Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Mijn dag en was niet oud genoeg


Mijn dag en was niet oud genoeg,
mijn hart en was niet koud genoeg,
dat zwaar de vlijme twijfel-ploeg
mijn vree niet breke ...
Zo schijn 'k (misschien der vreugd bestemd)
een vrouw, die, vreemder angst beklemd,
oneindig naait haar doden-hemd
steke bij steke.

En 'k naai mijn eigen weifel-kleed,
zorgvuldig zo't mijn vrezen sneed,
volhardend: tot gelaten leed
ten zoom gerake,
of achterwarend-zoet gelaat
bij onbegrepen dageraad,
met onverwacht en blij gewaad
de Liefde nake

De Boom-gaard der Vogelen en der Vruchten (1903 - 1905))

schrijver

Geschreven door Dora om 12:02 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

lentezang

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

Lentezang

Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
Geen blinkende kluister,
Die 't beekje meer knelt;
Het stormen is over;
De buien zijn heen;
Wat ritselt in 't lover,
Is zefir alleen.

Vol bloeisel van boven,
Vol bloemen omlaag,
Staan velden, en hoven,
En telgen, en haag!
De Vrolijkheid dartelt,
In klaverrijk Gras;
Zij wemelt, zij spartelt,
In vlieten en plas.

De wouden herhalen
Hun feestelijk lied:
Ook zwijgt, in de dalen,
De Leeuwerik niet.
Van Echo vervangen,
Bij 't rijzen der maan,
Heft GIJ nog uw zangen,
O Nachtegaal, aan!

Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
Geen blinkende kluister,
Die 't beekje meer knelt!
Ontvlucht nu de steden,
Wie vreugde begeert!
Ontvlucht ze nog heden -
De Lente regeert!

schrijver

Geschreven door Dora om 16:28 Reageer op dit bericht

moedeloosheid

Een gedicht van Virginia Loveling 1834-1875

Moedeloosheid

Als men vermoeid en levensmoede,
Voorbij een eenzaam kerkhof gaat,
Waar soms een zandig terpje oprijst,
En hier en daar een kruisje staat,
Dan haakt het hart in stom verlangen,
Na zoveel lijden doorgestreefd,
Om ook te rusten onder de aarde,
Bij hen, die men vergeten heeft.

Als men mij daar heeft heengedragen,
En u het zondagklokje wekt,
En gij door 't huivrig morgenscheemren,
Mistroostig naar het kerkje trekt,
Dan zult gij op die deken staren,
Zo groen en vochtig uitgebreid :
De dood is beter dan het leven,
En zacht de slaap der eeuwigheid!

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:43 Reageer op dit bericht

kom

Een gedicht van J.J.Stoppelaar 1884-1945

Kom laat ons gaan

Kom, laat ons saam de weg op gaan.
Ik weet een bergbeek en een brug,
Daar vindt het hart zich weer terug.
Men kan er uren blijven staan,
Want niemand zal ons vragen doen.
Daar op de donkere terrassen
Groeit jonge rijst in zilveren plassen,
De wereld is er jong, en groen.
De bergen zijn er donker blauw,
Zo hooggestapeld in hun bouw.
Zie, aan hun voeten uitgespreid
Liggen de velden neergevleid.
Hier is het dat men weder wéét,
Al wat men in de dag vergeet.
Kom laat ons saam dien kant op gaan
En wachten op de jonge maan.

Het verlost verlangen (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:24 Reageer op dit bericht

doller

Een gedicht van W.L.Penning 1841-1924

Doller dan ooit is 't losgebroken

Doller dan ooit is 't losgebroken
En mensen worden wilde beesten;
Hels viert het kwaad zijn gloriefeesten –
Tot de overmacht heeft rechtgesproken,
Of nieuwe vecht-stof uitgezaaid:
Vergif in de' oogst dien 't erfkroost maait.

Aan 't schaakbord peinzen de ingewijden;
En elke zet, na bede om Zegen,
Stormt zwaar 't onmondig mensdom tegen –
Dat, honds gehoorzaam wie 't doet lijden,
In gruwzaam onderlingen strijd
Zijn God vraagt hoe 't zich ooit bevrijdt?

