stad en land;
De lichten schijnen met een matte brand,
Gehuld in damp'ge waâ van amethyst.
't Lijkt àl verwazigd wat ik helder wist
Gezien door dof-beslagen, glazen wand,
Waarboven zich de grauwe hemel spant,
In nevelzee, half zichtbaar, half gegist.
Het maanlicht worstelt om met flauw geglim
Te dringen door het klamme grijze rag,
Dat om het aard-gelaat zweeft als een schim.
Want wind-stil weegt de kalmte van de dag,
Geboren uit de tranen van de kim,
Nog neder op de nacht met vreemd gezag.
Tonen en Tinten

geloven
Wanneer ik nu in de oude bladen lees
En zie het wonder beeld-werk van die tijden,
Die nog voor 't heil-begerig oog belijden
Een geloven, dat hoog boven werelds vrees
En hel en dood en wat het meeste dees
Tijden onteert : kil onverschillig lijden
Van weedom, hief tot 't hoogste heil verbeiden,
Des dervend nu doolt menig hart als wees;
Dan voel ik in wie nu dichtste bij mij woont
Al schijnt ook de aard van heiligheid verlaten
En 't schoonst verjaagd door ongeloof verwaten,
Dat toch de God, die in het diepst hart woont,
Nog niet verscheidde en licht me in ziele-pracht
Een eenzaam wacht-vuur, rondom donkre nacht.
Proza en poëzie (1936)

de laster
Een gedicht van Lieuwe Schipper 1808-1870
Hoe de laster smaal',
En door vuige taal,
Deugd haar kroon bezwalke, -
't Schendend lipvenijn,
Schoon het de aard' verschalke,
God verblindt geen schijn!
Zie, de nevel zwicht,
Voor het zonnelicht,
Dat de waarheid bloot leit;
En de pest der aard',
Staat, in al zijn snoodheid,
Naakt geopenbaard.
Wat zijn helse tocht,
Gruwlijks samenwrocht,
Tot zijn naastens smarte, -
't Plet zijn eigen kop -
God doorzag zijn harte,
En stond wrekend op!
De Liereman (1844)

maantje
De maan loopt door de wolken,
Zo zachtjes en zo snel;
De kindren komen buiten,
« 0, knaapje, ziet ge 't wel? »
Toen stak het kleine knaapje
Naar haar zijn armkens uit,
En wou het maantje hebben,
En weende en schreide luid.
lk kan het u niet geven :
0, zo ge later, kind,
Ook 't levensheil woudt hebben,
Dat men op aard niet vindt,
Denk dan aan 't zilvren maantje,
Dat door de wolken loopt,
En dat hij veel moet lijden,
Die op 't onmooglijk hoopt.
Gedichten (1887)

blindgeboren
Wanneer door 's werelds Licht de blindgeboren jongen
Gezicht verkreeg, hij stond verwonderd en bedeesd.
Beweging, verwe, stal van plant, van mens, van beest,
Verbluften zijn gedacht' en liefelijk besprongen.
Voorts sloten, torens, schier ten hemel hoog gesprongen,
Het tijd-verdrijf van 's mensen onderwind-al-geest;
Maar de zienlijke god, de schone zonne, meest.
Zijn tonge zweeg, 't gemoed dat riep om duizend tongen.
Even aleens, mijn licht, wanneer gij mij verschijnt
En dat mijn ziel ontdekt uw ziels sieraden vijndt,
Die 't oge mijns gemoeds, dat t' haarwaarts strekt, ontmoeten
Zo zwelt mijn hart van vreugd en van verwondring diep
En danke jegens u en jegens die u schiep,
Totdat het berst en valt gebroken voor uw voeten.
-----------------------------------
uit: Liederen en gedichten
-----------------------------------
's werelds Licht - Christus
bedeesd - verbijsterd
schier ten hemel hoog gesprongen - bijna tot de hemel reikend
onderwind-al-geest - het alles ondernemende verstand
ontdekt uw ziels sieraden vijndt - de schoonheid van uw ziel vindt blootliggen

