dichtergave

Dichtergave
Niets dan woorden kon ik geven?
Vluchtige verganklijkheid
Van wat klanken die verzweven
Wijd en zijd?
En toch heb ik u geschonken
't Zuiverst wat mijn ziel bezat:
Konde van een diepst-verzonken
Schoonste schat.
Dichterwoorden zijn als tranen
Van wie stilkens wenen moet
Om een liefde nooit verstaan en
Toch zo zoet.
Dichterwoorden zijn als lachjes
Van een kindje, zilver-klaar,
Spelens-luid of mijmer-zachtjes,
Innigst-waar.
Dichterwoorden zijn als golven,
Nauw genaderd weer gevloôn,
Rustloos rijzend en bedolven,
Eeuwig schoon.
Dichterwoorden zijn als vlindren,
Dwarlend over bloemenwei,
Wijd-verwaaide windekindren
En tòch vrij.
Dichterwoorden zijn als stralen,
Die van smart noch waan besmet
In des harten afgrond dalen
Onverlet.
Zuiver, teder en waarachtig,
Sterk in hun gebondenheid,
Schoon in wissling, maatvol-machtig,
Waan-bevrijd,
Zullen dichterwoorden zingen
Uit de afgrond onzer smart,
Van de schat in aller dingen
Heimlijkst hart.



