De wereld, zat van 't weerszijds beulen,
Vloekte al wat oorlog stookte in 't duister,
Uit klauwen keert ze in kooi en kluister;
Slaafs – waar haar meesters weer gaan heulen,
Trouwloos op nieuwen krijg bedacht –
Verkropt zij 't wee, en Heerszucht lacht.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

men

Een gedicht van Hadewijch 1225-1275

Men moet in allen tide

Men moet in allen tide
Der minnen wesen blide
Ende hare volghen in elke side,
In allen weghen daer si gheleidt;
Men moet hare leven blide
Ende den rouwe dan also na ghereidt.


(Men moet ten allen tijde
blij zijn om de liefde
en haar overal volgen,
langs alle wegen waarop ze voorgaat;
men moet om haar blij zijn
en dan even bereid te lijden.)

Strofische gedichten (13de eeuw) fragment

schrijver

Geschreven door Dora om 13:33 1 reactie Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Mijn hart is dood...

Mijn hart is dood! – Wie zal het begraven?
Wie zal het kisten? – Mijn hart is dood!
Vaak schroeide ‘t van dorst, en géen kwam ‘t laven;
de honger verteerde ‘t, geen schafte brood…
Mijn hart is dood! Wie zal het begraven?
Wie zal het kisten? – Mijn hart is dood.

Mijn hart is dood… ! Men legge ‘t te rusten,
te rusten in ‘t eerste, beste graf.
Kom ál nu, mijn liefden, mijn jonge lusten,
kom allen nu nader en leg het af..
Mijn hart is dood… ! Men legge ‘t te rusten,
te rusten in ‘t eerste, beste graf!

Mijn hart is dood… Kom allen nu samen,
mijn jonge liefden, een laatste keer.
En noem het éens nog met de oude namen,
en koos en vertroetel het als weleer…
Mijn hart is dood… Kom allen nu samen,
mijn jonge liefden, een laatste keer.

Van alle de oudste, Gij, bruine blonde,
Gij eerste liefde en de reinste mee,
sluit Gij, zacht zoenend, zijn brede wonde,
zoen weg al ‘t kwaad, dat het éens U dee,
van alle de eerste, Gij, bruine blonde,
mijn oudste liefde en de beste mee.

Gij, donkre Fee, met uw zeediepe ogen,
Gij liefde van vuur met uw kussen van vlam,
raap Gij het lijk op, uit mededogen,
draag Gij het mede als een arm dood lam,
Gij, donkre Fee, met uw zeediepe ogen,
Gij liefde van vuur met uw kussen van vlam.

En Gij, o slanke, Gij, ranke, blanke,
Gij schoonste en zoetste, die ‘t heeft bemind,
leg Gij het te slapen,- o ‘k dank U, danke!-
leg Gij het slapen gelijk een kind….
o Gij, mijn slanke, mijn ranke, blanke,
leg Gij het slapen gelijk een kkind.

Dek Gij het toe met cypressentwijgen
en strooi heel zachtjes er aarde op neer,
en keer dan huiswaarts met plechtig zwijgen,
vergeet zijn graf, en keer nimmer weer….
Dek Gij het toe met cypressentwijgen,
en strooi, voor eeuwig, er aarde op neer.

Claribella (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:31 Reageer op dit bericht

vogel

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Gelijk een vogel

Gelijk een vogel moede nederstrijkt
Op 't nestje in loovren veilig weggeborgen,
En 't kopje slapend buigt totdat de morgen
Blij uit haar lichte wolkwaranden kijkt,

En zachtjes zegt: ‘mijn hele hemel prijkt
Alreê met rozen van mijn liefde en zorgen...’
En 't is hem wèl dat nacht is opgeborgen -
Hij rept de vleuglen al, zijn moeheid wijkt! -

Zo strijk ik telkens, Liefste, moede neder
Op 't nestje van uw liefde, tussen lover
Van fijne huislijkheid, en als ge u over

Mij neigt na rust, ontwaakt mijn ziel of teder
Haar wekte morgenglans tot Dag van Zegen -
Zij stijgt in 't licht het Licht der Liefde tegen

Serena (1898)

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

bloemen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

BLOEMEN-TENTOONSTELLING IN DE HAARLEMMERHOUT.