doodsangst
Niet in de winter, wanneer dagen duister
Als nachten zijn, wier zwaarte mij verdrukt,
Maar in de zomer, als de bloei, de luister
Van dag en nacht, het bevend hart verrukt.
Niet in de winter als deuren en ruiten
Kreunen bij 't woedend waaien van de wind
Maar in de zomer, als vogels hoog fluiten
De dag laat eindigt en weer vroeg begint,
Vrees ik de Dood, haat ik hem machteloos,
Ik heb het leven zó lief en het gaat
Buiten mijn macht genaadloos naar één eind.
O, Vriend, lach niet meer. Maar een korte poos
Eer de wrede Dood ons beiden verslaat
En onze Vriendschap in het niet verdwijnt.
Liederen (1917)

bruisend
Bruisend zwalpt me over 't hoofd ene zee;
Wervelwind warrelt woest, rukt me mee...
En de sterren verzwinden, verslinden elkander.
Gans in gloed staat 't heelal,
Doodsgebrul, angstgeschal,
Klinkt overal!
De zon alleen, die hemelsalamander
Vonkelt tevreên op mijn vreeslijke val.
Uilgekras, slanggesis mij begroet,
't Spuwt naar mij, al wat kruipt, al wat wroet:
En de nietige mensen verwensen mijn pogen.
Brak ik stout slavernij
'Sla hem dood!' - roepen zij,
'Doof 't medelij!'
Het graf alleen, die moeder helser logen,
Opent de boezem en hunkert naar mij.
Vrouwentroost, kindermin vind ik niet,
Ach! mijn val baart hun zelfs geen verdriet...
En mijn aaklige blikken verschrikken hen zeker.
Gij, door min mij gejond,
Kom tot mij, 'k ben gewond!
Maak mij gezond...
De liefde zelf, die zoete balsembeker,
Vlucht en verloochent de stervende hond.

mijnwerkers
Een gedicht van Edward Koster 1861-1937
Zij dalen zwijgend in de don'kre grond,
Met bleke lippen en verflensende ogen,
Vervloekend de hardvochtig-valse logen,
Die hen tot nacht doemt, als de morgenstond
Met nieuwe glansen rijst, en schitt'rend-bont,
Van zuiv're zonneschoonheid overtogen,
Het land lacht in het licht, en uit den hoge
Een zoele vrede nederzijgt in 't rond.
Dan zinken zij in zwarte, kille mijnen,
Gebogen in hun jeugd, half-wezenloos,
Gedwee hun beurt verbeidend bij de schacht.
En bukkend moeten ze in de grond verkwijnen,
In muffe damp — daarboven bloeit de roos! —
Gevaren duldend in hun somb're nacht.
Tonen en tinten (1900)
Illustratie: Mijnwerker door Jan Toorop (1858-1928)

bui
Een gedicht van Anthony Winkler Prins 1817-1908
Grimmig snellen rondgerolde wolken,
Eindeloos grote kluwens, aan door 't blauw.
Doodse stilte! Toch, ze naadren gauw,
Scherp weerspiegeld in de molenkolken.
Schelle fonkling van miljoenen dolken;
Dan de donder; en, van regen lauw,
Schudt de wind de hechte molenbouw,
Loeit het rund, dat wegvlucht, ongemolken.
Zuiver, als geslepen edelstenen
In een rand van donker goud gevat,
Spiedt de klaproos door de halmen henen,
Glanst de koornbloem helder na het bad;
En het paard, met glimmend stijve benen,
Scheert de klaver, koel en druipend nat.
Sonnetten (1885)

avondgeluiden
Er moeten witte hoeven achter de zoom staan
van de blauwe velden langs de maan
's avonds hoort gij aan de verre steenwegen
paardenhoeven
dan hoort gij alles stille waan
van verre maanfonteinen zijpelt plots water
- gij hoort plots het zijpelen
van avondlik water -
de paarden drinken haastig
en hinniken
dan hoort men weer hun draven stalwaarts

half-maart
Door klonter-sneeuw in bijna duister,
Na somb're dag zwoegt ge eenzaam voort;
In kolk of wolk, niets roert of ruist er;
Maar laag in 't West — zie schemerluister
Als rozetuin door avondpoort!
Daarheen, van 't nest op kille twijgen,
Rolt warm-vertrouwlijk meerlgefluit;
Als bloesem voelt ge een sneeuwvlok zijgen;
En hoor, om ons op streek te krijgen
Zond Lente al feestmuziek vooruit!
Levensavond (1921)