Wat tronen opgericht — en geen vorstinnen!
Hoe heffen zwarte stammen 't dak omhoog
Van baldakijn of luchten glorie-boog,
Hoe wijken hier bossaadjen tot beminnen

Verlokkend, zoden om de dans te ontginnen
Van reien, daar zich licht-gewiekt bewoog
De voet, die droeg de schoonste bloem omhoog:
Gestalte, onwis zijn 't vrouwen of godinnen?

Geef, vorsten, macht mij dat ik hier ze stuwe,
De stoeten, volgend mijner ritmen dwang -
Wat god zou dans en 't dansend zingen vieren?

Of volken, zo nu heerschappij werd uwe
Begift'ging, stuur naar hier der driften drang
Dat hier mijn maat haar rustloos stormen stiere.

April 1910.

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

Hoe?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met neusje fijn en oortjes fijn
en zachte haartjes als satijn?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met oogjes blauw als morgendauw
En rode lipjes als karmijn?

Hoe zal het blonde kindje zijn
met lidjes rond, en lachgezond
en lonkend lachend zonder grijn?

Voor 't kind - De Gids (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht

maannacht

Een gedicht van Alex Guttelimg 1884-1910

Maannacht

De sterren glommen stil en breder
Als parels in der neevlen zee,
Zilver-doorvloeid was 't maanlicht weder,
Wij liepen zwijgend en tevree.

Vol was de maan, wier stralen banden
In zuivre kring de dampen grijs,
Gelijk een meer in marmren randen
Omcirkelend een hel paleis.

De wegen lijnden blank door donker.
Bomen geveld de bermen langs
Leken op eindeloos gekronkel
Van slangen bleek van schubbenglans.

En in het smallere bospad straalden
Bemoste stammen sneeuwgelijk,
Door kruinen zilvren schimmen daalden
En dwaalden door hun sprookjesrijk.

Hun sluiers wuifden... bleke haren...
Blanke gewaden... manegloed...
Was het de ritseling dier scharen,
Dat kilte rilde door ons bloed?

't Gehakte hout lag klaar in stapels:
Altaren, Druïden-dienst bereid.
Wuifden daarheen die bleke rafels?
Wat vreemde zucht zwol wijd en zijd?

Ons voeten stootten donkre vormen
Als vreemd gedierte op witte grond,
En angst-ontroering kwam bestormen
Ons hart dat nergens uitweg vond.

Opeens een poort van 't woud, en heide
Lag vredig wijd... geen dampen grauw:
Helstralend maan en sterren spreidden
Hun schijnslen door het glanzend blauw.

En bij een vijver tredend schouwden
We in donkre spiegel 't maanbeeld klaar,
Zuiver en rond, en de onverflauwde
Sterren, doodstil, omkringden haar.

Doorgloeide wolken (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

makker

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1919

Makker, de dag is óp; lóóp, om je deel te halen

Makker, de dag is óp; lóóp, om je deel te halen
Van 't bare zonnegeld, van dauw en ochtenddoop,
En schater, sleetse zorg en nachtlijk leed ten koop,
Om 't spoelen van de wind en 't lied der wielewalen.

Makker, een open dag voor strijd en nieuwe hoop.
Hij schuurt het hart weer blank, hij vult de lege schalen,
Zó: heil de jonge dag! de wijn mag niet verschalen,
Wijl 's nachts om onze peêl de broze weemoed sloop.

Een donk're rozelaar, een vroege verzen-schrijver,
Een bronstig peerd, dat draaft, de lucht welft stil en strak,
Een vogel rijst en daalt en scheert de koele vijver...

Makker, de dag is schóón, die door de windsels brak!
Hij schrijdt in jong geweld en spilt zijn vreugd en ijver.
En géén keert leeg naar huis, die hèm de hand toestak.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:10 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Het lied van de wijn

Ik treed naar buiten op 't balkon
en adem in de winternacht,
nog staat de tafel achter mij
gevuld met d' uitverkoren vracht
van spijzen kostelijk bereid,
der vruchten kleurge overvloed
en restend in een enkel glas
wat wijn, rood als ons bloed.

Zij gingen heen - hun harde tred
ver-echoot door de lege straat;
de zwarte nacht gelijkt een stolp
die over 't kleine leven staat,
waarbinnen het begrensde spel
òns leven, veilig wordt behoed
tot aan de tijd dat plotseling staakt
de maatgang van ons bloed.

De wind vlaagt over mijn gelaat
en koud en later wordt het uur,
ik treed weer binnen het vertrek
en zet mij eenzaam naast het vuur
en denk aan het voorbije feest
van vriendschap en van overvloed
- ik glimlach om de volle vreugd'
van 't jong en krachtig bloed.

Dàn, met een lang-gewend gebaar
heb ik het ledig glas gevat,
en uit een grauw-bestoven fles
schenk ik het oud en nobel nat,
dat in het helder lamplicht wint
een diepe kleur, een donk're gloed
- zo werd eenmaal dit ledig lijf
gevuld met stromend bloed.

Ik hef het fonkelend kristal
tegen het witte licht omhoog,
opdat ik goed en algeheel
voortaan oprecht beseffen moog
hoe deze dunne, glazen schaal,
ontstegen aan de vaste voet,
het onnaspeurbaar raadsel bergt
van 't eigen, brandend bloed.

En dalend trager naar mijn mond
zie ik als in een diepe droom,
bevangen door een snelle roes,
bedwelmd door 't edele aroom,
een glooiend landschap waar de zon
de jonge trossen rijpen doet,
totdat ten langen lest zij zijn
zwaar van een bronstig bloed.

De donk're bruiden van dit land,
met donk're ogen, donker haar,
ik zie hoe dat hun rappe hand
berooft de knoestige druivelaar
als speelden zij een vluchtig spel;
zij hebben nimmer dit vermoed:
al bleef ik ver en vreemd van hen,
zij zinderen doen mijn bloed.

De droom vergaat en aan mijn mond
breng ik het glas met zekere hand,
in dit verkoren ogenblik
doorslaat mij bliksemend een brand,
een helder vuur, een snelle vlam,
en plotseling ken ik nu voorgoed
't verrukken vlagend van de wijn
zijn ziel, zijn bloed.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:16 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Willem G. van Focquenbroch 1640-1670

ZING-ZANG

IK heb het, bij mijn zolen,
Dan eindlijk op mijn huid;
Mijn hartje brandt op kolen
En springt mijn vel schier uit.
De stralen van uw ogen,
Bestuurd door Venus' kind,
Die doen mij vast verdrogen
Als stokvis in de wind.

’k Heb van de nacht gekreten
ruim twee paar emmers vol:
’k Heb schier de damp vergeten,
Zo is mij ’t hoofd op hol:
’k Heb mijn gekrulde lokken
Zo kaal geplakt om jou,
Dat men uit al de vlokken
Zes ballen maken zou.

Ach, moet dit langer duren,
Zo geef ik ’t hagje op,
Al zou ik bij mijn buren
Gaan lenen bast, balk en strop;
Want ik wil, bij Sint Felten,
Eer derven als een man,
Dan zo door u te smelten,
Als boter in de pan.

Ach laat mijn ongelukken
U porren tot gena:
Zie, hoe mijn hart op krukken
U huppelt achter na:
Ei, wil dat eens ontvangen,
En koestren in uw schoot;
Wilt gij mij niet zien hangen,
Ruim tien jaar voor mijn dood.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:02 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Regen

Schaduwen van wie er gaat
ingedoken over straat,
kleren, hoofd en voetenhak
weggeëffend, grauw en vlak
als lei.

Tuin en schutting allebei,
heesters, perken en jasmijnen
opgetild in een verdwijnen
en het uitgerafeld pad
heeft ook zijn stil verlies gehad.

Tussen bleke huizenmuren
hangt de dag van trage uren,
evenwicht naar alle zijd;
in de stilstand van de tijd
lekt het sijpend ogenblik
tik, tik.

Gemengde Verzen III (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:16 Reageer op dit bericht

regina

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Regina

Regina telt maar vijftien jaren,
En hoe bekoorlijk is ze reeds!
Haar halsje omgolven guldene haren,
Haar mondje omdanst een lachje steeds.
't Eenvoudigst mutsje dekt haar kopje,
De stof haars kleeds is grof katoen. -
Ei! klinkklank heeft het rozenknopje
Om lief te wezen niet van doen.
Wanneer zij op de dag des Heeren
Soms met hare ouders wandlen gaat,
Dan let geen mens op hare kleren,
Maar allen treft haar zoet gelaat.
Dan volgen aller gretige ogen
Het ranke maagdelijn getrouw,
En murmelt menigeen bewogen:
Dat meisje wilde ik wel tot vrouw!

Is hare schoonheid uitgelezen,
Haar hart is mede louter goud:
Dat zegt haar rozig, blozig wezen
Elkeen, die 't eenmaal heeft aanschouwd.
En de engel Gods, die hare gangen
Vol teerheid overal bespiedt,
Die kleurt er nooit een blos de wangen,
Als hij in 't reine zieltje ziet.
Nog hete 't meisje twee-, driemalen
Der nieuwe lente wellekom,
Dan zal ze, o liefde, u tol betalen,
Dan zweeft een vrijerszwerm haar om.
En vlecht u een de mirtebloemen
Om 't blonde hoofd, o maagdelijn!
Mag een zich uwen bruigom noemen,
Wat hemel zal hem de aarde zijn!

Liederen

schrijver

Geschreven door Dora om 11:11 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Avond

Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.

Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armlijk loof dat om de zerken groeit.

Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zo zeggend: ‘Ook de grootste liefde kan niet tegen
De dood die niets ontziet en alles slecht'

Verzamelde gedichten deel1 (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:27 Reageer op dit bericht

blind

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Op een blind geboren maar uitstekend schoon kind.

Onthield u 't Lot, bevallig wicht,
Bij zo veel schoons het zonnelicht,
't Was niet uit wrok, maar medelijden.
Het maakte u, als Cupido, blind;
Maar 't wilde, o albekorend kind,
U voor Narcissus' ramp bevrijden.

1795

Mengelpoezy I

schrijver

Geschreven door Dora om 20:43 Reageer op dit bericht

lippen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Ik kus uw lippen

Ik kus uw lippen en uw ogen,
Ik kus uw haren en uw mond,
Ik kus mij moede en gezond;
Kussende ben ik rondgetogen.

Gij glimlacht en gij wilt gedogen
Dat ik uw hand kus en uw voet.
Ik eet uw vlees en drink uw bloed
Ik kus uw lippen en uw ogen.

Ik kus u in de vroege morgen,
Ik kus u 's avonds en des nachts.
Ik kus u stil en onverwachts,
Ik kus u heftig en verborgen.

Uw Liefde is zo wijd en vrij,
Zo vol van deernis en ontferming,
Dat ik nooit buiten uw bescherming
Verdwalen kan; ik kus u blij.

De Levensgift (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

hoofd

Een mooi gedicht van Hans Uding

GEEN RUIMTE IN MIJN HOOFD

Géén ruimte in mijn hoofd, ik oog toch normaal
ik weet het begin niet te vinden, het is weg
weet niet meer waar ik de dingen leg
mijn verstand is zoek, is aan de haal

mijn echte ik is verdwenen, waar zou het toch zijn
ik wil het weer terug, het doet mij zo pijn,
toen kreeg ik visite van een lieve vriendin
kreeg hoop en zag in het leven weer zin

ik gaf haar de sleutel van mijn treurige hart
keek naar de chaos en rotzooi met smart
nu kan zij altijd bij mij naar binnenkomen
samen in mijn opgeruimde hart wonen

het was puin ruimen in mijn leven,
dat zij mij terug heeft gegeven
zonder haar hulp was ik zovér nooit gekomen
ook de ruimte in mijn hoofd is weer te bewonen



schrijver

Geschreven door Dora om 19:10 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten